ECLI:NL:RBNHO:2026:8451

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/15/379238 HA RK 26-135
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:16 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens gebrek aan motivering en misbruik van recht

Verzoeker heeft op 18 juni 2026 ter zitting een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken is bij meerdere aanhangige bestuursrechtelijke zaken. Het verzoek was niet gemotiveerd en de nadere onderbouwing die op 22 juni 2026 werd ingediend, werd buiten beschouwing gelaten omdat niet aan het vereiste werd voldaan dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was, mede omdat het verzoek gebaseerd leek op een ontevredenheid over een rechterlijke procesbeslissing, welke geen grond voor wraking kan vormen. Tevens werd vastgesteld dat er geen feiten of omstandigheden waren die de onpartijdigheid van de rechter in twijfel konden trekken.

Daarnaast werd vastgesteld dat verzoeker in eerdere procedures al meerdere wrakingsverzoeken had ingediend die waren afgewezen, en dat hij met het huidige verzoek vooral uit was op het uitstellen van de behandeling en uitspraak in de hoofdzaak. Daarom werd een wrakingsverbod opgelegd en bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in deze zaken niet in behandeling worden genomen.

De wrakingskamer besloot het verzoek zonder behandeling ter zitting af te doen en beval de voortzetting van de hoofdzaak in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens gebrek aan motivering en misbruik van het wrakingsrecht, met oplegging van een wrakingsverbod.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/379238 HA RK 26-135
Beslissing van 24 juni 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. M. Jurgens,
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1
Verzoeker heeft op 18 juni 2026 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Bestuur Algemeen / VK, locatie Haarlem, aanhangige zaken met als zaaknummers HAA 25/3508 (beroep), HAA 25/5244 (beroep) en HAA 26/2520 (voorlopige voorziening), hierna te noemen: de hoofdzaken. In die zaken is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen verweerder en nemen als derde partijen deel [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
1.2
Bij brief van 18 juni 2026 heeft verzoeker het verzoek tot wraking schriftelijk bevestigd.
1.3
De rechter heeft niet in de wraking berust.
1.4
Bij brief van 22 juni 2026 heeft verzoeker feiten en omstandigheden ter onderbouwing van het wrakingsverzoek aangevoerd.
1.5
De wrakingskamer heeft afgezien van behandeling van het verzoek ter zitting, omdat, zoals hierna zal blijken, sprake is van een kennelijk ongegrond verzoek.

2.Het standpunt van verzoeker

2.1
Verzoeker heeft ter zitting de wraking van de rechter verzocht waarbij hij opmerkte dat de rechter volgens hem niet wilde ingaan op zijn verzoek om te reageren op een voorval waarvan aangifte zou zijn gedaan.

3.De beoordeling

3.1
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2
Op grond van artikel 8:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het verzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden, geschiedt het verzoek gemotiveerd, kan het verzoek na de aanvang van het onderzoek ter zitting ook mondeling geschieden en moeten alle feiten of omstandigheden tegelijk worden voorgedragen.
3.3
Het onderhavige wrakingsverzoek is (kennelijk) ongegrond omdat het niet is gemotiveerd. De op 22 juni 2026 ingediende (nadere) onderbouwing laat de rechtbank bij de beoordeling buiten beschouwing omdat de feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen en aan dat voorschrift niet is voldaan.
3.4
Voor zover verzoeker bedoeld heeft het ter zitting gedane wrakingsverzoek te baseren op het feit dat de rechter zich niet, zoals verzoeker vroeg, wilde uitlaten over een stelling van eiser over een voorval omtrent klemrijden waarvan aangifte zou zijn gedaan, is het ook (kennelijk) ongegrond, omdat een reactie van de rechter op een verzoek om de zitting op een door verzoeker gewenste wijze in te richten, een beslissing is die geen grond voor wraking kan vormen: het rechtsmiddel wraking is immers geen rechtsmiddel tegen een dergelijke rechterlijke (proces)beslissing.
3.5
Er is dus niet gebleken van feiten en omstandigheden die grond kunnen opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.
3.6
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, beslist de wrakingskamer op grond van 8:18, derde lid, Awb het verzoek zonder behandeling ter zitting af te doen.
3.7
De rechtbank ziet voorts aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:18, vijfde lid, Awb, omdat verzoeker misbruik maakt van het rechtsmiddel wraking.
3.8
Verzoeker heeft in een eerdere procedure ter verkrijging van een voorlopige voorziening die toen connex was aan de onderhavige hoofdzaak HAA 25/3508 – na de behandeling van dat verzoek ter zitting – de wraking verzocht van de voorzieningenrechter, een ander dan de huidige rechter. Hij heeft vervolgens ook (meermalen) de wraking verzocht van de wrakingskamer die dat verzoek zou behandelen.
3.9
Bij beslissingen van 21 november 2025 en 19 december 2025 is op die verzoeken afwijzend beslist (ECLI:NL:RBNHO:2025:14046 en ECLI:NL:RBNHO:2025:15752
). De wrakingskamer heeft bij de beslissing van 21 november 2025 bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in die zaak niet in behandeling zou worden genomen. Een belangrijke overweging daarbij was dat geconstateerd werd dat verzoeker niet zozeer uit was op een beslissing op zijn verzoeken, maar de behandeling traineerde, omdat hij wenste dat op een beslissing in een andere zaak werd gewacht.
3.1
Ook in dit geval wijst alles er op, zowel de timing aan het eind van de zitting als het gebrek aan (onmiddellijke) onderbouwing, dat verzoeker uitsluitend aanstuurt op uitstel van verdere behandeling en beslissing in de hoofdzaken. Daarbij komt dat de aanpak rond het verzoek tot wraking overeenkomsten vertoont met de aanpak in de procedure die heeft geleid tot de beslissingen van 21 november 2025 en 19 december 2025. Ook toen heeft verzoeker met name aangestuurd op uitstel van de uitspraak van de voorzieningenrechter.

4.Beslissing

De rechtbank
4.1
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,
4.2
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen,
4.3
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartijen in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
4.4
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. drs. A.J. Wolfs en mr. A.A. Fase, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Besseling, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.[concipiënt_initialen]
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.