Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
Aviapartner B.V., uit Schiphol, eiseres
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Samenvatting
14 maart 2023 aan Aviapartner een eis gesteld tot naleving van artikelen 4.17 (actie 1) en 4.1c, eerste lid, onder b en e (actie 2), van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) en tot naleving van artikelen 18 (actie 3) en 5, derde lid (actie 4) van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Met het bestreden besluit van 24 mei 2024 heeft de minister het bezwaar van Aviapartner ongegrond verklaard.
Vaststaande feiten
14 maart 2023 en 24 mei 2024 stelt de rechtbank de volgende feiten vast die zij tot uitgangspunt heeft genomen.
De toe te passen toetsingskaders
De gronden van beroep en de beoordeling daarvan
Actie 1 (vervangen van arbeidsmiddelen)
In beroep stelt Aviapartner dat ook deze eis onredelijk en onuitvoerbaar is. Aviapartner is in grote mate afhankelijk van Schiphol en ondertussen wordt niet stilgezeten. Pas als er duidelijkheid is over de vraag of de infrastructuur van Schiphol voldoende mogelijkheden biedt voor het overschakelen naar die arbeidsmiddelen, kan een investeringsbeslissing worden gemaakt. Gelet op de huidige levertijden is de gestelde termijn tekort.
náde gestelde eis tot naleving hebben voorgedaan bij zijn heroverweging te betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit toetsingskader bij actie 3 miskend.
voorafgaandaan de gestelde eis tot naleving. De minister heeft nagelaten om in de heroverweging de feiten en omstandigheden te betrekken die zich na het stellen van deze eis tot naleving hebben voorgedaan. Dit geldt in het bijzonder voor de brief van de NLA van
5 april 2024 betreffende ‘Herinspectie resultaat’. In die brief staat onder andere dat de NLA van mening is dat Aviapartner voldoende heeft gedaan om de overtreding die aan actie 3 ten grondslag ligt, op te heffen.
Conclusie en gevolgen
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.