Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[de vrouw],
1.De procedure
6 mei 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
2.Waar gaat het over?
primair, te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de onder e) genoemde goederen op grond van het gestelde in artikel 3:194 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek dan wel 1:135 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek aan de man verbeurt en dat aan de man zodoende de gehele waarde van beide onroerende goederen toekomt;
3.De beoordeling
‘Loi nº. 98-94 of 1998, du 9 novembre 1998, relative au régime de la communauté des biens entre époux’(hierna: LRC). Volgens artikel 1 LRC Pro kunnen partijen bij het sluiten van het huwelijkscontract kiezen voor toepassing van het stelsel van dit ‘joint ownership’. [8] In artikel 7 LRC Pro is bepaald dat de ambtenaar die het huwelijkscontract opstelt, partijen moet wijzen op deze optie en hun reactie hierop moet vermelden in het huwelijkscontract. [9] Uit de hiervoor genoemde bepalingen volgt dat het naar Tunesisch recht voldoende is om ten overstaan van de ambtenaar bij de huwelijkssluiting te kiezen voor een bepaald huwelijksvermogensregime. Dat is hier ook gebeurd, want de ambtenaar heeft in de (Engelse vertaling van de) huwelijksakte vermeld dat partijen kiezen voor ‘joint ownership’. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit hieruit ook een ondubbelzinnige keuze voort voor het Tunesische recht. Anders dan de vrouw stelt, is voor een dergelijke keuze niet nodig dat met zoveel woorden voor toepassing van het Tunesische recht wordt gekozen. Een verwijzing naar het Tunesische stelsel, zoals hier is gedaan door te verwijzen naar de Tunesische rechtsfiguur van ‘joint ownership’, is daarvoor voldoende. Uit die aanwijzing vloeit ondubbelzinnig voort dat partijen hebben willen aansluiten bij het in de Tunesische wet geregelde regime. Daarbij verwijst de rechtbank ook naar de eerder aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, waarin de verwijzing naar het huwelijksvermogensregime volgens het Italiaanse wetboek voldoende werd geacht [10] en naar de uitspraak van 30 januari 2026, waarin werd geoordeeld dat een voorwaarde in de huwelijksakte als huwelijkse voorwaarde en daarmee een keuze voor Iraans recht moest worden beschouwd. [11]