Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.[B] ,
[C],
[D],
[E],
1.De procedure
2.De feiten
opm. rechtbank: [C] respectievelijk [H]] is die de zaken der maatschap voortzet, kan deze van zijn medevennoot, diens rechtsvertegenwoordigers of rechtverkrijgenden, hetzij eisen dat met hem een pachtovereenkomst voor de wettelijke duur wordt aangegaan betreffende het door de ander vennoot in gebruik en genot ingebrachte onroerende goed, hetzij dat hem deze goederen worden overgedragen tegen de verpachte waarde.
3.De vordering in conventie
4.De vordering in reconventie
5.Het geschil en de beoordeling daarvan
- samengevat - het volgende ten grondslag. Met de onder 2.8 opgesomde verkooptransacties heeft [C] een meerwaarde gerealiseerd van fl. 3.312.849,--. Deze meerwaarde moet worden verdeeld tussen [C] en de erfgenamen van vader en moeder. Op grond van de bestaande huwelijksgemeenschap komt de helft van de meerwaarde (fl. 1.656.424,50) aan vader en de andere helft (fl. 1.656.424,50) aan moeder toe. Op grond van het erfrecht komt van vaders helft een zesde aan moeder en elk kind toe, zijnde fl. 276.070,75. Van moeders helft plus haar erfdeel in de nalatenschap van vader komt een tiende aan [A] toe.
fl. 2.530.243,82 moet op grond van artikel 4:65 BW Pro worden meegenomen bij de berekening van de legitieme portie van [A] , die immers 10% van de legitimaire massa bedraagt. Berekend naar het tijdstip van de prestatie is de waarde van de gift € 1.454.024,57 en bedraagt de legitieme portie van [A] 10% hiervan, zijnde € 145.402,--.
6.De beslissing
23 september 2015;
23 september 2015;