5.3.De beoordeling
De rechtbank is op grond van het dossier en het veroordelend vonnis in de hoofdzaak van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de baten van de hiervoor genoemde in de hoofdzaak bewezenverklaarde feiten, alsmede van andere strafbare feiten. Dit voordeel moet hem worden ontnomen.
De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in de ontnemingsrapportage en de daarbij behorende bijlagen zijn opgenomen en op het verhandelde ter terechtzitting.
Bunq bankrekening
De opsteller van de ontnemingsrapportage heeft onderzoek gedaan naar de gegevens van de bankrekening van de veroordeelde bij de Bunq bank over de periode van 18 november 2021 tot en met 22 februari 2023. Hieruit bleek dat op deze rekening bijschrijvingen plaatsvonden, zonder omschrijving, door personen die bij de politie bekend waren als druggebruikers en die in tapgesprekken naar voren kwamen als kopers van harddrugs, waarbij de veroordeelde de verkoper was. Opvallend is dat het steeds om ronde bedragen gaat, hetgeen past bij de aankoopbedragen van drugs.De verbalisant heeft deze bijschrijvingen verzameld op een lijst die wordt aangeduid als lijst A. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze bijschrijvingen de opbrengst vormen van het dealen in drugs door de veroordeelde. Het totaalbedrag van de bijschrijvingen op lijst A is
€ 7.739,00.
Daarnaast werden op de Bunq bankrekening bijschrijvingen gezien, die het vermoeden oproepen dat het ook hier gaat om aankopen van verdovende middelen. Het betreft steeds ronde bedragen (veelal € 50,- of een veelvoud daarvan), afkomstig van een groot aantal verschillende personen, waarvan een enkele persoon bij de politie bekend is met het gebruik van drugs.Deze bijschrijvingen zijn bijeengebracht op de zogenoemde lijst B.
De veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij alleen hele grammen cocaïne verkocht, voor € 50,- per gram. Een deel van de betalingen voor drugs in de onderzochte periode ging door middel van zogenaamde tikkies. Veruit het meeste ging echter contant.
De rechtbank gaat er op grond van het vorenstaande van uit dat ook de bedragen op lijst B door de veroordeelde zijn verkregen uit de handel in drugs.
De periode waarover de gegevens van de Bunq-bankrekening zijn onderzocht is langer dan de in de hoofdzaak bewezenverklaarde periode gedurende welke de veroordeelde in cocaïne heeft gehandeld. Voor zover de bijschrijvingen van lijst A, dan wel lijst B vallen binnen de ten laste gelegde periode, kunnen de bedragen worden aangemerkt als wederrechtelijk voordeel dat is verkregen uit het bewezenverklaarde feit; voor zover de bijschrijvingen daarbuiten vallen, is de rechtbank van oordeel dat dit wederrechtelijk voordeel is dat is verkregen door andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
ING bankrekening
Naast de rekening bij de Bunq bank, had de veroordeelde ook een rekening bij de ING bank. Op deze rekening vonden contante stortingen plaats en werden bedragen ontvangen via betaalverzoeken (tikkies). De herkomst van de contante stortingen is volgens de ontnemingsrapportage niet bekend geworden. De via tikkies ontvangen bedragen betroffen zowel afgeronde bedragen als niet-afgeronde bedragen. Sommige tikkies waren betaald door personen die in het strafdossier voorkomen als koper van drugs bij de veroordeelde, of die bij de politie bekend zijn als gebruiker van (hard)drugs. Andere tikkies waren betaald door personen over wie in het dossier verder niets bekend is geworden. De ontnemingsrapportage vermeldt niet of onderzoek is gedaan naar de reden van de betalingen via tikkies, bijvoorbeeld door naar de omschrijvingen van de tikkies te kijken. De rechtbank is dan ook, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de ontnemingsrapportage met betrekking tot de ontvangen bedragen op de ING-bankrekening onvoldoende duidelijk en gespecificeerd is. De rechtbank kan niet vaststellen dat deze bedragen wederrechtelijk verkregen voordeel betreffen.
Contant geld
Tot slot is bij de doorzoeking van de woning van de veroordeelde op 10 maart 2023 een geldbedrag aangetroffen en in beslag genomen van € 2.476,70.De veroordeelde heeft bekend dat dit geld afkomstig was van eigen misdrijf, te weten de handel in cocaïne.Dit geld betreft dus wederrechtelijk voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen uit het bewezenverklaarde feit.
Berekening van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank komt aldus tot de volgende berekening van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel:
Bijschrijvingen lijst A € 7.739,00
Bijschrijvingen lijst B € 4.400,00
Contant geld
€ 2.476,70
Totaal € 14.615,70
Aftrekbare kosten
De veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat de inkoopkosten voor de cocaïne de helft van de verkoopwaarde bedroegen. Met de officier van justitie en de verdediging volgt de rechtbank de veroordeelde op dit punt. Dat betekent dat een bedrag van
€ 7.307,83(€ 14.645,70 : 2) in mindering wordt gebracht op het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het door de veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door de rechtbank aldus geschat op:
€ 14.615,70 (bruto opbrengst) -/- € 7.307,85 (kosten) =
€ 7.307,85
6. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de op te leggen betalingsverplichting
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
€ 7.307,85.
De rechtbank is op grond van het bovenstaande voorts van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
Bij de vaststelling van het door de veroordeelde te betalen bedrag heeft de rechtbank het volgende mee laten wegen.
Bij vonnis van heden in de hoofdzaak heeft de rechtbank beslist dat het onder de verdachte in beslag genomen contante geldbedrag van € 2.476,70 wordt verbeurd verklaard, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit geld, dat aan de veroordeelde toebehoort, door middel van het in de zaak met oorspronkelijk parketnummer 15/043264-23 onder 1 bewezenverklaarde feit is verkregen.
Bij de samenloop van een verbeurdverklaring en een ontnemingsmaatregel geldt het volgende. Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in een dergelijk geval ook de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder de betrokkene in beslag genomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Het gaat in die gevallen om verbeurdverklaringen die zijn gestoeld op artikel 33a lid 1, onder a Sr: voorwerpen die aan de betrokkene toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen. (vergelijk HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874 en HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:1033) De rechtbank zal daarom het door de veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op (€ 7.307,85 -/- € 2.476,70 =)
€ 4.831,15.
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.