Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7265

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
15/044807-22
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 326 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gewoontewitwassen, hypotheekfraude en douaneaangifteverzuim

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte veroordeeld voor gewoontewitwassen van in totaal ruim €168.000,-, medeplegen van hypotheekfraude en het opzettelijk niet doen van aangifte bij de douane voor het meenemen van een geldbedrag van ruim €30.000,- naar een land buiten de EU.

Het witwassen betrof contant aangetroffen geld tijdens een douanecontrole op Schiphol en contante stortingen op bankrekeningen over de periode 2017-2022. De verdachte en zijn partner dienden valse arbeidsovereenkomsten in bij de Rabobank om een hypotheek van €318.150,- te verkrijgen, terwijl zij nooit bij de opgegeven werkgevers in dienst waren. De verdachte deed geen aangifte van het contante geld bij de douane, wat verplicht was.

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek aan de telefoon en laptop van de verdachte onrechtmatig was, maar verbond hieraan geen bewijsuitsluiting omdat de verdediging onvoldoende nadeel aannemelijk maakte. De verklaringen van de verdachte over de herkomst van het geld werden niet geloofwaardig bevonden. De verdachte had een initiërende rol bij de hypotheekfraude en werd medepleger genoemd.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 8 maanden op, met aftrek van voorarrest, en verklaarde €30.000,- verbeurd. De straf werd gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn, deels veroorzaakt door wisselende verklaringen van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor gewoontewitwassen, hypotheekfraude en het niet doen van douaneaangifte.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/044807-22 (P)
Uitspraakdatum: 11 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] (Turkije),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[inschrijvingsadres],
feitelijk verblijvende te: [verblijfsadres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Lenderink en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
feit 1
hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2022, te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer en/of Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een/meerdere (grote) geldbedrag(en), met een (opgetelde) waarde van (ongeveer):
- 30.155 euro (aangetroffen bij [verdachte] op 20 februari 2022 te Schiphol) en/of
- 138.235 euro (door [verdachte] benoemd als zijnde gokwinsten binnen voornoemde periode),
althans (van) een of meer voorwerpen/geldbedrag(en)
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf en hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt;
feit 2
primairhij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 25 oktober 2017 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Rabobank heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het verstrekken van een hypothecaire (geld)lening (van in totaal: 318.150 euro), immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk:
- een arbeidsovereenkomst (voor de duur van 12 maanden) op naam van [medeverdachte A] bij werkgever '[bedrijf A]' per 01 mei 2017 (en met als einddatum 30-4-2018), aan de Rabobank aangeleverd en/of
- een arbeidsovereenkomst (voor de duur van 12 maanden) op naam van [verdachte] bij werkgever '[bedrijf B]' per 01 april 2017 (en met als einddatum 21-3-2018), aan de Rabobank aangeleverd,
- waarna/op basis waarvan de Rabobank een offerte (“offerte en overeenkomst lening”) heeft uitgebracht voor een hypotheek ter hoogte van 318.150 euro en) hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte (vervolgens) deze offerte heeft/hebben ondertekend op 25 oktober 2017 (en nadien deze offerte heeft/hebben ingestuurd aan de Rabobank),
- terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte in werkelijkheid toen nooit in dienst zijn geweest bij [bedrijf A] respectievelijk [bedrijf B], en/of hij en/of zij (ruim) voor die 25 oktober 2017 al uit dienst was/waren getreden, waardoor/-na de Rabobank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte/verstrekking;
subsidiairhij, op een/meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 25 oktober 2017 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van vals en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst, door (telkens) deze ten behoeve van de aanvraag van een hypothecaire lening (van in totaal: 318.150 euro) bij de Rabobank, in te dienen:
- een arbeidsovereenkomst (voor de duur van 12 maanden) op naam van [medeverdachte A] bij werkgever '[bedrijf A]' per 01 mei 2017 (en met als einddatum 30-4-2018) en/of
- een arbeidsovereenkomst (voor de duur van 12 maanden) op naam van [verdachte] bij werkgever '[bedrijf B]' per 01 april 2017 (en met als einddatum 21-3-2018);
feit 3
hij op of omstreeks 20 februari 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het doen van (schriftelijke) (volledige en/of juiste) aangifte, zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005, immers heeft hij toen en daar geen of onvolledige of onjuiste aangifte gedaan, terwijl hij die Unie verliet en liquide middelen ten bedrage van EUR 10.000,- of meer vervoerde, te weten een geldbedrag van (in totaal) 30.155 euro.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier
van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft voor het onder 1 ten laste gelegde feit (witwassen) primair vrijspraak bepleit voor zowel het bij de verdachte op Schiphol aangetroffen geldbedrag als de gokwinsten. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat een veroordeling voor witwassen van het bij de verdachte op Schiphol aangetroffen geldbedrag hooguit € 30.000,- zou kunnen betreffen.
Wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit (hypotheekfraude) heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken.
Voor het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op de verweren van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
De raadsman heeft – onder verwijzing naar het zogenoemde Smartphone-arrest (ECLI:NL:HR:2017:584) - betoogd dat het onderzoek naar de inbeslaggenomen telefoon en laptop van de verdachte onrechtmatig is geweest. Op voorhand was te voorzien dat een min of meer volledig beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte en daarmee een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, zodat voorafgaande toestemming nodig was van de rechter-commissaris. Omdat deze toestemming niet is gegeven, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat moet leiden tot bewijsuitsluiting althans strafvermindering.
De officier van justitie heeft erkend dat sprake is van een vormverzuim, maar stelt dat hier geen rechtsgevolgen aan verbonden hoeven te worden.
De rechtbank constateert dat bij het onderzoek aan de telefoon en de laptop van de verdachte veel persoonlijke informatie is aangetroffen, waardoor een min of meer volledig beeld is verkregen van het leven van de verdachte en dat daarmee in vergaande mate een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt. Nu het onderzoek in het licht van artikel 8 van Pro het Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) pas had mogen plaatsvinden na toestemming van de rechter-commissaris, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of aan dit vormverzuim rechtsgevolgen moeten worden verbonden, en zo ja welke. Bij beantwoording daarvan moet rekening worden gehouden met de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde factoren, namelijk het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Op grond van vaste jurisprudentie mag van de verdediging worden gevergd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van deze factoren wordt aangegeven tot welk rechtsgevolg het vormverzuim zou moeten leiden. Alleen op een dergelijk verweer moet de rechter een met redenen omklede beslissing te nemen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, en zo ja, welk nadeel is geleden door het vormverzuim. De verdediging heeft alleen in algemene zin aangevoerd dat sprake is geweest van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, zonder hierbij concreet te maken dat de verdachte als gevolg van de schending daadwerkelijk nadeel heeft geleden, en welk nadeel dat precies is. De rechtbank zal daarom volstaan met de enkele constatering dat het vormverzuim is begaan. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de telefoon en de laptop ook in het belang van de verdachte werden onderzocht, namelijk om zijn verklaringen over het gokken, de daaruit verkregen gokwinsten en de leenovereenkomsten die de verdachte zou zijn aangegaan te kunnen verifiëren.
3.3.2
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.3
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 (witwassen)
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van witwassen moet vast komen te staan dat het in de tenlastelegging vermelde voorwerp middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat ook wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden.
Wanneer op grond van de bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien sprake is een of meerdere witwasindicatoren en de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Als sprake is van witwasindicatoren die een vermoeden rechtvaardigen dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde voorwerpen die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 30.155,-
Vermoeden van witwassen
Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een brondelict waaruit het in de tenlastelegging opgenomen geldbedrag van € 30.155,- afkomstig is. De vraag die de rechtbank bij haar beoordeling van de verdenking van witwassen dan moet beantwoorden, is daarom allereerst of sprake is van witwasindicatoren die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 20 februari 2022 op de luchthaven Schiphol was om uit te reizen naar Istanboel, Turkije. Tijdens een douanecontrole werd in de ruimbagage van de verdachte, tussen kleding en verdeeld over zes enveloppen, een contant geldbedrag aangetroffen van in totaal € 27.500,- bestaande uit coupures van vijftig euro. Daarnaast werd in zijn handbagage, een laptoptas, een enveloppe aangetroffen met een contant geldbedrag van € 2.500,- bestaande uit coupures van vijftig euro. In deze laptoptas zat ook een pasjeshouder met daarin een contant geldbedrag van € 155,-. Desgevraagd antwoordde de verdachte in eerste instantie dat hij met een bedrag van € 2.500,- reisde en dat hij niet meer geld bij zich had dan dat bedrag. Pas nadat hij werd geconfronteerd met het geldbedrag dat in zijn ruimbagage was gevonden, verklaarde hij dat hij met een groter geldbedrag reisde. De verdachte heeft bij de douane geen aangifte gedaan voor het meenemen van dit geldbedrag naar een land buiten de Europese Unie.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de € 155,- die is aangetroffen in de pasjeshouder van de verdachte geen sprake is van een witwasindicator. De rechtbank is het met de raadsman eens dat dit geldbedrag niet op een ongebruikelijke plek is aangetroffen. De rechtbank gaat daarom bij het bij de verdachte op Schiphol aangetroffen geldbedrag uit van een geldbedrag van in totaal € 30.000,-.
Gelet op de eerdergenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat voor dit geldbedrag een vermoeden van witwassen jegens de verdachte gerechtvaardigd is. Het is hoogst ongebruikelijk om een dergelijk groot contant bedrag op reis mee te nemen, verdeeld over verschillende enveloppen in een koffer die wordt ingecheckt voor de ruimbagage, mede gelet op het risico van verlies van dat bedrag, Daarbij komt dat voor dat bedrag ook geen aangifte was gedaan bij de douane.
Verklaringen van de verdachte
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de (legale) herkomst van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag.
(i) De verklaring van de verdachte over het gedeelte van € 10.000,-
De verdachte heeft bij de douane op 20 februari 2022 verklaard dat hij € 10.000,- van het in totaal op Schiphol bij hem aangetroffen contante geldbedrag heeft geleend van zijn zus
[de zus van verdachte] (hierna: [de zus van verdachte]) en zijn zwager [naam zwager] (hierna: [naam zwager]). Hij heeft een bedrag van € 5.000,- geleend van [de zus van verdachte]. Dit geld heeft hij ontvangen in coupures van vijftig euro. Van [naam zwager] heeft hij ook € 5.000,- geleend, dat hij ook heeft ontvangen in coupures van vijftig euro. Bij zijn verhoren heeft verklaard dat hij deze bedragen op hetzelfde moment heeft ontvangen. Hij weet niet meer precies wanneer dit was, maar dit was minimaal een paar maanden voor zijn geplande reis naar Turkije op 20 februari 2022.
Door het Openbaar Ministerie is onderzoek gedaan naar de verklaringen van de verdachte. Op 20 februari 2022 hebben medewerkers van de Koninklijke Marechaussee telefonisch contact opgenomen met [de zus van verdachte]. Zij heeft aanvankelijk verklaard dat zij twee dagen voor de geplande reis (18 februari 2022) € 8.000,- in coupures van honderd euro heeft uitgeleend aan de verdachte. Bij het tweede telefonisch contact later die dag verklaarde zij dat hier ook een aantal coupures van vijftig euro bij zaten. Over de verdeling van coupures van vijftig en honderd euro verklaarde [de zus van verdachte] desgevraagd dat het merendeel briefjes van vijftig euro waren. Na dit telefonisch contact heeft zij een e-mail gestuurd waarin staat dat ook haar man, [naam zwager], een bedrag van € 2.000,- aan de verdachte heeft uitgeleend. Op 21 maart 2022 heeft de raadsman van de verdachte een schriftelijke verklaring van [de zus van verdachte] en [naam zwager] overgelegd waarin wordt bevestigd dat [de zus van verdachte] een bedrag van € 8.000,- aan de verdachte heeft uitgeleend en [naam zwager] een bedrag van € 2.000,-.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte en de onderbouwing daarvan het vermoeden van witwassen niet voldoende hebben weerlegd. De verklaringen van [de zus van verdachte] en [naam zwager] wijken op specifieke en essentiële punten af van de verklaring van de verdachte. Daarbij wijst de rechtbank in het bijzonder op de volgende onderdelen uit de verklaringen:
  • de verdachte had enkel coupures van 50 euro bij zich en heeft bij de douane verklaard dat hij het geleende geld ook heeft ontvangen in coupures van 50 euro. [de zus van verdachte] heeft echter verklaard dat zij het bedrag geheel althans deels in coupures van 100 euro heeft uitgeleend aan de verdachte;
  • de verdachte heeft bij de douane verklaard dat hij het geleende geld minimaal een paar maanden geleden heeft ontvangen, terwijl [de zus van verdachte] heeft verklaard dat zij dit bedrag op 18 februari 2022, slechts twee dagen voor de aanhouding van de verdachte, heeft uitgeleend aan de verdachte;
  • de verdachte heeft bij de douane verklaard dat hij van zowel [de zus van verdachte] als [naam zwager] een bedrag van € 5.000,- heeft geleend, maar [de zus van verdachte] en [naam zwager] hebben verklaard dat deze verdeling anders zou zijn, namelijk € 8.000,- van [de zus van verdachte] en € 2.000,- van [naam zwager].
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor beschreven tegenstrijdigheden zodanige twijfels oproepen dat dit geen redelijke verklaring kan bieden voor de herkomst van het geldbedrag van € 10.000,-. Daar komt bij dat de verdachte, zo blijkt uit een chatgesprek met [de zus van verdachte], een schriftelijke verklaring heeft opgemaakt en toegestuurd aan [de zus van verdachte] met het verzoek deze met pen over te schrijven. Daarover heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij in grote lijnen [de zus van verdachte] heeft verteld wat zij schriftelijk moest verklaren. De rechtbank acht de verklaringen van de verdachte, [de zus van verdachte] en [naam zwager], over de geldlening, mede in het licht van het voorgaande, niet geloofwaardig en is van oordeel dat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk dit geldbedrag van € 10.000 heeft geleend van [de zus van verdachte] en [naam zwager].
(ii) De verklaringen van de verdachte over het overige gedeelte van € 20.000,-
Ten aanzien van het resterende gedeelte van het contante geldbedrag, te weten € 20.000,-, heeft de verdachte op 21 maart 2022 aanvankelijk schriftelijk verklaard dat dit spaargeld is, afkomstig uit overgebleven geld van de verbouwing van zijn woning, uit zijn gestaakte onderneming, en uit de verkoop van goud van de bruidsschat, en deels spaargeld van zijn echtgenoot [medeverdachte A] ([medeverdachte A]) is. Ter terechtzitting heeft de verdachte deze verklaring gewijzigd, in die zin dat hij heeft verklaard dat hij dit geld verdiend heeft met arbeid waarvoor geen inkomsten bij de Belastingdienst zijn opgegeven (zwart werk) en met gokwinsten die door hem zijn behaald. Hij heeft niet gespecificeerd welk bedrag ziet op zwart werk en welk bedrag op gokwinsten. Over het zwart werk heeft hij verklaard dat hij zijn diensten op bijvoorbeeld Marktplaats heeft aangeboden, maar hij heeft niet geconcretiseerd wat voor diensten hij heeft aangeboden en bij wie, waar en voor welke bedragen hij zwart heeft gewerkt. Over zijn gokwinsten heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij deze heeft behaald door met vrienden/bekenden onderling te gokken en niet op een officiële plek of online. Met zijn vrienden/bekenden heeft hij geen telefonisch of app contact gehad over het plannen van zo’n gokbijeenkomst.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring over het verrichten van zwart werk pas op zitting en dus in een laat stadium is gegeven. Daarnaast bevat deze verklaring geen enkel concreet verifieerbaar element waaruit blijkt bij wie, waar en wanneer hij zwart heeft gewerkt en wat hij daarmee heeft verdiend.
De rechtbank stelt verder vast dat de verklaring van de verdachte ter terechtzitting over de gokwinsten niet is onderbouwd en dus niet concreet en evenmin verifieerbaar is. De verdachte heeft niet onderbouwd met wie, op welke locaties en op welke wijze hij gokte. Deze verklaring bevatte hierdoor geen informatie op basis waarvan het Openbaar Ministerie nader onderzoek zou kunnen (doen) instellen. Daar komt bij dat door het Openbaar Ministerie in het kader van de ontnemingsprocedure eerder onderzoek is gedaan naar de gokwinsten van de verdachte. Bij dit onderzoek zijn de telefoon en de laptop van de verdachte onderzocht, maar hierbij is niets aangetroffen dat duidt op gokken of gokwinsten die door de verdachte zijn behaald. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het uitzonderlijk is dat een persoon structureel nettowinsten behaalt met kansspelen (ECLI:NL:PHR:2017:1469). Daar komt bij dat de verdachte in strijd met zijn verklaring ter terechtzitting eerder heeft verklaard dat de gokwinsten deels afkomstig waren uit gokautomaten.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de verdachte over de herkomst van het contante geldbedrag van € 20.000,- niet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Het Openbaar Ministerie was daarom ook niet gehouden nader onderzoek te verrichten.
Tussenconclusie
De verdachte heeft voor het contante geldbedrag van € 30.000, kort gezegd, twee verklaringen gegeven: € 10.000 aan geldleningen en € 20.000 aan zwart werk en gokwinsten. Door het Openbaar Ministerie is, zoals hiervoor weergegeven, onderzoek gedaan naar de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte dat het bedrag van € 10.000,- is geleend van [de zus van verdachte] en [naam zwager]. Op basis van de inconsistenties die volgen uit dat onderzoek is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden van witwassen door de verklaring van de verdachte niet is weerlegd. Voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij € 20.000,- heeft verdiend met zwart werk en gokwinsten, heeft de rechtbank hiervoor vastgesteld dat deze verklaringen niet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Het Openbaar Ministerie was daarom ook niet gehouden hier onderzoek naar te verrichten. Dat heeft het Openbaar Ministerie, voor wat betreft de gokwinsten, wel gedaan, maar dat heeft niet geleid tot bevindingen die de verklaring van de verdachte ondersteunen. De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat het in redelijkheid niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 30.000,- dat is aangetroffen bij de verdachte op Schiphol onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 138.235,-
Vermoeden van witwassen
Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een
criminele herkomst van het in de tenlastelegging opgenomen geldbedrag van € 138.235,-. Ook voor dit bedrag is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een witwasindicator, te weten de uitkomst van de kasopstelling. Het Openbaar Ministerie heeft op basis van die kasopstelling geconstateerd dat in de periode 2017 t/m 2022 voor een bedrag van in totaal € 154.273,17 aan contante stortingen op bankrekeningen van de verdachte zijn gedaan waarvoor geen legale bron aanwezig lijkt te zijn. Dit rechtvaardigt een vermoeden van witwassen jegens de verdachte.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft over de herkomst van het geldbedrag van € 138.235,- verklaard dat dit het bedrag is dat hij over de periode 2017 tot en met 2022 heeft verdiend met gokken. De rechtbank is – onder verwijzing naar hetgeen eerder is overwogen over de verklaring van de verdachte over de gokwinsten – van oordeel dat deze verklaring niet concreet, verifieerbaar en bovendien op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het Openbaar Ministerie was daarom ook niet gehouden nader onderzoek te verrichten.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat het in redelijkheid niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging vermelde geldbedragen (onmiddellijk of middellijk) afkomstig waren uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.
De verdachte heeft gedurende een periode van vijf jaar met grote regelmaat contante bedragen op zijn bankrekening gestort en gebruikt voor het doen van uitgaven. Gezien de stelselmatigheid waarmee de verdachte contante bedragen op zijn rekening heeft gestort, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat de verdachte zich samen met zijn partner dan wel anderen schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat medeplegen niet kan worden bewezen.
3.3.4
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 (hypotheekfraude)
Vaststellingen
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] een hypotheek hebben aangevraagd bij de Rabobank. Voor deze aanvraag hebben zij documenten aangeleverd, waaronder een arbeidsovereenkomst op naam van de medeverdachte [medeverdachte A] met werkgever '[bedrijf A]' per 1 mei 2017 en een arbeidsovereenkomst op naam van de verdachte met werkgever '[bedrijf B]' per 1 april 2017. Op basis van deze documenten heeft de Rabobank een offerte uitgebracht. Deze offerte hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] op 25 oktober 2017 ondertekend, waarna de Rabobank aan hen een hypothecaire geldlening van in totaal € 318.150,- heeft verstrekt.
Fictieve dienstverbanden
De rechtbank is van oordeel dat de medeverdachte [medeverdachte A] in werkelijkheid nooit in dienst is geweest bij '[bedrijf A]'. Dit leidt de rechtbank af uit de inhoud van de chatgesprekken van 31 juli 2017, 3 augustus 2017 en 2 november 2017 tussen de verdachte en [naam zwager] (de zwager van de verdachte en tevens eigenaar van het bedrijf '[bedrijf A]'). De rechtbank interpreteert deze berichten zo dat hier wordt gesproken over het vervalsen van de werkgeversverklaring voor de medeverdachte [medeverdachte A], hoe zogenaamde salarisstortingen aan [medeverdachte A] direct contant zouden worden terugbetaald, en hoe lang de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] op papier in dienst moesten blijven. De rechtbank wijst ook op het gesprek van 3 augustus 2017 waarin de verdachte aan [naam zwager] vraagt of hij een bedrijfsstempel heeft van ‘[bedrijf A]’ omdat ‘ze’ daarom kunnen vragen. [naam zwager] reageert dat hij deze niet heeft, waarop de verdachte even later stuurt dat hij de stempel gelijk heeft laten maken. De rechtbank stelt vast dat op de bij de Rabobank aangeleverde arbeidsovereenkomst een bedrijfsstempel is te zien, terwijl deze arbeidsovereenkomst zou zijn ondertekend op 24 april 2017. Daarnaast is opvallend dat de medeverdachte [medeverdachte A] in 2017 in dienst bij [naam zwager] zou zijn geweest en salaris van hem zou hebben ontvangen, terwijl uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat [naam zwager] een negatief verzamelinkomen had in dat jaar.
De rechtbank is ook van oordeel dat de verdachte in werkelijkheid nooit in dienst is geweest bij '[bedrijf B]'. Dit leidt de rechtbank eveneens af uit de inhoud van de eerder genoemde chatgesprekken tussen de verdachte en [naam zwager]. Op 2 november 2017 stuurt de verdachte ook nog het volgende bericht aan [naam zwager]:
''Bij mij moet het op dezelfde wijze gebeuren''. Hieruit leidt de rechtbank af dat een zelfde schijnconstructie ook voor de verdachte is opgezet. Verder blijkt uit onderzoek naar de locatie van de telefoon van de verdachte dat zijn telefoon in de periode waarin de verdachte in dienst zou zijn geweest bij '[bedrijf B]' geen enkele keer op of nabij zijn werkadres in Utrecht heeft gelogd, terwijl de verdachte zelf heeft verklaard dat hij ontslag heeft genomen bij '[bedrijf B]' omdat hij te vaak op kantoor aanwezig moest zijn.
Opzet
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de verdachte geen sprake is geweest van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, maar hooguit van nalatigheid door niet aan de Rabobank door te geven dat de verdachte bij het ondertekenen niet meer in dienst was van ‘[bedrijf B]’. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] nooit in dienst zijn geweest bij de door hen opgegeven werkgevers en dat de verdachte actief (deels samen met [naam zwager]) fictieve arbeidsovereenkomsten heeft opgesteld. Gelet hierop kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat zij wisten dat de door hen overgelegde arbeidsovereenkomsten fictief waren en desondanks hebben overgelegd voor het verkrijgen van een hypotheek.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte heeft – zoals hiervoor beschreven - een initiërende en leidende rol gehad bij het opzetten van de fictieve dienstverbanden. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] hebben de hypotheekofferte vervolgens beide ondertekend, terwijl zij beide wisten dat zowel hun eigen dienstverband als het dienstverband van de ander niet bestond. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat de Rabobank als gevolg van listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] is bewogen tot het verstrekken van een hypothecaire geldlening met een totaalbedrag van € 318.150,-. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan oplichting.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1
hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2022 in Nederland meerdere grote geldbedragen, met een opgetelde waarde van ongeveer:
- 30.000 euro (aangetroffen bij [verdachte] op 20 februari 2022 te Schiphol) en
- 138.235 euro (door [verdachte] benoemd als gokwinsten binnen voornoemde periode),
voorhanden heeft gehad en/of gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
feit 2
primairhij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 25 oktober 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Rabobank heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten het verstrekken van een hypothecaire geldlening van in totaal: 318.150 euro, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk:
- een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden op naam van [medeverdachte A] bij werkgever '[bedrijf A]' per 01 mei 2017, aan de Rabobank aangeleverd en
- een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden op naam van [verdachte] bij werkgever '[bedrijf B]' per 01 april 2017, aan de Rabobank aangeleverd,
- op basis waarvan de Rabobank een offerte heeft uitgebracht voor een hypotheek ter hoogte van 318.150 euro en hij, verdachte, en zijn medeverdachte vervolgens deze offerte hebben ondertekend op 25 oktober 2017 en nadien deze offerte hebben ingestuurd aan de Rabobank,
- terwijl verdachte en zijn medeverdachte in werkelijkheid toen nooit in dienst zijn geweest bij [bedrijf A] respectievelijk [bedrijf B], waardoor de Rabobank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
feit 3
hij op 20 februari 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het doen van schriftelijke aangifte, zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005, immers heeft hij toen en daar geen aangifte gedaan, terwijl hij die Unie verliet en liquide middelen ten bedrage van EUR 10.000,- of meer vervoerde, te weten een geldbedrag van in totaal 30.155 euro.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken;
feit 2 primair:
medeplegen van oplichting;
feit 3:
opzettelijke overtreding van artikel 10:1, lid 4, van de Algemene Douanewet.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar strafeis geen rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, omdat de verdachte deze overschrijding zelf in de hand heeft gewerkt door wisselende verklaringen af te leggen waardoor het Openbaar Ministerie steeds nader onderzoek moest doen naar deze verklaringen, aldus de officier van justitie.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met het vormverzuim, de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hierbij heeft de raadsman in het bijzonder gewezen op de financiële en emotionele gevolgen die de strafvervolging reeds voor de verdachte en zijn gezin hebben gehad. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om in het kader van de strafmaat bij het benadelingsbedrag alleen uit te gaan van het bedrag dat de verdachte zou hebben witgewassen en niet het bedrag van de oplichting hierin mee te nemen. Gelet hierop heeft de raadsman verzocht een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 13 mei 2026.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van vijf jaar schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van in totaal ruim € 168.000,-. Dit bedrag is deels contant bij de verdachte aangetroffen tijdens een douanecontrole op Schiphol en voor een ander gedeelte bij het opstellen van de kasopstelling als contante stortingen geconstateerd bij gegevens van de bankrekeningen van de verdachte. Door het witwassen heeft de verdachte opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie willen onttrekken. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, ook vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, en is daarmee schadelijk voor de samenleving. Dit witwassen speelt bovendien (deels) in een internationale context. De verdachte heeft immers opzettelijk geen aangifte gedaan bij de douane voor het meenemen van een geldbedrag van ruim € 30.000 naar een land buiten de Europese Unie, terwijl hij daartoe wel verplicht was. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte de controle door de douane op de uitvoer van liquide middelen ontdoken.
De verdachte heeft zich daarnaast, samen met een ander, schuldig gemaakt aan hypotheekfraude door oplichting van de Rabobank. De verdachte en zijn partner hebben voor de hypotheekaanvraag arbeidsovereenkomsten ingediend, terwijl zij beide nooit in dienst zijn geweest bij de door hen opgegeven werkgevers. Mede op basis van deze documenten heeft de Rabobank aan de verdachte en zijn partner een hypothecaire geldlening ter hoogte van € 318.150,- verstrekt. Hypothecaire geldleningen spelen een belangrijke rol in het economische verkeer. Dergelijk handelen tast het vertrouwen aan dat verstrekkers van hypothecaire leningen moeten kunnen stellen in de aan hen verstrekte stukken en dit kan leiden tot grote financiële schade. Meer in het algemeen schaadt een dergelijke handelwijze het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer gesteld moet kunnen worden in documenten die strekken tot het bewijs van de daarin vermelde feiten. De verdachte heeft niet alleen misbruik gemaakt van dit vertrouwen, maar ook een initiërende en leidende rol gehad bij het plegen van dit feit. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat niet is gebleken dat voor de Rabobank door het bewezen verklaarde handelen financieel nadeel is ontstaan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 11 mei 2022. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen
twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is
van bijzondere omstandigheden. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in deze zaak
niet gebleken.
De rechtbank is van oordeel dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 20 februari 2022, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. Het eindvonnis wordt op 11 juni 2026 gewezen. De rechtbank stelt de duur van de overschrijding van de redelijke termijn daarom vast op ruim twee jaar en drie maanden. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding deels is ingegeven doordat de verdachte steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd, waardoor het Openbaar Ministerie nader onderzoek moest doen. Bij de vraag in welke mate de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin moet worden meegewogen, zal de rechtbank, gelet op deze bijzondere omstandigheden, rekening houden met de helft van de overschrijding, te weten een periode van dertien maanden. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze overschrijding moet worden gecompenseerd in de strafoplegging.
De op te leggen straf
De rechtbank komt tot de conclusie dat de aard, ernst en de negatieve maatschappelijke gevolgen van de bewezen verklaarde feiten zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat gelet hierop niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en naar straffen die in (enigszins) vergelijkbare zaken worden opgelegd. Gelet hierop acht de rechtbank een aanzienlijk kortere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, aangewezen. De rechtbank gaat bij de straftoemeting uit van het bewezen verklaarde gewoontewitwassen en neemt de oplichting niet afzonderlijk mee, omdat het zwaartepunt van de bewezen verklaarde strafbare feiten ligt bij het gewoontewitwassen. Daarbij is mede rekening gehouden met de omstandigheid dat de Rabobank geen financieel nadeel heeft geleden. De oriëntatiepunten noemen voor fraude met een benadelingsbedrag tussen de € 125.000 en € 250.000 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden. De rechtbank vindt in dit geval in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden passend en geboden. De rechtbank houdt in strafmatigende zin echter rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van acht maanden moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat een gedeelte van het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag, te weten een bedrag van € 30.000,-, verbeurd moet worden verklaard. De rechtbank overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde feit met betrekking tot voornoemd geldbedrag, dat aan de verdachte toebehoort, is begaan.
8.
Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
De rechtbank is, gelet op wat zij over het witwasvermoeden onder 3.3.3 heeft overwogen, van oordeel dat het andere gedeelte van het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag, te weten een bedrag van € 155,-, moet worden teruggegeven aan de verdachte.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
  • 33, 33a, 47, 57, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht; en
  • 10:1 van de Algemene Douanewet.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 [acht] maanden;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd:
- 30.000 EUR (omschrijving: PL2700-22-013979-3);
gelast de teruggave aan de verdachte van:
- 150 EUR (omschrijving: PL2700-22-013979-3); en
- 5 EUR (omschrijving: PL2700-22-013979-4).
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,
mr. S. Mac Donald en mr. P.E.A. Chao, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026.