ECLI:NL:RBNHO:2026:8028

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
K/4101/11904504
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Belemmeringenwet PrivaatrechtArt. 1 Belemmeringenwet PrivaatrechtArt. 4.2 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4.16 Invoeringswet OmgevingswetAfdeling 6.1.10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling schadevergoeding voor gedoogplicht aanleg middenspanningsverbindingen

Eisers, eigenaren van percelen in de gemeente Niedorp, zijn op grond van een ministeriële gedoogplichtbeschikking verplicht de aanleg en instandhouding van middenspanningsverbindingen door Liander te gedogen. De kern van het geschil betreft de omvang van de schadevergoeding die Liander aan eisers moet betalen.

De kantonrechter beoordeelt de diverse schadeposten, waaronder omzetderving, herstelkosten, huur van vervangende grond en kosten van deskundigen. Voor een aantal posten is onvoldoende aangetoond dat deze een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg zijn van de gedoogplichtbeschikking. Daarnaast is vastgesteld dat eisers ten onrechte de door Liander voorgenomen herstelwerkzaamheden hebben geweigerd, waardoor zij zelf herstelkosten hebben gemaakt die niet voor vergoeding in aanmerking komen.

De rechtbank volgt de berekening van Liander voor de schadeposten omzetderving en gederfde huuropbrengst en wijst het meerdere af. Ook de vorderingen voor deskundigenkosten en buitengerechtelijke incassokosten worden slechts deels toegewezen. De proceskosten worden aan Liander opgelegd omdat zij pas na dagvaarding tot betaling zijn overgegaan.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en Liander wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, terwijl het meer gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de schadevergoeding toe op het reeds betaalde bedrag van €88.408,00 en wijst het meerdere af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11904504 \ CV EXPL 25-3562
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
ieder afzonderlijk voor zich in privé en tezamen in hun hoedanigheid van vennoten in de vennootschap onder firma
[de VOF 1],
3.
[eiser sub 3],
te [woonplaats] ,
4.
[eiseres sub 4],
te [woonplaats] ,
ieder afzonderlijk voor zich in privé en tezamen in hun hoedanigheid van vennoten in de vennootschap onder firma
[de VOF 2],
5.
[eiseres sub 5],
te [woonplaats] ,
6.
[eiseres sub 6],
te [woonplaats] ,
7.
[eiser sub 7],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. C.F. van Helvoirt,
tegen
LIANDER N.V.,
te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Liander,
gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars.

1.De zaak in het kort

[eisers] zijn de eigenaren van een aantal percelen in de gemeente [gemeente] . Zij zijn op basis van een ministeriële gedoogplichtbeschikking verplicht om de aanleg en instandhouding van middenspanningsverbindingen door Liander op hun percelen te gedogen. In deze zaak gaat het om de vraag welke en hoeveel schade Liander aan hen moet vergoeden. De kantonrechter begroot de door [eisers] geleden schade op het door Liander al betaalde bedrag van € 88.408,00. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Ten aanzien van een aantal schadeposten is onvoldoende gebleken dat deze kosten een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de gedoogplichtbeschikking zijn. Daarbij geldt voor de herstelkosten dat de aanvulgrond geschikt is om voor het herstel van de percelen te gebruiken en dat [eisers] ten onrechte de door Liander voorgenomen wijze van herstel met een beroep op de (weers-)omstandigheden hebben geweigerd. Een ander aantal schadeposten (of de daarvoor gevorderde schadebedragen) is onvoldoende onderbouwd waardoor deze eveneens worden afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 september 2025 met 37 producties;
- de conclusie van antwoord met 26 producties;
- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door de gemachtigde van [eisers] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
2.2.
Daarna is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Eisers onder 1 en 2 ( [vennoten VOF 1] ) zijn eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [kadastraalnummer 1] . Eisers onder 3 en 4 ( [vennoten VOF 2] ) zijn eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [kadastraalnummer 2] . Eisers onder 5 tot en met 7 ( [eisers sub 5 t/m 7] ) zijn eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [kadastraalnummer 3] .
3.2.
Liander is een netbeheerder van regionale laag- en middenspanningsnetten in Nederland.
3.3.
Vóór de aanleg en instandhouding van netwerkverbindingen op de percelen van [eisers] hebben partijen veelvuldig overleg gehad. Liander en [eisers] hebben geen overeenstemming bereikt over de door Liander te betalen meewerk- en schadevergoeding, waardoor Liander zich heeft gewend tot de Minister van Infrastructuur en Waterstaat met het verzoek om aan de grondeigenaren een gedoogplicht op te leggen voor de aanleg en instandhouding van de verbindingen.
3.4.
[eisers] hebben op basis van de gedoogplichtbeschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 29 juli 2021 de plicht tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van middenspanningsverbindingen met bijkomende werken op hun percelen, behoudens hun recht op schadevergoeding. In de gedoogplichtbeschikking staat dat de werkzaamheden die ten behoeve van de realisering van het werk dienen te worden uitgevoerd onder meer behelzen:
“het terugbrengen van de grondlagen, het herstellen van in het perceel aanwezige drainage, het afwerken en in oude staat herstellen van de tijdelijke werkstrook en het schoon achterlaten van de percelen”
3.5.
Op 12 augustus 2021 heeft Liander meegedeeld dat ze zelf een nulmeting zal laten verrichten.
3.6.
De werkzaamheden zijn medio augustus 2021 begonnen.
3.7.
Op 23 september 2021 heeft Liander aan [eisers] gemaild over de nulmeting; er is een meting uitgevoerd voor aanvang van de werkzaamheden en er zal opnieuw een meting worden uitgevoerd na afronden van de werkzaamheden. Wanneer de nulmeting compleet en beschikbaar is, krijgen [eisers] daarvan een afschrift.
3.8.
In oktober 2021 heeft Liander een herstelplan van haar cultuurtechnisch adviseur S. Veldboer (hierna: Veldboer ) verstrekt. Liander was bereid de opties voor drainageherstel en wijze van opvullen van grondtekorten te bespreken.
3.9.
Op 5 november 2021 hebben partijen met elkaar gesproken.
3.10.
Op 24 november 2021 heeft Liander aan [eisers] gemaild dat ze de beoordeling, goedkeuring of het akkoord van [eisers] niet nodig heeft voor het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden. Deze e-mail luidt voor zover van belang:
“Indien u geen keuzes maakt, u het maken van keuzes blijft uitstellen of alle door Liander aangedragen keuzes afwijst, ziet Liander zich genoodzaakt zelf de keuzes te maken op het moment dat de herstelwerkzaamheden daadwerkelijk kunnen plaatsvinden.”
3.11.
Op 28 november 2021 hebben [eisers] onder andere aan Liander gemaild dat ze hebben afgesproken dat ze ruim van te voren de onderzoeksresultaten (waaronder samenstelling, bemestingstoestand en fytosanitaire toestand) van de (aanvul)grond zouden ontvangen, dat de mogelijkheid is geboden voorafgaand aan een goedkeuring een inspectie op locatie te doen, dat ze geen rapporten, onderzoekresultaten en andere informatie hebben ontvangen en er geen inspectie heeft plaatsgevonden. [eisers] schrijven ook:
“Wij staan niet toe dat u op welke manier dan ook grond aanvoert, waarvan wij de oorsprong en kenmerken niet kennen en goedgekeurd hebben. Zoals afgesproken tijdens ons gesprek op
5 november dient u de onderzoeksrapporten aan te leveren en zal indien gewenst een inspectie op locatie worden gedaan, alvorens wij een goedkeuring kunnen geven over de aan te leveren grond. Zonder goedkeuring over de aan te voeren grond, staan wij niet toe dat er grond op onze percelen wordt aangevoerd. Dit hebben we met elkaar afgesproken en in dit opzicht blijft u sterk in gebreke.
Tevens hebben wij gesproken over de 'optimale weersomstandigheden' voor de uitvoering van (herstel) werkzaamheden. Wij zijn van mening dat er vrijdag absoluut geen sprake was werken 'in den droge' en onder optimale omstandigheden. Wij hebben grote twijfels over de wijze waarop de cultuurtechnische aspecten in acht worden genomen en er schadebeperkend gewerkt wordt.”
3.12.
Op 29 november 2021 heeft Veldboer de resultaten van het grondonderzoek aan
[naam 1] gemaild. Het betreft B-grond. In de bijlage is het rapport van Eurofins Agro van 5 november 2021 met betrekking tot de monsteropname van 28 oktober 2021 (DNA pakket) gevoegd.
3.13.
In de e-mail van Aequator aan [eisers] van 29 november 2021 staat dat de beschreven grond uit sloten komt, de analyses laten zien dat de zwaarte een lutumgehalte van 36% is (dat is zware kleigrond) en nog nat blijkt te zijn (en dus nog niet echt gerijpt is). Op basis daarvan concludeert Aequator:
“Dergelijke zware en niet gerijpte kleigrond is beslist ongeschikt om op jullie grond als B-grond/ aanvulgrond te gebruiken, waarbij je kans loopt dat het in de bouwvoor terecht komt.
Wij geven dus geen goedkeuring om deze gronden aan te brengen op onze percelen. Wij zien uw reactie hierop graag spoedig tegemoet.”
3.14.
Op 6 december 2021 hebben [eisers] vervolgens de toegang tot de percelen geblokkeerd. Liander heeft de uitvoering van het werk als gevolg hiervan tijdelijk gestopt.
3.15.
In de e-mail van Veldboer van 9 december 2021 staat:
“Op de percelen (…) is na aanleg van de kabels een grondtekort ontstaan. Om dit tekort op te heffen is de B-laag van een afgegraven perceel aan de [adres] te Middenmeer geselecteerd. Deze B laag is gekeurd en de ligging is bekend. De uniformiteit van de B laag op het afgegraven perceel maakt de grond uitermate geschikt voor de toepassing op de percelen.
De grond wordt verdeeld over de bestaande B-laag en daarna niet dieper dan de bestaande laag gewoeld om de lagen te mengen. Als de sleuf op deze manier met de gewenste overhoogte is overhoot aangevuld en geëgaliseerd kan de teelaarde terug worden geplaatst en het perceel zaaiklaar gemaakt.
De aanwezigheid van onkruidzaden is in de B-laag aanzienlijk minder waardoor het gebruik van spuitmiddelen voor onkruidbestrijding kan worden gereduceerd.”
3.16.
Op 13 december 2021 heeft de gemachtigde van Liander aan [eisers] geschreven dat de B-grond die ze wil gebruiken is gekeurd door een cultuurtechnisch expert en de bevindingen van die expert erop neerkomen dat de grond weinig onkruidzaden bevat, waardoor het gebruik van spuitmiddelen voor onkruidbestrijding kan worden gereduceerd, dat het kleigehalte van de B-grond en de al op het perceel aanwezige grond nauwelijks verschillend is, hoewel er tussen het kleigehalte van grond die afkomstig is van verschillende percelen vanzelfsprekend altijd marginale afwijkingen bestaan. In de brief staat daarnaast dat de B-grond inmiddels op andere percelen wel is aangebracht en de cultuurtechnisch expert heeft aangegeven dat hij daarvan op basis van een visuele inspectie een positieve indruk heeft.
3.16.1.
In dezelfde brief staat ook dat, toen Liander de herstelwerkzaamheden op
6 december 2021 wilde uitvoeren, het haar onmogelijk werd gemaakt om toegang te krijgen tot de percelen en dat het belemmeren van werkzaamheden waarvoor een gedoogbeschikking in de zin van de Belemmeringwet Privaatrecht is verleend een strafbaar feit is. Verder heeft Liander [eisers] in de brief nog eenmalig in de gelegenheid gesteld om aan te geven dat ze medewerking zullen verlenen aan de herstelwerkzaamheden met de door Liander genoemde – en geschikte – B-grond. Liander verzoekt om een reactie uiterlijk aanstaande vrijdag 17 december 2021 voor 17:00 uur. Liander zal de geplande werkzaamheden in dat geval alsnog op korte termijn uitvoeren. Als Liander de gevraagde bevestiging niet ontvangt, zo staat in de brief, dan heeft dat de consequentie dat Liander niet meer tot herstel van de grond zal overgaan. Tot slot zijn aan de brief de resultaten van de nulmeting gevoegd.
3.17.
Op 12 januari 2022 hebben [eisers] via haar gemachtigde hierop als volgt gereageerd:
“In uw brief merkt u terecht op, dat de in de gedoogbeschikking genoemde herstelwerkzaamheden het terugbrengen van de grondlagen betreffen, het herstellen van in het perceel aanwezige drainage, het afwerken en in oude staat herstellen van de tijdelijke werkstrook en het schoon achterlaten van de percelen. Die werkzaamheden moeten dan wel deugdelijk gebeuren en daarin schiet Liander tekort. (…)
De ongeschiktheid van de voorgestelde aanvoergrond
(…) De grond heeft geen structuur en droogt slecht op wanneer het niet voldoende belucht wordt. Aanvulgrond direct onder de teelaarde moet een voldoende goede bodemstructuur hebben, wil deze poreus, bewortelbaar en waterdoorlatend zijn. De door Liander gewenste grond voldoet niet aan minimale kwaliteitscriteria.
De wijze van herstel en de omstandigheden waaronder de herstelwerkzaamheden dienen plaats te vinden.
Op 3 december 2021 heeft de door Liander ingeschakelde A. Hak Electron B.V. uit Tricht aan de heer [eiser sub 1] een e-mail gestuurd, waarin onder meer het volgende staat. Het is van belang om herstelwerkzaamheden, waaronder aanvoer van grond en afwerking, plaats te laten vinden onder droge omstandigheden. De cultuurtechnisch expert van Hak achtte de omstandigheden op dat moment te nat om aan het werk te gaan. Het afronden van de werkzaamheden zou mogelijk pas in het voorjaar kunnen plaatsvinden. De inhoud van deze e-mail staat haaks op de sommatie in uw brief van 13 december 2021, waarin Liander laat uitspreken dat er brandende haast is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Cliënten stellen vast, dat het voorshands uitsluitend gaat om het aanvoeren van de grond en het afvoeren van de rijplaten. Met betrekking tot de drainage, etc. lijkt er nog niets te gebeuren. Het zojuist verwoorde standpunt van A. Hak wordt ondersteund door de hierboven genoemde expert de heer [naam 2] van Aequator Groen en Ruimte B.V.
Schade
Cliënten moeten vaststellen, dat er reeds nu schade is ontstaan aan de betrokken gronden. Door de aanleg van de leidingen is er sprake van verslemping / verdichting van de ondergrond. Ter voorkoming van verdere schade is het van het grootste belang, dat de juiste handelingen onder de juiste omstandigheden en in de juiste volgorde worden verricht. Het is van het grootste belang, dat de onderlaag eerst goed wordt gerepareerd voordat er grond wordt aangevoerd en de teelaarde weer wordt teruggezet. Door het veelvuldig en meer dan strikt noodzakelijk berijden van de ondergrond - de teelaarde was eerst opzij gezet - onder andere met zwaar rupsmaterieel is de ondergrond "in elkaar gekneed." Daardoor is de porositeit en gangenstructuur teniet gedaan. Zonder doeltreffende maatregelen ontstaan er in de toekomst problemen met de waterhuishouding ter plaatse. Welke herstelmethode ook wordt gehanteerd, herstel van de porositeit van de ondergrond kan alleen plaatsvinden op het moment dat deze grond droog is. Dan komt men sowieso uit in het voorjaar en is de sommatie om die werkzaamheden nog in december 2021 / januari 2022 te doen plaatsvinden de voorspelbare oorzaak van onnodige schade.
Namens cliënten stel ik voor, dat tussen partijen en de door hen in te schakelen deskundigen zo spoedig mogelijk overleg wordt gevoerd om tot een werkbaar plan van aanpak te komen, waarin beide partijen zich kunnen vinden. (…)”
3.18.
Bij brief van 3 maart 2022 heeft de gemachtigde van Liander geschreven:
“Het herstel van de percelen(…)
Liander neemt (opnieuw) uitdrukkelijk afstand van het standpunt van [vennoten VOF 1] dat de door Liander beoogde B-grond van onvoldoende kwaliteit zou zijn. Zoals reeds toegelicht (…) blijkt uit onderzoek van de cultuurtechnisch expert van Liander dat de grond van goede kwaliteit is. Die grond is ook met goed gevolg aangebracht op andere percelen. De betrokkenen aan wie geen gedoogplicht is opgelegd hebben de grond gewoon geaccepteerd. Op dit moment ziet Liander daarom geen aanleiding om met uw cliënten in verdere discussie te treden over de (kwaliteit van) de B-grond; elk gesprek hierover zou neerkomen op een herhaling van reeds eerder ingenomen standpunten.
Overigens zou niet het volledige herstel van de percelen op 6 december 2021 plaatsvinden. De percelen zouden slechts 'winterklaar’ worden gemaakt door het aanbrengen van B-grond en het (als tijdelijke oplossing) herstellen van de drainage. Voor die werkzaamheden was het in december zeker niet te nat. Vervolgens zou in een drogere periode, namelijk in het voorjaar van 2022, een volgende fase van de herstelwerkzaamheden plaatsvinden door het terugplaatsen van de afgegraven teelaarde. Nog weer later, nadat de grond niet meer aan zettingen onderhevig is, zou de drainage definitief worden hersteld door die te vervangen, zoals Liander altijd aanbiedt. Ook deze werkzaamheden kunnen bij voorkeur niet worden uitgevoerd zonder dat er op de percelen grond is aangevuld; er is immers een grondtekort.
Voorstel voor het vervolg
Liander is vanwege de weigering van [vennoten VOF 1] om de grond aan te vullen niet bereid om alsnog B-grond op de percelen aan te brengen. De betreffende grond is thans ook niet meer beschikbaar. [vennoten VOF 1] zullen dus zelf – voor eigen rekening – moeten zorgen voor aanvulling van het grondtekort en, als zij dat nog wensen, het (tijdelijk) herstellen van de drainage. De overige werkzaamheden wil Liander nog wel uitvoeren: het terugleggen van de teelaarde en het - op een later moment, in overleg met uw cliënten te plannen - vervangen van de drainage.
Als uw cliënten zelf tijdig zorgen voor aanvulling van het grondtekort kan Liander in het voorjaar de teelaarde weer terugplaatsen. Desgewenst is Liander ook bereid om – binnen redelijke grenzen – de kosten van het vervangen van de drainage aan uw cliënten te vergoeden, zodat zij zelf kunnen zorgen voor de uitvoering. Ter vermijding van discussies omtrent de redelijkheid van de kosten van (definitief) drainageherstel stelt Liander dan voor dat uw cliënten vooraf aan Liander een offerte overleggen ter beoordeling en goedkeuring.”
3.19.
Op 17 maart 2022 hebben [eisers] het voorstel van Liander van de hand gewezen.
3.20.
Op 19 april 2022 heeft Liander haar voorstel van 3 maart 2022 (zie 3.18) herhaald. De brief luidt voor het overige als volgt:
“Overigens is uw stelling onjuist dat aannemer A. Hak Electron B.V. zou hebben geschreven dat de percelen voor het uitvoeren van enige werkzaamheden te nat waren in het najaar van 2021. Hij schrijft namelijk in zijn e-mail van 3 december 2021 het volgende:
Op dit moment worden de percelen door de cultuurtechnisch expert helaas nog te nat geacht. Het ziet er nu naar uit dat wij dit jaar nietallebovengenoemde herstelwerkzaamheden kunnen uitvoeren. Definale cultuurtechnische afwerkingzal hoogstwaarschijnlijk pas in het voorjaar van 2022 kunnen plaatsvinden. Nogmaals, dit doen wij om de kwaliteit van onze werkzaamheden te waarborgen en schade aan de percelen zo veel mogelijk te beperken.[onderstrepingen toegevoegd, advocaat]
Uit dit bericht volgt niet meer dan dat niet
allewerkzaamheden in de winter uitgevoerd zouden kunnen worden, zoals Liander ook eerder heeft aangegeven. Het was altijd al de bedoeling dat de herstelwerkzaamheden ook deels in het voorjaar zouden worden uitgevoerd. Juist ter voorkoming van meerdere schade was het echter nodig om wel alvast een start te maken met het herstel in het najaar. De uitvoering daarvan werd cliënte echter onmogelijk gemaakt, doordat haar de toegang tot de grond van uw cliënten op 6 december 2021 (dus
nabovenstaand bericht van de aannemer) werd ontzegd. Uw cliënten zijn vervolgens ook niet ingegaan op het aanbod van Liander zoals verwoord in haar brief van 13 december 2021. De eventuele schade die hierdoor is ontstaan blijft geheel voor eigen rekening en risico van uw cliënten. (…)
Ik hoor graag van u of uw cliënten met dit voorstel (toevoeging kantonrechter: herhaalt aanbod d.d. 3 maart 2022) alsnog akkoord willen gaan. Doen zij dat niet, en wordt als gevolg daarvan de teelaarde niet dit voorjaar aangebracht en de drainage ook niet definitief hersteld, zal Liander zich - zoals zij ook destijds al heeft aangegeven - op het standpunt stellen dat zij al hetgeen is vereist heeft gedaan om tot herstel van de percelen te komen en dat schade die door het uitblijven van het herstel zal ontstaan niet worden vergoed.”
3.21.
Op 17 augustus 2022 hebben [eisers] gereageerd dat ze zelf een herstelplan hebben laten opstellen.
3.22.
In december 2022 hebben [eisers] aan Liander laten weten dat ze de herstelwerkzaamheden zelf hebben uitgevoerd.
3.23.
Partijen hebben onderhandeld over een schadevergoeding en geen overeenstemming bereikt.
3.24.
Liander heeft op 8 december 2025 € 88.408,- aan [eisers] betaald.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vorderen, samengevat, dat Liander veroordeeld zal worden tot betaling (binnen twee weken na betekening van dit vonnis) van:
I. een schadevergoeding van € 390.470,30 (inclusief btw) als gevolg van de aanleg
van de elektriciteitsverbinding op basis van de gedoogplicht op hun percelen, te vermeerderen met de wettelijke rente,
II. althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding, te bepalen na advisering
van door de rechtbank te benoemen deskundigen en nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op het conceptadvies van deskundigen te reageren, welke schade is en wordt geleden als gevolg van de aanleg van de elektriciteitsverbinding op basis van de gedoogplicht op hun percelen,
III. de proceskosten, gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten voor rechtskundige en
deskundige bijstand en het griffierecht in verband met de gerechtelijke procedure voor de vaststelling van de schadeloosstelling.
[eisers] willen daarbij de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
4.2.
Liander voert verweer. Liander vindt dat de vordering van [eisers] moet worden afgewezen en wil dat [eisers] in de proceskosten worden veroordeeld.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter moet beoordelen welke en hoeveel schade Liander aan [eisers] moet vergoeden.
De uitgangspunten
5.2.
De vordering van [eisers] is gebaseerd op artikel 14 in Pro samenhang met artikel
1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Deze wet is per 1 januari 2024 vervallen en vervangen door de Omgevingswet. In artikel 4.2 juncto artikel 4.16 van de Invoeringswet Omgevingswet is een overgangsbepaling opgenomen op grond waarvan op de vordering de bepalingen uit de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP) (onverkort) van toepassing zijn.
5.3.
Het systeem van de BP houdt in dat óf door partijen overeenstemming wordt bereikt over de aanleg van het werk en schadevergoeding, óf een gedoogplicht wordt opgelegd waarna via een daaropvolgende procedure bij de kantonrechter schadevergoeding wordt gevorderd. In dit geval is sprake van het tweede alternatief en is een gedoogplicht opgelegd. Dit maakt dat Liander niet (meer) gehouden is om in overleg met [eisers] te treden over (bijvoorbeeld) de uitvoering van de herstelwerkzaamheden. Dat traject is na de gedoogplichtbeschikking van 29 juli 2021 een gepasseerd station. [eisers] moeten zich aan deze beschikking houden. Dat betekent dat zij moeten gedogen dat Liander op hun percelen herstelwerkzaamheden uitvoert, namelijk: “
het terugbrengen van de grondlagen, het herstellen van in het perceel aanwezige drainage, het afwerken en in oude staat herstellen van de tijdelijke werkstrook en het schoon achterlaten van de percelen”. [eisers] hebben dus geen recht (meer) op overleg over bijvoorbeeld herstelwerkzaamheden, zoals zij kennelijk menen. Zij kunnen alleen nog schade bij de kantonrechter vorderen. De vergelijking naar de uitspraak van deze rechtbank van 21 juli 2021 [1] gaat in zoverre niet op; die uitspraak betreft het eerste alternatief en is op dit punt dus niet vergelijkbaar.
5.4.
Op grond van artikel 14 BP Pro wordt de schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van een gedoogplichtbeschikking volledig vergoed. De stelplicht en eventuele bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten op [eisers]
5.5.
Bij de schadebegroting is afdeling 6.1.10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing. De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en, als de schadeomvang niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, schat de rechter de omvang. [2] Bij de schadevaststelling is de rechter niet gebonden aan de gewone regels van stelplicht en bewijslast. Maar de vrijheid om bij de begroting van de schade af te wijken van de gewone regels van stelplicht en bewijslast, belet de rechter niet om de gewone regels van stelplicht en bewijs toe te passen. Als de rechter bepaalde gegevens mist om de schade te begroten, moet hij deze zo goed mogelijk proberen te schatten, op basis van gegevens die hij wel heeft.
5.6.
De kantonrechter gaat uit van de in alinea 16 van de dagvaarding genoemde schadeposten en bespreekt deze als volgt.
Omzetderving 2021-2022 (€ 143.335,05)
5.7.
Partijen zijn het erover eens dat schade wegens omzetderving in 2020-2021 in principe voor vergoeding in aanmerking komt. Zij zijn het echter niet eens over de hoogte van de schade. De kantonrechter volgt de berekening van Liander en schat de schade op € 70.500,00. Omdat Liander dit bedrag al aan [eisers] heeft betaald, wijst de kantonrechter de vordering van [eisers] op dit onderdeel af. De kantonrechter motiveert dit als volgt.
5.8.
[eisers] vorderen € 143.335,05. Ter onderbouwing verwijzen ze naar productie 20 bij dagvaarding. Ze lichten het bedrag en de productie niet toe. Volgens de specificatie van productie 20 gaat het om schade van [vennoten VOF 1] (perceel [kadastraalnummer 1] ) van € 143.335,05. Liander heeft na dagvaarding € 70.500,00 betaald, namelijk € 3,00/m2 voor 23.500 m2.
5.9.
Liander stelt terecht dat het gaat om omzet en niet om winst en dat de besparingen in mindering moeten worden gebracht. [eisers] stellen in de dagvaarding zelf ook dat er besparingen zijn, namelijk € 5.750,00 (€ 3.750,00 (planten en landbewerking) + € 2.000,00 (verwerking van het product in uren)). Op de mondelinge behandeling daarnaar gevraagd stellen [eisers] dat deze besparingen al in mindering zijn gebracht, maar dat volgt niet uit de specificatie van de vordering. Daarin komen de genoemde bedragen namelijk niet voor. De kantonrechter vindt de vordering van [eisers] op dit punt niet duidelijk en onvoldoende onderbouwd.
5.10.
Daarbij komt dat Liander gemotiveerd verweer voert tegen de gevorderde omzetderving. Liander vindt de gestelde besparingen onrealistisch laag en het uurtarief voor eigen uren te laag. Zij motiveert dat uitvoerig. [eisers] stellen hier vervolgens niets tegenover. Het verweer is, ondanks de vragen van de kantonrechter, onbesproken gebleven. De verwijzing naar de dagvaarding is onvoldoende.
5.11.
De conclusie is dat de kantonrechter de omzetderving op basis van de berekening van Liander schat op € 70.500,00. Als niet betwist staat vast dat Liander dit bedrag al aan [eisers] heeft betaald. Liander hoeft het meerdere niet aan [eisers] te vergoeden.
Herstel kabeltracé door de firma Poland (€ 109.172,25 inclusief btw)
5.12.
De kantonrechter wijst de vordering tot vergoeding van de kosten voor herstel kabeltracé door de firma Poland van € 109.172,25 inclusief btw af, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om aan te nemen dat deze kosten een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de gedoogplichtbeschikking zijn. Dit wordt als volgt toegelicht.
5.13.
[eisers] vorderen de kosten voor herstelwerkzaamheden die zij hebben uitgevoerd omdat Liander dat niet deed. [eisers] stellen (samengevat) dat de door Liander aangeboden wijze van herstel in de oude staat ondeugdelijk is omdat de voor het herstel aangeboden aanvulgrond ongeschikt is en de (weers-)omstandigheden niet voldoende gunstig waren, dat zij deze wijze van herstel daarom hebben geweigerd en dat Liander vervolgens niet tot deugdelijk herstel van de percelen in de oude staat is overgegaan. [eisers] stellen dat zij daarom zelf de noodzakelijke herstelwerkzaamheden hebben verricht en daarmee de schade aan het bodemprofiel beperkt hebben. De kosten van de herstelwerkzaamheden moeten volledig vergoed worden omdat deze een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de gedooglicht zijn, aldus steeds [eisers]
5.14.
Liander voert aan dat deze herstelkosten geen rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de gedoogplicht zijn, maar gevolg zijn van het niet toestaan van het herstel of handelen in strijd met de gedoogplicht door [eisers] Liander wilde herstelwerkzaamheden uitvoeren, maar [eisers] hebben haar geen gelegenheid tot herstel gegeven. [eisers] hebben de herstelwerkzaamheden (fysiek) belet en vervolgens zelf verricht. Het fysiek beletten van de herstelwerkzaamheden is een strafbaar feit (zie artikel 15 BP Pro). Als [eisers] de werkzaamheden hadden willen tegenhouden, dan hadden zij aan de bestuursrechter een verzoek kunnen doen om de gedoogplichtbeschikking te schorsen. Alleen dan hadden zij Liander de toegang tot hun percelen mogen ontzeggen. Nu hebben [eisers] eigenrichting gepleegd, aldus Liander.
5.15.
De kantonrechter stelt voorop dat het in beginsel aan Liander is om de percelen naar eigen inzicht te herstellen zoals bedoeld in de gedoogplichtbeschikking, tenzij de wijze van herstel niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk voldoet. [eisers] beroepen zich op deze uitzondering. Volgens [eisers] waren de door Liander voorgenomen herstelwerkzaamheden absoluut ondeugdelijk. Dit standpunt faalt op basis van het volgende.
De aanvulgrond is geschikt
5.16.
De kantonrechter oordeelt dat [eisers] hun stelling dat de aanvulgrond ongeschikt is, tegenover de gemotiveerde betwisting van Liander onvoldoende hebben onderbouwd. De kantonrechter neemt daarom aan dat de grond wel geschikt is om voor het herstel van de percelen te gebruiken.
5.17.
Ter onderbouwing van hun stelling dat de zware kleigrond die Liander als aanvulgrond wilde gebruiken, ongeschikt is beroepen [eisers] zich op de e-mail van Veldboer met het Eurofins rapport [3] , de e-mail van Aequator [4] en de geconstateerde verschillen met de omliggende percelen zoals te zien is op de foto’s [5] . In de e-mail van Veldboer (zie 3.12) staat dat de aanvulgrond B-grond betreft. Daarbij is de uitslag van het DNA-rapport van Eurofins gevoegd betreffende een monster zeeklei. Aequator schrijft hierover (en over de foto’s):
“De risico’s van de aanwezigheid van een graswortelknobbelaaltjes kan ik niet beoordelen. Ik heb ook nog geen studie gemaakt van de RAW 2015-eisen aan een grond, kan de beoordeling van Grondslag daarom nog niet beoordelen.
Wel zie ik op basis van de foto’s dat de beschreven grond uit sloten komt, de analyses laten zien dat de zwaarte een lutumgehalte van 36 % is, dat is zware kleigrond, en nog nat blijkt te zijn (en dus nog niet echt gerijpt is).
Op basis daarvan concludeer ik: Dergelijke zware en niet gerijpte kleigrond isbeslist ongeschiktom op jullie grond als B-grond/aanvulgrond te gebruiken, waarbij je kans loopt dat het in de bouwvoor terecht komt”.
5.18.
Liander beroept zich echter op de verdere bevindingen van Veldboer . [6] Veldboer schrijft aan de gemachtigde van Liander: “
Op de percelen van (…) is na aanleg van de kabels een grondtekort ontstaan. Om dit tekort op te heffen is de B-laag van een afgegraven perceel aan de [adres] te Middenmeer geselecteerd. Deze B laag is gekeurd en de ligging is bekend. De uniformiteit van de B laag op het afgegraven perceel maakt de grond uitermate geschikt voor de toepassing op de percelen. De grond wordt verdeeld over de bestaande B-laag en daarna niet dieper dan de bestaande laag gewoeld om de lagen te mengen. Als de sleuf op deze manier met de gewenste overhoogte is overhoot aangevuld en geëgaliseerd kan de teelaarde terug worden geplaatst en het perceel zaaiklaar gemaakt. De aanwezigheid van onkruidzaden is in de B-laag aanzienlijk minder waardoor het gebruik van spuitmiddelen voor onkruidbestrijding kan worden gereduceerd.”
5.19.
Liander stelt [7] (onbetwist) dat de cultuurtechnisch expert desgevraagd de volgende conclusie aan het rapport van Eurofins verbond: “
De grond uit de Wieringermeer die als aanvulling op het hele tracé is gebruikt is wat samenstelling en verwerkbaarheid betreft geschikt voor het perceel van [vennoten VOF 1] omdat deze grond verwerkt wordt als B-grond. Wij constateren nu tijdens het afgraven van de B-grond voor een van de andere perceel eigenaren (...) dat de grond geen onverwachte verschillen in kwaliteit heeft. Het aaltjesonderzoek in de voor [vennoten VOF 1] beschikbare grond heeft aangetoond dat geen van de voor de bedrijfsvoering van [vennoten VOF 1] schadelijke aaltjes in de aanvulgrond voorkomen. Dit maakt de aanvulgrond zeer geschikt voor verwerking en vrij van risico's voor [vennoten VOF 1].”
5.20.
De kantonrechter constateert dat de conclusies van de deskundigen Aequator en Veldboer haaks op elkaar staan. [eisers] onderbouwen hun standpunt vervolgens niet nader, bijvoorbeeld met een aanvullende verklaring van Aequator. Dat hadden zij tegenover de gemotiveerde betwisting van Liander wel moeten doen. Op de mondelinge behandeling stellen [eisers] nog dat het vaststaat dat de grondonderzoeken naar het aanvulmateriaal van Liander te beperkt waren, maar dit staat niet vast. Uit het dossier blijkt niet dat dit het geval is. [eisers] lichten ook niet toe waarom of op basis waarvan zij dit menen. Op vragen van de kantonrechter stellen [eisers] nog wel dat de deskundige van Liander het oordeel over de B-grond heeft gebaseerd op rapporten over teelaarde en niet hebben geacteerd op de richtlijnen CSK. Maar ook deze stelling is niet onderbouwd.
5.21.
De omstandigheid dat [eisers] de aangeboden aanvulgrond hebben geweigerd, komt daarom voor hun risico. De herstelkosten komen in zoverre voor hun eigen rekening. Er is geen sprake van rechtstreekse en noodzakelijke schade als gevolg van de gedoogplicht.
De (weers-)omstandigheden
5.22.
De kantonrechter oordeelt dat [eisers] ten onrechte de door Liander voorgenomen wijze van herstel met een beroep op de (weers-)omstandigheden hebben geweigerd. Daardoor hebben [eisers] Liander niet in staat gesteld de herstelwerkzaamheden te verrichten die zij moesten gedogen. De daarmee gemoeid gaande kosten komen voor eigen rekening van [eisers] Deze kosten zijn geen rechtstreekse en noodzakelijke schade als gevolg van de gedoogplicht. De kantonrechter licht dit oordeel hierna toe.
5.23.
[eisers] stellen dat ze erop hebben toegezien dat de werkzaamheden alleen op het juiste moment werden uitgevoerd, namelijk bij gunstige (weers-)omstandigheden. Volgens [eisers] konden de werkzaamheden in het voorjaar van 2022 niet uitgevoerd worden en is op basis van het herstelplan van 3 augustus 2022 toen pas met de werkzaamheden begonnen. Daarbij verwijzen [eisers] – zonder enige toelichting – naar drie notities van Aequator.
5.24.
De kantonrechter leest in de eerste notitie van Aequator (van 3 januari 2022) dat deze op 22 december 2021 de bodemgesteldheid van de grond in de kabelstraat heeft beoordeeld en dat het onmogelijk is een dergelijke zavelgrond te herstellen in de oorspronkelijke toestand: “
de oorspronkelijke goede waterdoorlatendheid benaderen is een flinke opgave. Dit vraagt o.a. droge omstandigheden bij en na het losmaken én daarna een diep wortelend gewas die de gemaakte ruimte 'stabiliseert'. Dit is in de winter onmogelijk.” De tweede notitie (van 25 maart 2022) bevat een advies over drainage en herstel bij droge omstandigheden. De derde notitie (van 3 augustus 2022) gaat onder andere over onderzoek op 5 april en 1 juni 2022. Hierin staat: “
Op basis van het onderzoek op 5 april concluderen we dat in deze percelen voorlopig geen drainage-herstel zinvol mogelijk is en ook niet noodzakelijk is. Het onderzoek op 1 juni bevestigt dit: op de meeste plekken komt er wat meer ‘lucht’ in de grond, maar het bodemprofiel is boven het grondwater nog wel vochtig tot zeer vochtig. Het grondwaterpeil staat op het niveau van de drainage in de omgeving.” Liander betwist deze bevinden op zichzelf niet en voert geen inhoudelijk verweer tegen deze bevindingen van Aequator. De kantonrechter stelt daarom op basis van deze drie notities vast dat het herstel niet in de winter, maar bij droge omstandigheden en een niet vochtig bodemprofiel moet plaatsvinden.
5.25.
De kantonrechter kan [eisers] dus volgen in hun standpunt dat het herstel niet deugdelijk in de winter kon worden uitgevoerd. Liander betwist dat op zichzelf ook niet; zij gaat er ook van uit dat de herstelwerkzaamheden pas in of vanaf het voorjaar van 2022 konden worden afgewerkt. Liander verwijst naar wat de aannemer (A. Hak Electron B.V.) hierover heeft geschreven in de e-mail van 3 december 2021 [8] en wat zij heeft geciteerd in haar brief van 19 april 2022 [9] :
“Op dit moment worden de percelen door de cultuurtechnisch expert helaas nog te nat geacht. Het ziet er nu naar uit dat wij dit jaar nietallebovengenoemde herstelwerkzaamheden kunnen uitvoeren. Definale cultuurtechnische afwerkingzal hoogstwaarschijnlijk pas in het voorjaar van 2022 kunnen plaatsvinden. Nogmaals, dit doen wij om de kwaliteit van onze werkzaamheden te waarborgen en schade aan de percelen zo veel mogelijk te beperken. [onderstrepingen toegevoegd, advocaat]”.Liander voert aan dat het ter voorkoming van schade wel nodig was om alvast een start te maken met het herstel in het najaar/de winter van 2021 en dat de resterende werkzaamheden later (in het voorjaar) uitgevoerd zouden worden. Dit standpunt wordt ondersteund door het gespreksverslag van 5 november 2021 van [eisers] Daarin staat dat de cultuurtechnische afwerking de verantwoordelijkheid van [naam 3] is en [naam 3] de grond eerst ‘winterklaar maken’ wil: “
De aanvulgrond willen ze aangevoerd hebben, de rijplaten weghalen (het water moet eraf kunnen) en dan het voorjaar afwachten voor het aanbrengen van de teelaarde.” [eisers] hebben dit niet betwist, althans niet gemotiveerd betwist. De kantonrechter neemt daarom aan dat de voorgenomen voorbereidende herstelwerkzaamheden in de winter en het afwerken in het voorjaar op zichzelf een deugdelijke wijze van herstel inhouden.
5.26.
Uit het dossier blijkt dat [eisers] deze wijze van herstel hebben geweigerd. [eisers] hebben namelijk afwijzend gereageerd op de e-mails van Liander van
13 december 2021, 3 maart 2022 en 19 april 2022. Daarmee hebben ze Liander niet in staat gesteld de herstelwerkzaamheden volgens de gedoogplichtbeschikking te laten verrichten. Vervolgens hebben [eisers] zelf herstelwerkzaamheden verricht. De daarmee gemoeid gaande kosten komen voor eigen rekening, omdat deze kosten geen rechtstreekse en noodzakelijke schade zijn als gevolg van de gedoogplicht.
5.27.
De conclusie is dat [eisers] niet genoodzaakt waren om zelf de herstelwerkzaamheden ter hand te nemen. De gevorderde herstelkosten zijn daarom niet aan te merken als een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de gedoogplicht. Liander hoeft deze kosten niet te vergoeden.
Kosten [eisers sub 5 t/m 7] Projecten (€ 45.441,56 inclusief btw) en Aequator (€ 21.147,68 inclusief btw)
5.28.
De kantonrechter wijst de vordering van deze schadeposten af, omdat onvoldoende duidelijk is gemaakt dat de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. De kantonrechter motiveert dit als volgt.
5.29.
[eisers] vorderen de kosten van [eisers sub 5 t/m 7] Projecten van € 45.441,56 (inclusief btw) en van Aequator van € 21.147,68 (inclusief btw). Zij verwijzen daarvoor naar de facturen (producties 22 tot en met 26), maar lichten deze vorderingen en facturen niet toe. Desgevraagd stellen [eisers] op de mondelinge behandeling dat het gaat om deskundigenkosten/ advieskosten en niet om herstelkosten en dat de nulmeting noodzakelijk was omdat Liander die niet deed en niet gedaan heeft. Volgens [eisers] betreft het primair schade die rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de gedoogplichtbeschikking en subsidiair kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b en Pro c BW.
5.30.
Liander voert aan dat het gaat om kosten ter voorkoming of beperking van schade [10] en betwist dat de kosten aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen.
5.31.
De kantonrechter oordeelt dat het gaat om schade die op zichzelf is aan te merken als redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade en ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. [11] Om deze schade toe te kunnen wijzen moet zijn voldaan aan de dubbele redelijkheidseis. Dat betekent dat het inschakelen van een deskundige door [eisers] redelijk moet zijn geweest en dat ook de kosten van de deskundige redelijk moeten zijn. [eisers] hebben op dat punt de stelplicht en eventuele bewijslast.
De facturen van Aequator
5.32.
[eisers] lichten de facturen niet toe. De kantonrechter leidt uit de omschrijving op de facturen af dat het gaat om deskundigenbijstand tijdens en na de gedoogwerkzaamheden. Het gaat niet alleen om advies, maar ook om het opstellen van het cultuurtechnisch rapport nulsituatie en (veldwerk/onderzoek in verband met) het herstelplan.
5.33.
De facturen die zien op (veldwerk/onderzoek in verband met) het herstelplan betreffen kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De kantonrechter verwijst naar wat hiervoor is geoordeeld over de onterechte weigering van de wijze van herstel door [eisers] Zij hebben onvoldoende gesteld en onderbouwd dat of waarom de kosten van Aequator die zien op het herstelplan redelijkerwijs noodzakelijk waren.
5.34.
De kantonrechter acht de kosten van de nulmeting geen redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade of redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. [eisers] stellen dat Liander heeft geweigerd en nagelaten een nulmeting te doen. Deze stelling is feitelijk onjuist. Liander heeft vóór de uitvoering van de werkzaamheden al meegedeeld dat ze zelf een nulmeting zal laten verrichten, op
23 september 2021 aan [eisers] gemaild dat een nulmeting is uitgevoerd voor aanvang van de werkzaamheden en er opnieuw een meting zal worden uitgevoerd na afronden van de werkzaamheden. Op 13 december 2021 heeft Liander de brief de resultaten van de nulmeting aan [eisers] verstrekt (zie r.o. 3.5, 3.7 en 3.16). [eisers] stellen ook dat de nulmeting noodzakelijk was, omdat het bemestingsadvies van Eurofins alleen de bovenste teellaag betrof en niet het gehele bodemprofiel waarin werd gegraven. De kantonrechter verwijst naar wat hiervoor over het rapport van Eurofins is overwogen (r.o. 5.17 e.v.). [eisers] hebben onvoldoende onderbouwd dat of waarom de nulmetingen die Liander heeft laten uitvoeren niet voldoen.
5.35.
Deze kosten komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.
De facturen van [eisers sub 5 t/m 7]
5.36.
[eisers] lichten ook deze facturen niet toe. Zonder nadere toelichting van [eisers] kan de kantonrechter niet vaststellen dat aan de dubbele redelijkheidstoets is voldaan. De omschrijving op de facturen is daarvoor te onduidelijk of te summier. Het lijkt erop dat het (mede) gaat om herstelkosten. Bovendien zijn de op de facturen vermelde uren niet gespecificeerd. Daar komt bij dat Liander heeft aangevoerd dat deze facturen niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat [eisers sub 5 t/m 7] Projecten het eigen bedrijf van een familielid van [eisers sub 5 t/m 7] is en het in feite gaat om [eisers sub 5 t/m 7] eigen tijd (als eisende partij). Volgens Liander was het ook niet redelijk om [eisers sub 5 t/m 7] in te schakelen, omdat deze geen deskundige is waar het gaat om herstel van landbouwgrond. [eisers] hebben dit verweer onbesproken gelaten. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
Gederfde landhuur door [vennoten VOF 1] (€ 6.140,75 inclusief btw)
5.37.
Partijen zijn het erover eens dat de door [vennoten VOF 1] gemiste huuropbrengst als schade voor vergoeding in aanmerking komt. [eisers] vorderen € 6.140,75 inclusief btw. Liander heeft € 5.075,00 betaald. In geschil is alleen nog de btw van € 1.065,75. De kantonrechter oordeelt dat Liander deze niet aan [eisers] hoeft te vergoeden en motiveert dat als volgt.
5.38.
Volgens [eisers] kunnen zij de aan hen in rekening gebrachte omzetbelasting niet in aftrek brengen of terugvragen, omdat deze kosten niet zien op btw-belaste activiteiten van hun vennootschappen. Tijdens de mondelinge behandeling stellen [eisers] hierover dat het gaat om volledige schadeloosstelling en de omzetbelasting daarbij gezien moet worden als onderdeel van de geleden schade omdat zij deze niet kunnen verrekenen. Daarbij geldt dat [eisers sub 5 t/m 7] , Mooij en [eisers sub 5 t/m 7] (eisers 5 tot en met 7) particuliere eigenaren zijn waardoor ook op grond daarvan de vordering voor vergoeding in aanmerking komt, aldus [eisers] Liander betwist deze laatste stelling van [eisers] Liander stelt zich verder op het standpunt dat [eisers] wel degelijk omzetbelasting in aftrek kunnen brengen.
5.39.
De kantonrechter verwerpt het standpunt van [eisers] , omdat zij onvoldoende hebben gemotiveerd en onderbouwd dat zij de btw niet kunnen verrekenen en dat Liander deze moet vergoeden. In de factuur waarop deze schadepost is gebaseerd, is geen btw gefactureerd en staat handgeschreven dat de derving € 5.075,00 is. [12] Verder blijkt uit de correspondentie tussen partijen dat Liander al in februari 2024 om een accountantsverklaring hieromtrent heeft gevraagd en [eisers] bij brief van hun advocaat van 16 augustus 2024 hebben toegezegd deze aan te leveren. Zo schrijft de advocaat van [eisers] in die brief: “
Het is juist dat telkens bij de beoordeling of ten aanzien van een kostenpost die als schade vergoed dient te worden aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordeeld dient te worden of sprake is van met btw belaste kosten, waarvan de btw verrekend kan worden. Cliënten hebben hun accountant gevraagd om te beoordelen welke btw onderdelen voor verrekening in aanmerking komen. De bevindingen van de accountant zullen op een later moment worden aangeleverd.” [13]
5.40.
[eisers] hebben geen accountantsverklaring overgelegd. Gezien de discussie van partijen voorafgaand aan dit geding over de omzetbelasting en gezien de betwisting van Liander, lag het wel op hun weg deze verklaring in het geding te brengen. [14] Omdat de kantonrechter niet kan beoordelen welke btw-onderdelen voor verrekening in aanmerking komen en [eisers] niet aan hun substantiëringsplicht hebben voldaan, wijst zij deze vordering af.
5.41.
[eisers] beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt op rechtspraak die betrekking heeft op de Onteigeningswet. [15] Maar het toetsingskader in deze zaak is niet de Onteigeningswet of de daarop gebaseerde rechtspraak. In deze zaak is het toetsingskader afdeling 6.1.10 BW en hebben [eisers] de stelplicht ten aanzien van de gevorderde btw. De vergelijking met de onteigeningsrechtspraak gaat dus niet op. Het standpunt van [eisers] faalt ook in zoverre.
Huur vervangende grond door [vennoten VOF 2] (€ 17.630,00)
5.42.
De kantonrechter wijst de vordering tot vergoeding van de kosten voor de huur van vervangende grond van [naam 4] door [vennoten VOF 2] van € 17.630,00 af, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om aan te nemen dat deze kosten een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de gedoogplichtbeschikking zijn. Dit wordt als volgt toegelicht.
5.43.
[eisers] vorderen € 17.630,00 voor de huur van vervangende grond door [vennoten VOF 2] . Het betreft kosten die zijn gemaakt ter schadebeperking. Partijen zijn het erover eens dat deze schade in principe voor vergoeding in aanmerking komt. Liander heeft € 6.101,00 betaald. In geschil is dus € 11.529,00.
5.44.
[eisers] stellen hierover in de dagvaarding dat de werkstrook zelf een kleinere oppervlakte betreft dan het perceelsdeel dat niet in het rotatiesysteem is meegenomen. Dat heeft te maken met de verslechterde drainage als gevolg van de aanleg van de elektriciteitsverbinding. Hierdoor werd het water ook op het voorste deel niet goed afgevoerd, waardoor ook dit deel niet goed beteelbaar was. Het achterste deel van het perceel kon niet bereikt worden vanwege de aanlegwerkzaamheden, waardoor ook dit deel van het perceel niet beteeld kon worden. Daarbij verwijzen [eisers] naar productie 19. [eisers] stellen verder dat het teeltplan uitgaat van tweemaal achtereenvolgens een bolgewas. Het twee jaar achter elkaar telen van tulpen is niet mogelijk. Aansluitend op de teelt van tulpen is wel een ander bolgewas mogelijk. Dit is ook de praktijk. Het betreffende perceel is in het kader van de noodzakelijke vruchtwisseling in de jaren voor de aanleg van de elektriciteitsverbinding ingezaaid geweest als grasland. Volgens het teeltplan zou het perceel in het jaar van de aanleg aangewend worden ten behoeve van de tulpenteelt en daarna bijvoorbeeld voor krokus- of iristeelt. Het is geen optie om een gedeelte van het perceel aan te wenden voor de bollenteelt, omdat in dat geval sprake is van twee teeltplannen op één perceel. Dit staat een efficiënte bedrijfsvoering in de weg en had tot meer schade geleden, aldus steeds [eisers]
5.45.
Liander voert hiertegen aan dat het gehuurde perceel een (veel) grotere omvang dan het belemmerde perceelsgedeelte van [vennoten VOF 2] heeft. Volgens Liander valt zonder nadere toelichting van [eisers] niet in te zien waarom ook de huur van het meerdere heeft te gelden als schade die voor vergoeding in aanmerking zou komen.
5.46.
[eisers] lichten vervolgens op de mondelinge behandeling toe dat het perceel door de kabel helemaal is onderbroken en het daarachter niet bereikbaar was. Het opsplitsen van het perceel zou leiden tot een mix van verschillende bouwblokjes. Daarbij stellen [eisers] dat er enkele jaren niet op het perceel geteeld is en dat het gezien de werkwijze nodig was om net zo’n groot perceel te huren als het eigen perceel. Liander betwist deze stellingen op de mondelinge behandeling. Volgens Liander is er wel op het perceel van [vennoten VOF 2] geteeld en hoort ze voor het eerst op de mondelinge behandeling iets anders. De kantonrechter is het over dit laatste eens met Liander. In de dagvaarding staat hier niets over dus in zoverre hebben [eisers] onvoldoende gesteld. Daarbij komt dat ze geen onderbouwing hebben genoemd van hun stelling dat het perceel onbereikbaar was.
5.47.
De verwijzing door [eisers] naar pagina 11 van productie 19 is hiertoe onvoldoende. De kantonrechter begrijpt dat [eisers] verwijzen naar bijlage 4 van die (ongenummerde) productie. Daar staat dat in het perceel van [vennoten VOF 2] de drainage in de kabelstraat doormidden is gesneden, er een poging is gedaan de aansluitingen te herstellen, maar Aequator sterk twijfelt aan het resultaat en zekerheid over de werking. Het advies is daarom de drainage in dit perceel in zijn geheel te herstellen door nieuwe drainage aan te leggen in de kabelstraat en aan de westkant van de kabelstraat. Deze notitie zegt niets over het wel of niet kunnen bereiken van het achterste gedeelte van het perceel. Daaruit blijkt ook niet of er wel of niet op het perceel geteeld is.
5.48.
De conclusie is dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld en onderbouwd dat deze kosten een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de gedoogplichtbeschikking zijn.
Gederfde landhuur door [vennoten VOF 2] t.b.v. de irissenteelt (€ 17.100,00)
5.49.
Partijen zijn het erover eens dat de door [vennoten VOF 2] gemiste huuropbrengst als schade voor vergoeding in aanmerking komt. [eisers] vorderen € 17.100,00 inclusief btw. Liander heeft hiervan € 6.537,00 betaald. In geschil is € 10.563,00. De kantonrechter volgt de berekening van Liander en schat de schade op € 6.537,00. Omdat Liander dit bedrag al aan [eisers] heeft betaald, wijst de kantonrechter de vordering van [eisers] op dit onderdeel af. De kantonrechter motiveert dit als volgt.
5.50.
Liander voert aan dat ze slechts een (klein) deel van het perceel [kadastraalnummer 2] van [vennoten VOF 2] nodig had, namelijk 2.760 m2. De resterende meters had [vennoten VOF 2] dus gewoon kunnen verhuren. Partijen hebben discussie gevoerd of [vennoten VOF 2] een ten opzichte van de werkzaamheden ongunstig gelegen 'reststrook' [16] ten oosten van de werkstrook van Liander wel of niet kon gebruiken. Deze reststrook betrof 11.767 m2. Liander heeft coulancehalve het niet kunnen verhuren van deze reststrook ook aan [vennoten VOF 2] vergoed. In totaal heeft Liander dus een vergoeding betaald van € 6.537,00 voor de gebruikte werkstrook en de reststrook. Het overige deel van het perceel kon gewoon gebruikt worden en dus ook verhuurd, alles volgens Liander.
5.51.
[eisers] hebben dit verweer onbesproken gelaten. Desgevraagd hebben ze op de mondelinge behandeling gesteld dat voor deze schadepost hetzelfde geldt als voor de vorige schadepost. De kantonrechter verwijst daarom naar wat hiervoor onder 5.42 tot en met 5.48 is geoordeeld. [eisers] hebben onvoldoende gesteld en onderbouwd dat deze kosten een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de gedoogplichtbeschikking zijn. De kantonrechter wijst deze vordering daarom af.
Opbrengstderving graan [vennoten VOF 2] (€ 235,59)
5.52.
Partijen zijn het erover eens dat de door [vennoten VOF 2] gemiste opbrengst als schade voor vergoeding in aanmerking komt. [eisers] vorderen € 235,59 inclusief btw. Liander heeft € 195,00 betaald. In geschil is alleen nog de btw.
5.53.
Deze vordering treft hetzelfde lot en zal worden afgewezen om redenen genoemd in alinea 5.37 tot en met 5.41 hiervoor.
Kosten rechtskundige bijstand (€ 23.224,82)
5.54.
[eisers] vorderen de volledige advocaatkosten en sluiten daarbij aan bij de systematiek van het vergoeden van rechtskundige en deskundige bijstand bij onteigeningen. Volgens [eisers] is het systeem van het vergoeden van schade bij gedoogplichten vergelijkbaar met het schadevergoedingsregime volgens de onteigeningswet. De kantonrechter is het hier – net als Liander – niet mee eens en verwijst naar de toepasselijke rechtspraak. [17] Bij gebrek aan een specifieke regeling in de BP moeten de kosten voor deskundige en rechtskundige bijstand die [eisers] in verband met het opleggen van de gedoogplicht hebben gemaakt, begroot worden aan de hand van artikel 6:96 BW Pro.
5.55.
De kosten voor de bijstand van de gemachtigde van [eisers] tijdens deze procedure worden forfaitair vergoed op de voet van artikel 237 e.v. Rv. Het meer gevorderde zal worden afgewezen, omdat daarvoor geen grond bestaat.
Conclusie
5.56.
De conclusie is de schade van [eisers] op € 88.408,00 wordt begroot (€ 70.500,00 + € 5.075,00 + € 6.101,00 + € 6.537,00 + € 195,00). Omdat Liander dit bedrag al heeft betaald, wordt de vordering van [eisers] (ook voor het overige) afgewezen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De kantonrechter komt ook niet toe aan de bespreking van de subsidiaire vordering, omdat [eisers] onvoldoende hebben gesteld en onderbouwd dat de verschillende schadeposten een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de gedoogbeschikking zijn.
Wettelijke rente
5.57.
De wettelijke rente over de schadevergoeding is verschuldigd vanaf het moment waarop de afzonderlijke schades zijn geleden. [eisers] noemen geen data en er zijn deelbetalingen verricht. Het is niet de taak van de kantonrechter om in het dossier te zoeken naar de ingangs- en einddatum van de wettelijke rente. Dit betekent dat de wettelijke rente over de schadevergoeding zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De rente is verschuldigd tot het moment van betaling (8 december 2025) en wordt daarom toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.58.
[eisers] maken voorts aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eisers] voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij hebben echter de hoogte hiervan niet gespecificeerd. De kantonrechter ziet aanleiding over te gaan tot een forfaitaire begroting van de buitengerechtelijke kosten op basis van het in het Besluit bepaalde tarief over verschuldigde en al betaalde bedrag. Dit betekent dat een bedrag van € 1.659,08 (exclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen zoals hieronder nader is bepaald.
Proceskosten
5.59.
Op grond van artikel 237 Rv Pro wordt de partij die (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld.
5.60.
Nu Liander pas na dagvaarding tot betaling van de verschuldigde schade is overgegaan, ziet de kantonrechter aanleiding om Liander in de door [eisers] gemaakte proceskosten te veroordelen, namelijk de kosten voor het uitbrengen van de dagvaarding, het griffierecht, het salaris van de gemachtigde en de nakosten. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de kantonrechter de proceskosten van [eisers] wat het salaris gemachtigde betreft op basis van het verschuldigde en al betaalde bedrag.
5.61.
De proceskosten van [eisers] worden daarom begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.732,00
(2 punten × € 866,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.756,04.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
5.62.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eisers] dat eisen en Liander daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt Liander om aan [eisers] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 88.408,00 vanaf 18 september 2025 tot 8 december 2025, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.2.
veroordeelt Liander om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 1.659,08 aan buitengerechtelijke incassokosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
veroordeelt Liander in de proceskosten van € 2.756,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Liander niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Voetnoten

2.Artikel 6:97 BW Pro.
3.Conclusie van antwoord, productie 11.
4.Dagvaarding, productie 13.
5.Dagvaarding productie 16.
6.Conclusie van antwoord, productie 12.
7.Conclusie van antwoord, alinea 3.14. Zie ook dagvaarding, productie 21.
8.[eisers] verwijzen ook naar deze e-mail, maar hebben deze e-mail niet overgelegd, althans geen vindplaats genoemd. De kantonrechter heeft zelf gespit in het dossier, maar de e-mail niet aangetroffen. Die omstandigheid komt voor risico van [eisers] (artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
9.Conclusie van antwoord, productie 21.
10.Artikel 6:96 lid 2 onder Pro a BW.
11.Artikel 6:96 lid 2 onder Pro a en b BW.
12.Productie 27 bij dagvaarding.
13.Productie 25 bij conclusie van antwoord.
14.Artikel 21 Rv Pro.
15.ECLI:NL:HR:2016:531 r.o. 5.3.
16.Zie productie 26.