Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser 1] , te [plaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder
de Minister van Veiligheid en Justitie, de Minister.
Procesverloop
Overwegingen
“
Als u het niet eens bent met mijn voornemenBent u het niet eens met mijn voornemen om u deze naheffingsaanslag op te leggen? Dan kunt u hierop vóór 18 november 2014 reageren. Heb ik voor deze datum geen reactie van u ontvangen, dan zal ik de naheffingsaanslag opleggen.”.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn gelijksoortige gebruikte voertuigen in dit geval geen gebruikte (gesloten) bestelauto’s, maar gebruikte kampeerauto’s. Er bestaan immers in het algemeen zodanig wezenlijke verschillen tussen beide soorten voertuigen, in het bijzonder wat betreft hun respectievelijke eigenschappen en de behoeften waarin zij voorzien, dat een bestelauto zich als zodanig niet in een concurrentieverhouding met een kampeerauto bevindt. Het tegendeel heeft eiser gesteld, noch aannemelijk gemaakt. Daarnaast heeft de kampeerauto allerlei recreatieve voorzieningen, waarvan ook reeds aannemelijk is dat er een andere aard en intensiteit van het gebruik bestaat dan bij bestelauto's. Om deze redenen verloopt de afschrijving van kampeerauto’s naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk aan de afschrijving van bestelauto's (zie ook HR 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847, r.o. 2.3.3).
afschrijving, maar op de vaststelling van het basisbedrag aan BPM als zodanig (de 'bruto BPM'). Wanneer bij de
verminderingvan het hiervoor bedoelde bedrag aan (bruto) BPM rekening wordt gehouden met een (bij benadering) reële waardevermindering van kampeerauto’s, is geen sprake van een discriminerende heffing. De door eiser gestelde strijd met artikel 110 VWEU Pro is ten principale dan ook niet aan de orde.
mondelingkenbaar te maken. Hij verwijst hiervoor (onder meer) naar HvJ EU 3 juli 2014, Kamino, ECLI:EU:C:2014:2041, en naar HvJ EU 18 december 2008, Sopropé, ECLI:EU:C:2008:746. Eiser stelt dat de verplichting van verweerder verder gaat dan het enkele bieden van de mogelijkheid om te reageren (zie 1.3).
Het HvJ EU heeft er voorts (punt 44) op gewezen dat wanneer een nationale regeling een termijn vaststelt voor de indiening van de opmerkingen van de belanghebbenden, de nationale rechter zich ervan dient te vergewissen of die termijn beantwoordt aan de specifieke situatie van de betrokken persoon of onderneming en hun, met inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel, de mogelijkheid heeft geboden om hun rechten van verdediging uit te oefenen.
plicht, maar een hoor
recht. Waar het om gaat is dat de belanghebbenden in staat worden gesteld om naar behoren hun standpunt kenbaar te maken. Dat laatste is in dit geval wel degelijk gebeurd.
De immateriële schadevergoeding
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 333;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 667;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht tot een bedrag van € 22,50 aan eiser te vergoeden;
- draagt de Minister op het betaalde griffierecht tot een bedrag van € 22,50 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 741;
- veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 741.