ECLI:NL:RBNHO:2026:8532

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
HAA 24/8333
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 ArbobesluitArt. 7:11 AwbArt. 5:32b AwbArt. 5:39 AwbArt. 8:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging last onder dwangsom wegens onvoldoende motivering en heroverweging

De minister legde aan Viggo Schiphol B.V. een last onder dwangsom op wegens overtreding van het Arbobesluit, specifiek vanwege een sterk verhoogd risico op fysieke belasting bij bagageafhandeling op Schiphol. Viggo betwistte dit besluit en het daaropvolgende invorderingsbesluit. De rechtbank oordeelt dat de minister bij de heroverweging in bezwaar feiten en omstandigheden die zich na het opleggen van de last hebben voorgedaan, had moeten meewegen, wat niet is gebeurd. Hierdoor is de besluitvorming onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd.

De rechtbank stelt vast dat de last onder dwangsom onvoldoende duidelijk is geformuleerd, met onduidelijkheden over het gebruik en de definitie van (til)hulpmiddelen en de norm van maximaal 216 handmatig te verwerken bagagestukken. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de organisatorische maatregelen van Viggo ontoereikend zijn, mede omdat de inspecties en gesprekken met medewerkers niet leiden tot een sluitende conclusie over de naleving.

Verder oordeelt de rechtbank dat de dwangsom passend is als bedrag per tijdseenheid vanwege de voortdurende aard van de overtreding, en dat de hoogte van de dwangsom voldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het invorderingsbesluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan Viggo.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het invorderingsbesluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/8333

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

Viggo Schiphol B.V., uit Eindhoven, eiseres

(gemachtigden: mr. T.I.P. Jeltema en E.P. Geerings),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

(gemachtigde: mr. I.E. van Heijningen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over last onder dwangsom die de minister aan eiseres (Viggo) heeft opgelegd en over de invordering daarvan. Viggo is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister bij de heroverweging in bezwaar feiten en omstandigheden moet meewegen die zich na het opleggen van de last onder dwangsom hebben voorgedaan. Dat heeft de minister niet gedaan. De besluitvorming kan daarom niet in stand blijven. Viggo krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 5 september 2023 aan Viggo een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 8 mei 2024 op het bezwaar van Viggo is de minister bij dat besluit gebleven. Bij besluit van 22 augustus 2024 is de minister overgegaan tot invordering van de dwangsom(men).
2.1
Viggo heeft bij de rechtbank Oost-Brabant beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Die rechtbank heeft de zaak via de rechtbank in Amsterdam ter behandeling doorverwezen naar de rechtbank Noord-Holland, zodat de zaak samen met beroepen van andere bagage-afhandelaren kan worden behandeld. De rechtbank Noord-Holland heeft op 13 januari 2025 aan Viggo laten weten dat zij het beroep van Viggo behandelt, op grond van artikel 8:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.2
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: voor Viggo [naam 1] (hrm-manager), [naam 2] (algemeen directeur), [naam 3] (Q&S manager) en de gemachtigden van Viggo, voor de minister diens gemachtigde en voor de Nederlandse Arbeidsinspectie mr. [naam 4] (juridisch adviseur afdeling handhaving), [naam 5] (juridisch adviseur afdeling handhaving),
[naam 6] (senior medewerker afdeling boete, dwangsom en inning), [naam 7] (specialist ergonomie van het Kenniscentrum van de NLA), [naam 8] (specialist ergonomie van het Kenniscentrum van de NLA) en [naam 9] (destijds inspecteur, thans projectleider fysieke belasting NLA).
2.4
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Daarna heeft de rechtbank medegedeeld uitspraak te doen nadat de beroepen van een andere bagage-afhandelaar ook op zitting zijn behandeld door de meervoudige kamer. Bij brief van 29 mei 2026 heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat de uitspraak heden gedaan wordt.

Vaststaande feiten

3. In het licht van de totstandkoming van de bestreden besluiten van 8 mei 2024 en
22 augustus 2024 stelt de rechtbank de volgende niet in geschil zijnde feiten vast die zij tot uitgangspunt heeft genomen.
3.1
Luchthaven Amsterdam Airport Schiphol (het vliegveld) behoort tot de grootste vliegvelden van Europa. Luchtvaartmaatschappijen zijn zelf verantwoordelijk voor de grondhandelingsdiensten, zoals bagageverwerking. Zij sluiten daarvoor overeenkomsten met afhandelingsbedrijven. Op het vliegveld zijn zes afhandelingsbedrijven actief. Gezamenlijk verwerken die bedrijven tussen de 50 en 70 miljoen koffers per jaar, omgerekend zo’n 120.000 tot 180.000 per dag. [1] Viggo is één van de bagage-afhandelaren op het vliegveld.
3.2
Inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) hebben op
2 september 2022 een inspectie uitgevoerd op het vliegveld, bij werkplekken waar bagage voor passagiersvliegtuigen wordt verwerkt. De NLA constateerde dat bij het verwerken van bagage van passagiers, de fysieke belasting voor de werknemers te hoog is en dat daarbij de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) wordt overtreden. De minister heeft naar aanleiding van die inspectie aan Viggo een eis tot naleving gesteld, over de wijze van verwerking van passagiersbagage in de bagagekelders en over het laden en lossen van passagiersbagage bij de vliegtuigen op de platforms.
3.3
Op 16 maart 2023 heeft een medewerker van de NLA aan Viggo en de andere bagage-afhandelaren de volgende e-mail gestuurd:
“Goedemorgen,
Ik heb gisteren aangegeven dat ik nog terug zou komen op het aantal koffers dat staat genoemd in de toelichting op de eis aan de bagage afhandelaren op Schiphol. In de toelichting staat de volgende tekst: “Als er geen hulpmiddel ingezet wordt mogen er maximaal 216 stuks bagage per werknemer per dag handmatig behandeld worden”.
Het aantal van maximaal 216 stuks bagage is van toepassing als er door een werknemer op geen enkel moment in het proces tilhulpmiddelen worden gebruikt. Indien er wél tilhulpmiddelen ingezet worden zult u in de verschillende RIE’s en Plannen van Aanpak moeten beoordelen onder welke omstandigheden de werknemers hun werk gezond kunnen uitvoeren. Dit is vanzelfsprekend afhankelijk van een scala aan factoren. Laat onverlet dat u conform de eis die de Arbeidsinspectie heeft gesteld moet werken.”
3.4
Op 21 en 24 april 2023 en op 15 en 17 augustus 2023 hebben arbeidsinspecteurs nieuwe inspecties uitgevoerd op het vliegveld Schiphol. Er zijn waarnemingen gedaan en er is gesproken met medewerkers van Viggo.
3.5
Op 5 september 2023 heeft de NLA aan Viggo een last onder dwangsom opgelegd. Daaraan heeft de minister overtreding van artikel 5.3, aanhef en onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) ten grondslag gelegd. Bij de uitvoering van de arbeid door werknemers is volgens de minister sprake van een sterk verhoogd risico voor de gezondheid, door fysieke belasting. Ook het werken op de knieën is fysiek belastend. Fysieke belasting is een van de belangrijkste veroorzakers van arbeids-ongeschiktheid en kan zorgen voor veel tijdelijke en permanente gezondheidsproblemen. Viggo moet er als werkgever alles aan doen om de gevaren op korte termijn zoveel als mogelijk te beperken. Beschikbare (til)hulpmiddelen moeten gebruikt worden. Het besluit bevat daarnaast organisatorische maatregelen die Viggo kan treffen om voor haar werknemers de gevaren op korte termijn zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te beperken. In het besluit is ook een kader opgenomen voor taakroulatie, als een manier waarop Viggo aan de last zou kunnen voldoen.
3.6
De minister heeft het bezwaar van Viggo tegen de last op 8 mei 2024 ongegrond verklaard. Viggo had aan de rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, maar dat verzoek is op 24 oktober 2023 afgewezen. Op 16 mei 2024 heeft de minister aan Viggo een voornemen tot het opleggen van een tweede last onder dwangsom kenbaar gemaakt.
3.7
Bij besluit van 22 augustus 2024 is de minister overgegaan tot invordering van de dwangsom(men). Dit besluit is gebaseerd op controles die zijn uitgevoerd op
10 oktober 2023, 13 oktober 2023, 7 november 2023, 9 november 2023, 11 december 2023, 9 januari 2024, 11 januari 2024, 12 februari 2024, 14 februari 2024, 11 maart 2024, 9 april 2024, 10 april 2024 en 7 mei 2024. Volgens de minister heeft Viggo niet aan de last voldaan, omdat er nog steeds geen gebruik werd gemaakt van alle beschikbare (til) hulpmiddelen en omdat er geen constante werkwijze is die beperking van de fysieke belasting van haar medewerkers borgt.

Omvang van het geding

4. Vanuit het oogpunt van concentratie van rechtsbescherming richt het beroep tegen de last onder dwangsom zich in dit geval ook tegen het besluit van de minister om de dwangsommen in te vorderen. [2]

De toe te passen toetsingskaders

5. Bij de beoordeling van de beroepsgronden gaat de rechtbank uit van de volgende toetsingskaders.
5.1
De minister heeft aan Viggo een last onder dwangsom opgelegd. Een last onder dwangsom is een herstelsanctie die strekt tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en die een verplichting tot betaling van een geldsom omvat als de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zo duidelijk en concreet wordt geformuleerd dat degene tot wie de last zich richt (Viggo in dit geval) niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. [3]
5.2
Op grond van het bepaalde in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt – kort gezegd – op de grondslag van het bezwaar een heroverweging van het primaire besluit plaats. Hoofdregel is dat het bestuursorgaan zijn eerdere besluit moet heroverwegen op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de heroverweging en op basis van het op dat moment geldende recht of beleid.
5.3
Voor een heroverweging van besluiten die hebben geleid tot het opleggen van een herstelsanctie geldt in het bijzonder dat het resultaat van die heroverweging moet leiden tot een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving van de desbetreffende norm. Dat betekent in de eerste plaats dat het bestuursorgaan moet bezien of het op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de beslissing in primo destijds terecht zijn besluit heeft genomen. In de tweede plaats dient het bestuursorgaan feiten en omstandigheden die zich ná de eerdere weigering of oplegging van een herstelsanctie hebben voorgedaan bij zijn heroverweging te betrekken. [4]
5.4
Bovenstaande betekent dat de last zoals die oorspronkelijk is opgelegd rechtmatig kan zijn, terwijl er daarna in de heroverweging in bezwaar reden kan zijn de last toch (gedeeltelijk) te herroepen of te wijzigen, als gevolg van beëindiging van de overtreding of opvolging van de gedragslijn.

De gronden van beroep en de beoordeling daarvan

6. Viggo heeft diverse gronden aangevoerd tegen de bestreden besluiten. Voor zover voor de uitspraak van belang bespreekt de rechtbank hierna die gronden.

Duidelijkheid van de last

7. Viggo stelt dat de last om meerdere redenen onvoldoende duidelijk is. Er is volgens haar sprake van een open norm die zonder nadere uitwerking tot interpretatieproblemen leidt. Het besluit bevat een kader dat voor verschillende uitleg vatbaar is. De NLA heeft aangegeven dat de gevaren van fysieke belasting voldoende worden beperkt als een werknemer per dag niet meer dan 216 stuks bagage handmatig verwerkt. Uit een emailbericht van [naam 10] blijkt dat het aantal van 216 stuks geldt als er door een werknemer op geen enkel moment in het proces tilhulpmiddelen worden gebruikt. De melding dat het in het kader van taakroulatie is toegestaan om 8 uur per dag met een (til)hulpmiddel te werken impliceert dat er dan geen beperking zou gelden ten aanzien van het maximaal te verwerken stuks bagage per dag. Bovendien bevat de last geen definitie van het begrip (til)hulpmiddel. Viggo werkt buiten op het platform zoveel mogelijk met een Powerstow, wat een (til)hulpmiddel is. Het maximaal te verwerken stuks is dan niet van toepassing, omdat er dan geen sprake is van handmatige verwerking. Viggo verplicht haar werknemers alle beschikbare tilhulpmiddelen te gebruiken, als deze veilig zijn. Viggo heeft haar werknemers de Bal-Trol om veiligheidsredenen niet laten gebruiken. Uit de last blijkt ook niet wanneer voldoende organisatorische maatregelen zijn getroffen om de gevaren van fysieke belasting te voorkomen. Evenmin blijkt uit de last wanneer sprake is van adequaat toezicht op het handmatig verwerken van bagage. De minister heeft geen maatregelen in overweging gegeven over de frequentie van de controles. Van Viggo kan redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij op elke werkplek op elk moment een toezichthouder plaatst.
8. De minister betoogt dat de last wel voldoende duidelijk is. Uit de (controle)rapporten volgde dat niet alle beschikbare(til)hulpmiddelen door de werknemers werden gebruikt en/of dat waar deze niet (voldoende) beschikbaar waren niet afdoende was ingezet op organisatorische maatregelen. De last ziet daarom op het gebruik van (til)hulpmiddelen en op het treffen van organisatorische maatregelen, zoals het rouleren van taken. Uit de last blijkt wanneer de gevaren van fysieke belasting voldoende beperkt worden. De grens van handmatig verwerken van bagage is bepaald op 216 stuks per werknemer per dag. Die norm gaat niet omhoog als er een (til)hulpmiddel wordt gebruikt. Het is niet zo dat als er een (til)hulpmiddel wordt ingezet, daarnaast meer dan 216 bagagestukken handmatig verwerkt mogen worden. Met een (til)hulpmiddel mogen wel meer dan 216 bagagestukken worden verwerkt, zolang dit niet handmatig gebeurt. De norm van 216 stuks is geen zelfstandige, algemene norm om te bepalen of de fysieke belasting zoveel mogelijk wordt beperkt. Als een werknemer met een (til)hulpmiddel werkt, bevat de last daarvoor geen concreet aantal te verwerken stuks bagage. Volgens de minister is de Powerstow een (til)hulpmiddel in het vliegtuig. De norm geldt ook voor zover handmatig bagage wordt verwerkt bij werkzaamheden op en vanaf de Powerstow. Bagagestukken moeten namelijk handmatig op de Powerstow gelegd worden of ervan af worden gehaald. De minister vergelijkt de Powerstow met een bagageband in de kelders waar ook handmatig bagagestukken op en van de band worden getild. De Bal-Trol is wel een veilig hulpmiddel. Het emailbericht waar Viggo op doelt is een vervolg op een eerder gevoerd (mondeling) gesprek, in het kader van de eis tot naleving, en richt zich niet specifiek tot Viggo. Bij de controle of Viggo aan de last voldeed is gecontroleerd op het gebruik van (til)hulpmiddelen en de genomen organisatorische maatregelen. Viggo heeft niet uitgelegd hoe de genomen maatregelen de fysieke belasting beperken. Als er meer dan 216 bagagestukken handmatig worden verwerkt is er geen sprake van het beperken van de fysieke belasting en lopen werknemers gevaren voor de gezondheid bij de uitoefening van hun werk.
9. De rechtbank overweegt het volgende en stelt voorop dat een last onder dwangsom een belastend besluit is. Om een belastend besluit te kunnen nemen, moet de minister aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van zo’n besluit is voldaan. Het ligt in dit geval op de weg van de minister om met feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat sprake is van een overtreding, in die zin dat werknemers van Viggo (til)hulmiddelen niet gebruiken en dat Viggo onvoldoende organisatorische maatregelen heeft genomen. De minister wijst hiervoor naar de controles voorafgaand aan het primaire besluit.
9.1
De bevindingen van de controles uit april 2023 zijn opgenomen in het rapport van 2 juni 2023. Daaruit blijkt dat de waarnemingen vooral gericht waren op de aanwezigheid van tilhulpmiddelen. In het rapport concluderen de arbeidsinspecteurs dat werknemers bij uitvoering van de werkzaamheden de aanwezige hulpmiddelen niet gebruikten (omdat die defect waren of er niet waren) en dat er geen toezicht werd gehouden op het gebruik daarvan. In augustus 2023 hebben arbeidsinspecteurs opnieuw controles uitgevoerd.
9.2.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee onvoldoende gemotiveerd waarom constateringen over het wel of niet gebruiken van tilhulpmiddelen, over het wel of niet geven van voorlichting over dat gebruik, het wel of niet houden van toezicht daarop en het wel of niet afdoende afwisselen van taken, de overkoepelende conclusie kunnen rechtvaardigen dat Viggo onvoldoende organisatorische maatregelen heeft genomen voor situaties waarin die hulpmiddelen niet of niet voldoende beschikbaar zijn. De minister heeft het besluit tot opleggen van de last daarmee niet voldoende zorgvuldig voorbereid en zoals gezegd, onvoldoende gemotiveerd.
9.2.2
Tijdens de inspecties in augustus 2023 is wederom geconstateerd dat de aanwezige (til)hulpmiddelen niet werden gebruikt. Verder is met bagagemedewerkers en supervisors van Viggo gesproken over onderwerpen zoals het gebruik van tilhulpmiddelen, het volgen van een cursus daarvoor, het toezicht op de tilinstructies en wisseling van taken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom gesprekken met enkele medewerkers de overkoepelende conclusie kunnen rechtvaardigen dat Viggo daarom onvoldoende organisatorische maatregelen heeft genomen voor situaties waarin die hulpmiddelen niet of niet voldoende beschikbaar zijn.
10. In aanvulling op het vorengaande kan de rechtbank Viggo volgen in het standpunt dat de last onvoldoende duidelijk is. De minister stelt zich op het standpunt dat de norm van 216 stuks geen zelfstandige algemene norm is om te bepalen of de fysieke belasting zoveel mogelijk wordt beperkt. De minister stelt echter tegelijkertijd dat er geen sprake is van het beperken van de fysieke belasting. Verder is er volgens de minister sprake van gevaar voor de gezondheid van werknemers bij de uitoefening van hun werk, als er meer dan 216 bagagestukken handmatig verwerkt worden. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet duidelijk is hoe de minister die norm hanteert.

Heroverweging in bezwaar

11. In bezwaar en beroep is het volgende aangevoerd. De NLA heeft ten onrecht geen eigen onderzoek laten uitvoeren naar de zogeheten Bal-Trol. Viggo voert zelf inspecties uit en daaruit is gebleken dat de Bal-Trols niet veilig functioneren. Een deel is wel geschikt, maar alleen in hele specifieke situaties. Viggo stelt dat zij juist in het belang van haar werknemers handelt door hen te instrueren de Bal-Trol niet te gebruiken. De Bal-Trols worden vanaf oktober 2023 vervangen door E-CLS. Andere tilhulpen worden wel gebruikt en daarop wordt ook toegezien Met de brief van 1 november 2023 zijn meerdere stukken aan de minister overgelegd. Het betreft, onder meer, een exelbestand (met bevindingen over de problemen met de Bal-Trol) en een Investigation Report (over de veiligheid van de Bal- Trol) en instructies voor de werknemers. Ook is aangekondigd om in de bezwaarfase met filmpjes de (zeer gebrekkige) werking van de Bal-Trol aan te tonen.
Verder zijn voldoende organisatorische maatregelen getroffen. Er is extra personeel aangenomen, taken worden tijdig gerouleerd, er worden trainingen gegeven, er wordt gewerkt met schriftelijke instructies die in de hallen hangen en er worden filmpjes getoond met tilhulpinstructies. Verder is de Quality & Saety Afdeling belast met het dagelijkse toezicht op de werkvloer. De Duty Manager is belast met het toezicht op het gebruik van de tilhulpen.
12. De minister betwist het standpunt van Viggo. De minister stelt zich op het standpunt dat de Bal-Trol veilig is, terwijl uit de inspecties niet is gebleken dat de organisatorische maatregelen voldoende waren. De minister wijst op het rapport getiteld “Inventarisatie Tilhulpen” van 4 juli 2023 en op het feit dat de Bal-Trol CE gecertificeerd is. Verder heeft de NLA de inhoud van het rapport zelf beoordeeld en heeft de leverancier inspecties uitgevoerd. Concluderend komt het aan op het geven van juiste instructies. De veiligheid is niet in het geding daarbij. Verder is uit de inspecties voorafgaand aan de last onder dwangsom niet gebleken dat de organisatorische maatregelen voldoende waren.
13. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Zoals hiervoor onder 5.2 en 5.3 overwogen bevat bij besluiten over de last onder dwangsom de heroverweging een tweeslag. Na een eerste rechtmatigheidsbeoordeling
ex tunc, zal het bestuursorgaan
ex nuncmoeten bezien of sprake is van gewijzigde omstandigheden die kunnen leiden tot het niet langer handhaven van de last onder dwangsom. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, voor wat betreft de organisatorische maatregelen, deze tweeslag miskend door alleen de feiten en omstandigheden te betrekken die zich voordeden voorafgaand aan het besluit in primo. Viggo heeft enerzijds betwist dat sprake is van overtreding van het Arbobesluit, maar anderzijds heeft Viggo ook feiten en omstandigheden naar voren gebracht die zich voordeden na het opleggen van het besluit in primo. De motivering van de minister schiet hierin tekort, temeer nu de minister aangeeft in het bestreden besluit dat de vraag of Viggo inmiddels met de maatregelen wel voldoet aan de last onder dwangsom los staat van onderhavige bezwaarprocedure en later zal worden beoordeeld.
14. Nu het in onderhavige zaak om een gestelde voortdurende overtreding gaat, zijnde het nalaten van onvoldoende organisatorische maatregelen, geldt het volgende. De last onder dwangsom kan ter voorkoming van herhaling van een eerdere overtreding worden opgelegd, indien een overtreding heeft plaatsgevonden en gevaar voor herhaling voor de hand ligt. [5] Niet aannemelijk is geworden dat daarvan in onderhavige zaak sprake is nu daaraan en aan het gevaar voor herhaling geen overwegingen zijn gewijd in het bestreden besluit van 8 mei 2024. De enkele overweging in het bestreden besluit dat de last onder dwangsom is opgelegd in afwachting van in de toekomst te nemen structurele maatregelen is daarvoor onvoldoende draagkrachtig.
15. De conclusie is dat de minister het betreden besluit van 8 mei 2024 niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep van Viggo slaagt ook om deze redenen.

Dwangsom

16.1
Met het oog op finale geschilbeslechting, overweegt de rechtbank het volgende. Viggo is het niet eens met de dwangsom die de minister heeft opgelegd. Viggo stelt dat het gaat om kortdurende, regelmatig terugkerende overtredingen en dat in de regel de dwangsom dan per constateerde overtreding moet worden opgelegd. De minister heeft in plaats daarvan een dwangsom per tijdseenheid opgelegd. Volgens Viggo wordt zo’n dwangsom pas verbeurd als in de gehele tijdseenheid niet aan de last wordt voldaan. Als er één of twee keer per maand wordt gecontroleerd gaat het om een momentopname. Daarmee kan niet worden aangetoond dat de (vermeende) overtreding elke dag gedurende de maand plaatsvond.
16.2
Viggo bestrijdt ook de hoogte van de dwangsom. De dwangsom is gebaseerd op de situatie dat voldoende (til)hulpmiddelen beschikbaar zijn en worden gebruikt. De minister houdt in de berekening onder andere rekening met een afschrijving van twee jaar bij vacuümheffers, maar volgens Viggo zijn dat onveilige en zeer beperkt
inzetbare tilhulpmiddelen. Zij kan en mag geen (til)hulpmiddelen implementeren in de bagagehallen. Het geschonden belang kan daarom volgens haar niet op die manier worden berekend of in de beoordeling worden betrokken.
17. De minister betoogt dat een tijdseenheid per maand passend is. Er zijn over een langere periode overtredingen geconstateerd, de werkwijze is niet of onvoldoende veranderd en er is geconstateerd dat er onvoldoende organisatorische maatregelen zijn genomen. Volgens de minister maakt dit alles dat er een patroon is van structurele overtredingen.
De minister voert daarnaast aan dat hij bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom een grote mate van beoordelingsvrijheid heeft. Wat betreft de zwaarte van het geschonden belang, wijst de minister erop dat werknemers van Viggo langdurig worden blootgesteld aan de gevaren van fysieke belasting. De hoogte van de dwangsom is gekoppeld aan de situatie waarin die gevaren zoveel mogelijk worden beperkt door het gebruik van voldoende (til)hulpmiddelen.
18. De rechtbank overweegt het volgende en stelt voorop dat de minister op grond van artikel 5:32b, eerste lid, van de Awb, de dwangsom kan vaststellen op hetzij een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Vooral bij een voortdurende overtreding ligt een bedrag per tijdseenheid in de rede. De minister verwijt Viggo dat zij artikel 5.3, aanhef en onder a, van het Arbobesluit overtreedt, in die zin dat zij de gevaren voor fysieke belasting niet zoveel als redelijkerwijs mogelijk heeft beperkt. Dit speelt al sinds 2022 en mogelijk nog langer. Daarmee is sprake van structurele nalatigheid op dat punt en daardoor van een voortdurende overtreding. De rechtbank kan daarom de minister volgen in het betoog dat een tijdseenheid per maand passend is. Hieruit volgt dat de minister niet dagelijks hoeft te controleren, maar kan volstaan met controles per maand.
19. Voor de hoogte van de dwangsom geldt het volgende. Het is aan het bestuursorgaan om een afweging van belangen te maken en de hoogte van de dwangsom te bepalen. Uitgangspunt daarbij is dat de dwangsom in een redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het door de overtreding van het wettelijke voorschrift geschonden belang en anderzijds de beoogde effectieve werking van de dwangsomoplegging. De dwangsom moet een zodanige prikkel bewerkstelligen dat de last wordt nagekomen. De hoogte van de dwangsom mag worden afgestemd op de kosten die zouden moeten worden gemaakt om de overtreding te beëindigen plus een opslag om de prikkel te verhogen dat de overtreding ook daadwerkelijk wordt beëindigd. [6] De hoogte van die kosten moet inzichtelijk gemaakt worden. Naar het oordeel van de rechtbank is daaraan voldaan. De minister heeft in het bestreden besluit de hoogte van de dwangsom voldoende gemotiveerd. Daarbij heeft de minister voldoende inzichtelijk gemaakt dat is aangesloten bij de situatie dat voldoende (til)hulpmiddelen beschikbaar zijn en worden gebruikt. De minister heeft in de berekening betrokken aan hoeveel carrousels/laterals en loskades door werknemers van Viggo werd gewerkt zonder hulpmiddelen, aan hoeveel pieren werd gelost zonder gebruik van een Powerstow terwijl dat wel had gekund. In de berekening heeft de minister de geschatte kosten voor aanschaf van (til)hulpmiddelen betrokken en rekening gehouden met een verhoging om Viggo te bewegen maatregelen te treffen. Dat Viggo zelf geen nieuwe (til)hulpmiddelen kan implementeren, doet daar niet aan af. Ook de omstandigheid dat de minister bij Viggo geen matiging toepast maar bij Menzies wel, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft namelijk toegelicht dat bij Menzies werd geconstateerd dat op een onderdeel uit de voorgenomen last geen overtreding meer werd begaan en dat dit leidde tot aanpassing van de hoogte van de dwangsom. Bij Viggo werd een dergelijke constatering niet gedaan. De rechtbank kan de minister volgen dat dit betekent dat er geen sprake is van een gelijke situatie.

Begunstigingstermijn

20. Viggo stelt verder dat de termijn onevenredig kort is als personeel geworven moet worden om aan de last te voldoen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Viggo heeft immers nagelaten om verlenging van die termijn te vragen.

Invordering

21. Volgens de minister heeft Viggo niet aan de last voldaan, omdat er geen constante werkwijze is die beperking van de fysieke belasting van haar medewerkers borgt. Om die reden is de minister op 22 augustus 2024 overgegaan tot invordering van de
dwangsom(men). Het is allerminst zeker dat die last onder dwangsom in stand blijft, gelet op wat de rechtbank daarover in deze uitspraak heeft overwogen. Dit betekent dat de minister nu niet tot invordering van de dwangsommen kan overgaan. Om die reden slaagt het beroep van Viggo tegen de invordering.

Conclusie en gevolgen

22. De conclusie is dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet is voorzien van een deugdelijke motivering. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank vernietigt ook het invorderingsbesluit van
22 augustus 2024.
23. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de verschillende acties te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
24. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 mei 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- vernietigt het invorderingsbesluit van 22 augustus 2024;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,00 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. E.J. van Keken en
mr. F.K. van Wijk, leden, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rapport van ErgoS Human Factors Engineering, mei 2023, getiteld Analyse werksituatie Bagageafhandeling Schiphol 2023, pagina 4.
2.Dat staat in artikel 5:39 van Pro de Awb.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 april 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2021:740
4.Vgl. AbRvS van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.
5.Vgl. AbRvS van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 september 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2018:2913