Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verzoeker] ,
Dimensio Verpakkingen B.V.,
PROCESGANG
OVERWEGINGEN
De feiten
De verzoeken en het verweer daartegen
- a)
- b)
- c)
De beoordeling
In de zaken met zaak-/rolnummers 4732861/16-4 en 4771086/16-16
In de zaak met zaak-rolnummer 4770558/16-15 : het (voorwaardelijk) verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
in zijn algemeenheidbevestigend (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 15.02.2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1116). In het kader van het inmiddels vervallen artikel 7:685 BW Pro is aanvaard dat een werkgever, nadat een werknemer de nietigheid van een ontslag op staande voet heeft ingeroepen, een gerechtvaardigd belang kan hebben bij voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst blijkt niet te zijn geëindigd door dat ontslag (zie: HR 21 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4670; NJ 1984/296). De kantonrechter ziet geen reden om voor een ontbinding met toepassing van artikel 7:671b lid 1 BW tot een ander oordeel te komen. De omstandigheid dat tegen een beschikking tot ontbinding op grond van artikel 7:671b lid 1 BW, anders dan in geval van een beschikking op grond van artikel 7:685 BW Pro, hoger beroep mogelijk is, betekent niet dat de werkgever in zijn algemeenheid geen belang meer kan hebben bij een voorwaardelijke ontbinding. Wel zal per geval moeten worden bezien welke feiten en omstandigheden aan het voorwaardelijk ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd en op welke grondslag het verzoek is gebaseerd.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier evenwel niet voor. Daartoe wordt het volgende overwogen.