Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 23 januari 2018
[appellant 1],
2.
[appellant 2],
gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente],
3.
Art & Design Landscaping B.V.,
gevestigd te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland,
Tennet TSO B.V.,
advocaat: mr. C.H.R.M. van der Hoeven te Amsterdam.
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
a. Gedaagde is de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet in Nederland.
b. Bij besluit van 28 augustus 2009 hebben de ministers van economische zaken en volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer op grond van de Wet ruimtelijke ordening een Inpassingsplan vastgesteld (hierna: het rijksinpassingsplan). In het rijksinpassingsplan is het tracé van een door Tennet aan te leggen 380 kV-hoogspanningslijn tussen Wateringen en Zoetermeer vastgesteld. Een deel van het tracé loopt over perceel kadastraal aangeduid als [perceelnummer].
c. Genoemd perceel is eigendom van [appellant 1] en wordt gehuurd door [appellant 2] en Art & Design Landscaping.
d. Tussen partijen is geen overeenstemming bereikt over de vestiging van een zakelijk recht ten laste van genoemd perceel.
e. Op 24 februari 2011 heeft de minister van infrastructuur en milieu op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) aan [appellant 1] een gedoogbeschikking opgelegd die inmiddels onherroepelijk is geworden.
f. De hoogspanningslijn is aangelegd en in 2013 in gebruik genomen.
g. Tennet heeft [appellanten] voorgesteld de in artikel 14 BP Pro bedoelde schadevergoeding bij bindend advies te laten vaststellen door een driedeskundigencommissie. Partijen hebben daarover geen overeenstemming bereikt. Mediation heeft evenmin tot een oplossing geleid.
“
In dit artikel wordt aangesloten bij de formulering van de schadeloosstelling zoals opgenomen in artikel 40 onteigeningswet Pro (artikel 15.2 Omgevingswet). Dit omdat voor de gedoogplichten die onder Belemmeringenwet Privaatrecht worden opgelegd uit de jurisprudentie (o.m. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, op 16 juni 2009 (…), volgt dat die wet voorziet in een financiële compensatie die qua karakter en resultaat vergelijkbaar is met een door de onteigeningswet verzekerde schadeloosstelling. (…)Overigens is er wel een kenmerkend verschil wat betreft het moment van bepalen van de schade bij onteigening en bij gedoogplichten. In tegenstelling tot onteigening, waarbij de eigendom immers overgaat, kan het bij de oplegging van een gedoogplicht zo zijn dat er ook in de toekomst schade wordt geleden als gevolg van die gedoogplicht. De aard van de gedoogplicht brengt daarom mee, dat ook schade die zich eerst in de toekomst openbaart en die het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de gedoogplicht dan voor schadeloosstelling in aanmerking komt.In jurisprudentie heeft de rechter een aantal maal uitspraak gedaan over de reikwijdte van de schadevergoedingsplicht van de BP, die uitleg blijft van belang voor het schadeloosstellingsrecht onder de Omgevingswet voor de gedoogplichten bedoeld in artikel 15.13.Door de Hoge Raad (1963, NJ 1965, 56) is aan de hand van de totstandkomingsgeschiedenis van de BP uitgemaakt dat schade zowel kan blijken bij de totstandkoming van het te gedogen werk als gedurende de tijd waarin dat werk in stand blijft. De vergoeding van die schade kan dan ook telkens wanneer zij blijkt worden gevorderd. De zinsnede “behoudens het recht op schadevergoeding” betekent niet dat “al de aantasting van het recht van de rechthebbende als gevolg van de door hem opgelegde verplichting den aanleg en de instandhouding van het werk te gedogen op zichzelf een aanspraak op vergoeding zoude scheppen, doch de strekking daarvan slechts deze is dat, voor zover als gevolg van een aanleg of instandhouding van het werk van een concrete schade blijkt, van die gebleken schade de vergoeding kan worden gevorderd”.Schade kan daardoor gedurende de gehele periode van instandhouding blijken en worden gevorderd. Het schadevergoedingsstelsel van de BP biedt de mogelijkheid “dat wanneer bij het instellen van een vordering tot schadevergoeding ingevolge deze wet beroep wordt gedaan op schadefactoren waarvan wegens haar verband met toekomstige onzekere gebeurtenissen de betekenis nog niet met voldoende duidelijkheid kan worden bepaald, de rechter zijn beslissing wat dat betreft uitstelt en de schade in zover dus eerst voor vergoeding in aanmerking doet komen wanneer daaromtrent meer zekerheid verkregen is”. Dit laatste is in 1979 door de Hoge Raad nog eens bevestigd (2 februari 1979, NJ 1979, 384). De reikwijdte van de schadevergoeding is breed, aldus het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (arrest van 14 oktober 2003 (LJN: AM3092)): “de financiële gevolgen van de beperkingen in de gebruiksmogelijkheden van de eigendommen alsmede het woongenot van verzoeker tot uitdrukking zullen moeten komen in de hoogte van de aan hem toe te kennen schadevergoeding”.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog in haar uitspraak van 14 juli 2004 dat “Gelet op het bepaalde in artikel 14 BP Pro heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat ten aanzien van de vaststelling van de schadevergoeding de rechter competent is. Daaronder is tevens begrepen vergoeding van alle huidige en – in tegenstelling tot bij onteigening- nog in de toekomst opkomende schade, waaronder ook de schade die voortvloeit uit verminderde exploitatieve bruikbaarheid van de gronden als gevolg van de aanleg en instandhouding van de werken, en ook door appellant gestelde toekomstige schade in verband met feitelijke onverkoopbaarheid van de gronden, alsmede milieuschade.”Ook waardevermindering van de desbetreffende onroerende zaak komt in beginsel voor schadevergoeding in aanmerking. In 1970 heeft de Hoge Raad (NJ 1970, 368) uitgemaakt dat: “indien de rechthebbende op een onroerend goed door aanleg en instandhouding van een werk als bedoeld in de Belemmeringenwet Privaatrecht een schade lijdt in de waardevermindering van het goed, deze schade volledig moet worden vergoed”. In 1979 (NJ 1979, 384) bevestigt de Hoge Raad dit nog eens in een zaak waarin waardevermindering van een onroerend goed werd uitgesloten van vergoeding: “In de in artikel 1 der Pro wet voorkomende woorden “behoudens schadevergoeding” is geen beperking van het recht op schadevergoeding gelegen, en uit de geschiedenis van de wet blijkt, dat is gedacht aan een recht op volledige schadevergoeding. De opvatting dat de in waardevermindering gelegen schade op zichzelf niet voor vergoeding in aanmerking komt, vindt derhalve in de wet geen steun. Aan het recht op vergoeding van deze schade staat niet in de weg, dat de omvang ervan in geschil is.” Ten slotte is ook in het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 13 april 2010 (LJN: BM 1190) bevestigd dat waardevermindering voor schadevergoeding in aanmerking kan komen.”[appellanten] betogen bij pleidooi dat uit deze passages valt af te leiden dat de wetgever voor ogen heeft de bestaande praktijk tot uitdrukking te brengen in de Omgevingswet en dat de visie van Tennet op het schadevergoedingsrecht onder de BP niet te verenigen is met het geldende recht. Tennet heeft dit pleidooi gemotiveerd bestreden.
Naar huidig recht geldt dat de wettelijke rente verschuldigd wordt ingeval een verbintenis tot betaling van schadevergoeding in geld wegens onrechtmatige daad niet terstond wordt nagekomen nadat zij opeisbaar is geworden. Voor de ingangsdatum van de wettelijke rente wegens vertraging in de voldoening van de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad is aldus bepalend de vraag op welk moment de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is. Met betrekking tot de opeisbaarheid van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad geldt in beginsel dat de vordering opeisbaar is op het tijdstip waarop de schade ontstaat. Schade kan concreet worden berekend naar het tijdstip waarop de schade wordt geleden, maar zij kan ook abstract worden berekend naar het tijdstip van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust . De wijze waarop de schade wordt begroot, is van belang voor de vraag wanneer de schade wordt geleden en daarmee voor de opeisbaarheid van de vordering tot schadevergoeding (MvA II (Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 475).
Uit het voorgaande volgt dat een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad opeisbaar is op het tijdstip waarop de schade wordt geleden of in verband met de wijze van schadebegroting geacht moet worden te zijn geleden. Indien de rechter de schade begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens ter zake van toekomstige schade, moet deze schade geacht worden te zijn geleden op de bij deze kapitalisering tot uitgangspunt genomen peildatum. Voor de vraag wanneer de schade wordt geleden is niet relevant op welk moment de omvang van de schade kan worden bepaald (HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610). Ook indien de omvang van een vordering tot schadevergoeding pas in een later stadium komt vast te staan - bijvoorbeeld na bewijslevering, dan wel in een afzonderlijke procedure zoals een schadestaat, een procedure voor een buitenlandse rechter of een arbitraal geding - is die vordering opeisbaar vanaf het moment dat de schade is geleden en aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan.
De grief treft in zoverre doel.
Beslissing