Beoordeling van het geschil
3.1 In de onder 1.1 vermelde akte is als heffingsmaatstaf vermeld een waarde voor het vastgoed van in totaal € 430.000. Nu verweerder stelt dat die waarde te laag is, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat verweerder bewijs verschaft voor de door hem gestelde hogere waarde.
3.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het licht bezien van wat eiser heeft aangedragen niet geslaagd is in zijn bewijslast. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.
3.3 Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde verwijst verweerder onder meer naar het onder 1.7 vermelde taxatierapport. In dat rapport is een vijftal referentieobjecten opgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat deze referentieobjecten niet, althans onvoldoende, vergelijkbaar zijn met het onderhavige vastgoed. In het taxatierapport is bovendien niet vermeld op welke punten de referentieobjecten verschillen met het onderhavige vastgoed en derhalve is evenmin duidelijk gemaakt op welke wijze met deze verschillen rekening is gehouden. De gehanteerde huurwaardekapitalisatiefactor van 11 in het taxatierapport is niet nader onderbouwd. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting niet nader kunnen toelichten wat de door de taxateur gehanteerde 'Hiswa-verhuurnormen' zijn en hoe die - veronderstellenderwijs dat ze bestaan, hetgeen eiser betwist - zijn toegepast bij de waardering van het vastgoed. In het taxatierapport is een bedrag van € 220.000 toegerekend aan zogeheten winterstalling. Ter zitting heeft eiser onweersproken gesteld dat er geen sprake is van een winterstalling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn enkele stelling dat een winterstalling tot de mogelijkheden behoort niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het vastgoed sprake is van een winterstalling en dat - veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat die er zou kunnen zijn - verweerder een onvoldoende onderbouwing heeft gegeven van de waarde daarvan. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat in de taxatie geen rekening is gehouden met de staat van onderhoud van het vastgoed. De rechtbank is van oordeel dat deze omissie voor rekening van verweerder komt en dat zijn stelling dat hij niet kon weten wat de staat van onderhoud was, daar niet aan afdoet. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat met de nadien verkregen informatie over de staat van onderhoud rekening had moeten worden gehouden. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de waarde van het vastgoed op basis van het onder 1.7 vermelde taxatierapport niet zonder meer op € 1.210.000 kan worden vastgesteld. Ook met hetgeen verweerder overigens heeft aangevoerd heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de onder 1.8 vermelde waarde in het kader van de Wet WOZ en de onder 1.10 vermelde verkoop, de door hem bepleite waarde niet aannemelijk gemaakt.
3.4 De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser er evenmin in is geslaagd de door hem bepleite waarde van het vastgoed van € 430.000 aannemelijk te maken. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.
3.5 Eiser heeft ter onderbouwing van de door hem bepleite waarde de onder 1.4 tot en met 1.6 vermelde taxatierapporten overgelegd. Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zijn voorkeur voor het onder 1.4 vermelde rapport - eiser heeft de daarin vermelde waarde gehanteerd - slechts een keuze is geweest. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan dit rapport meer waarde moet worden toegekend dan aan de andere twee door hem ingediende taxatierapporten. Wat betreft de staat van onderhoud is, naar het oordeel van de rechtbank, in het onder 1.4 vermelde rapport van [taxateur 5] onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met de onderhoudskosten. In het onder 1.6 vermelde rapport van [taxateur 1] is, naar de rechtbank begrijpt, de waarde van het vastgoed vastgesteld per 5 januari 2012, derhalve meer dan een jaar na het moment van verkrijging door eiser (het heffingstijdstip).
In het onder 1.5 vermelde rapport van [taxateur 6] is de waarde van het vastgoed bepaald aan de hand van de methode volgens het netto aanvangsrendement. Ter zitting heeft eiser verklaard dat daarbij is gerekend met de bestaande huren en niet met de hogere huurprijzen, die mogelijk zijn na een huurderswisseling. De rechtbank is van oordeel dat, nu volgens eiser de ligplaatsen gemiddeld eens per zes jaar van huurder wisselen, hiermee bij de, voor de NAR-methode gebruikte, huren wel rekening dient te worden gehouden. Daarenboven is de in dit rapport gehanteerde factor van 11% niet nader onderbouwd.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de waarde van het vastgoed op basis van de onder 1.4 tot en met 1.6 vermelde taxatierapporten niet zonder meer op € 430.000 kan worden vastgesteld. Voor zover eiser met de onder 1.5 en 1.6 ingediende rapporten heeft bedoeld een subsidiair en meer subsidiair standpunt in te nemen, door de in die rapporten bedoelde waarde te bepleiten, komt de rechtbank tot de conclusie dat die waarden, gelet op het voorgaande, evenmin op basis van de onder 1.5 en 1.6 vermelde rapporten aannemelijk worden gemaakt.
Ook met hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de onder 1.9 vermelde verkoop, de door hem bepleite waarde(n) niet aannemelijk gemaakt.
3.6 Na toetsing van hetgeen partijen over en weer in het geding hebben aangedragen, is de rechtbank van oordeel dat de waardering van het vastgoed in verband met de heffing van overdrachtsbelasting op geen van de door beide partijen geschatte waarden juist kan worden geacht. Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen bepaalt de rechtbank de waarde op de waardepeildatum in goede justitie op € 600.000.
3.7 Het beroep en het bezwaar worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Nu verweerder op het bezwaar tegen de beschikking heffingsrente niet afzonderlijk uitspraak heeft gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat in de onderhavige uitspraak op bezwaar ook de beschikking ligt besloten om de beschikking inzake heffingsrente te handhaven. De rechtbank ziet aanleiding om verweerders beslissing om de beschikking heffingsrente te handhaven, te vernietigen, aangezien de met de beschikking heffingsrente samenhangende naheffingsaanslag zal worden verminderd. De rechtbank verstaat dat verweerder het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig zal verminderen.
3.8 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.
3.9 Eiser heeft verzocht om vergoeding van de integrale proceskosten. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht is onder meer grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden of het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig handelt (HR 13 april 2007, nr. 41235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Van dergelijke omstandigheden is echter naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, zodat zij geen aanleiding ziet voor een vergoeding van de integrale proceskosten van eiser. Hetgeen eiser, uitsluitend vanwege zijn verzoek om een integrale proceskosten daartoe heeft aangevoerd - schending van het motiverings-, zorgvuldigheids- en/of proportionaliteitsbeginsel en het verbod van misbruik van (proces)bevoegdheid - ziet de rechtbank niet, althans onvoldoende, met feiten en omstandigheden onderbouwd. Eisers stelling dat verweerder ten onrechte heeft vastgehouden aan de door hem bepleite waarde is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende, te meer nu verweerder dit standpunt heeft onderbouwd met een taxatierapport. Dat eiser zich niet kan verenigen met de inhoud en conclusies van dat rapport is onderdeel van het geschil, maar daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat verweerder zijn standpunt niet heeft gemotiveerd. Het verschil in uitkomst van de waarde tussen de verschillende taxatierapporten en het grote financiële en fiscale belang voor eiser kunnen evenmin zonder meer een reden zijn om van een schending van de door eiser opgevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur te spreken.