3.3.3Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 (witwassen)
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van witwassen moet vast komen te staan dat het in de tenlastelegging vermelde voorwerp middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat ook wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden.
Wanneer op grond van de bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien sprake is een of meerdere witwasindicatoren en de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Als sprake is van witwasindicatoren die een vermoeden rechtvaardigen dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde voorwerpen die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 30.155,-
Vermoeden van witwassen
Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een brondelict waaruit het in de tenlastelegging opgenomen geldbedrag van € 30.155,- afkomstig is. De vraag die de rechtbank bij haar beoordeling van de verdenking van witwassen dan moet beantwoorden, is daarom allereerst of sprake is van witwasindicatoren die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 20 februari 2022 op de luchthaven Schiphol was om uit te reizen naar Istanboel, Turkije. Tijdens een douanecontrole werd in de ruimbagage van de verdachte, tussen kleding en verdeeld over zes enveloppen, een contant geldbedrag aangetroffen van in totaal € 27.500,- bestaande uit coupures van vijftig euro. Daarnaast werd in zijn handbagage, een laptoptas, een enveloppe aangetroffen met een contant geldbedrag van € 2.500,- bestaande uit coupures van vijftig euro. In deze laptoptas zat ook een pasjeshouder met daarin een contant geldbedrag van € 155,-. Desgevraagd antwoordde de verdachte in eerste instantie dat hij met een bedrag van € 2.500,- reisde en dat hij niet meer geld bij zich had dan dat bedrag. Pas nadat hij werd geconfronteerd met het geldbedrag dat in zijn ruimbagage was gevonden, verklaarde hij dat hij met een groter geldbedrag reisde. De verdachte heeft bij de douane geen aangifte gedaan voor het meenemen van dit geldbedrag naar een land buiten de Europese Unie.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de € 155,- die is aangetroffen in de pasjeshouder van de verdachte geen sprake is van een witwasindicator. De rechtbank is het met de raadsman eens dat dit geldbedrag niet op een ongebruikelijke plek is aangetroffen. De rechtbank gaat daarom bij het bij de verdachte op Schiphol aangetroffen geldbedrag uit van een geldbedrag van in totaal € 30.000,-.
Gelet op de eerdergenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat voor dit geldbedrag een vermoeden van witwassen jegens de verdachte gerechtvaardigd is. Het is hoogst ongebruikelijk om een dergelijk groot contant bedrag op reis mee te nemen, verdeeld over verschillende enveloppen in een koffer die wordt ingecheckt voor de ruimbagage, mede gelet op het risico van verlies van dat bedrag, Daarbij komt dat voor dat bedrag ook geen aangifte was gedaan bij de douane.
Verklaringen van de verdachte
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de (legale) herkomst van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag.
(i) De verklaring van de verdachte over het gedeelte van € 10.000,-
De verdachte heeft bij de douane op 20 februari 2022 verklaard dat hij € 10.000,- van het in totaal op Schiphol bij hem aangetroffen contante geldbedrag heeft geleend van zijn zus
[de zus van verdachte] (hierna: [de zus van verdachte]) en zijn zwager [naam zwager] (hierna: [naam zwager]). Hij heeft een bedrag van € 5.000,- geleend van [de zus van verdachte]. Dit geld heeft hij ontvangen in coupures van vijftig euro. Van [naam zwager] heeft hij ook € 5.000,- geleend, dat hij ook heeft ontvangen in coupures van vijftig euro. Bij zijn verhoren heeft verklaard dat hij deze bedragen op hetzelfde moment heeft ontvangen. Hij weet niet meer precies wanneer dit was, maar dit was minimaal een paar maanden voor zijn geplande reis naar Turkije op 20 februari 2022.
Door het Openbaar Ministerie is onderzoek gedaan naar de verklaringen van de verdachte. Op 20 februari 2022 hebben medewerkers van de Koninklijke Marechaussee telefonisch contact opgenomen met [de zus van verdachte]. Zij heeft aanvankelijk verklaard dat zij twee dagen voor de geplande reis (18 februari 2022) € 8.000,- in coupures van honderd euro heeft uitgeleend aan de verdachte. Bij het tweede telefonisch contact later die dag verklaarde zij dat hier ook een aantal coupures van vijftig euro bij zaten. Over de verdeling van coupures van vijftig en honderd euro verklaarde [de zus van verdachte] desgevraagd dat het merendeel briefjes van vijftig euro waren. Na dit telefonisch contact heeft zij een e-mail gestuurd waarin staat dat ook haar man, [naam zwager], een bedrag van € 2.000,- aan de verdachte heeft uitgeleend. Op 21 maart 2022 heeft de raadsman van de verdachte een schriftelijke verklaring van [de zus van verdachte] en [naam zwager] overgelegd waarin wordt bevestigd dat [de zus van verdachte] een bedrag van € 8.000,- aan de verdachte heeft uitgeleend en [naam zwager] een bedrag van € 2.000,-.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte en de onderbouwing daarvan het vermoeden van witwassen niet voldoende hebben weerlegd. De verklaringen van [de zus van verdachte] en [naam zwager] wijken op specifieke en essentiële punten af van de verklaring van de verdachte. Daarbij wijst de rechtbank in het bijzonder op de volgende onderdelen uit de verklaringen:
- de verdachte had enkel coupures van 50 euro bij zich en heeft bij de douane verklaard dat hij het geleende geld ook heeft ontvangen in coupures van 50 euro. [de zus van verdachte] heeft echter verklaard dat zij het bedrag geheel althans deels in coupures van 100 euro heeft uitgeleend aan de verdachte;
- de verdachte heeft bij de douane verklaard dat hij het geleende geld minimaal een paar maanden geleden heeft ontvangen, terwijl [de zus van verdachte] heeft verklaard dat zij dit bedrag op 18 februari 2022, slechts twee dagen voor de aanhouding van de verdachte, heeft uitgeleend aan de verdachte;
- de verdachte heeft bij de douane verklaard dat hij van zowel [de zus van verdachte] als [naam zwager] een bedrag van € 5.000,- heeft geleend, maar [de zus van verdachte] en [naam zwager] hebben verklaard dat deze verdeling anders zou zijn, namelijk € 8.000,- van [de zus van verdachte] en € 2.000,- van [naam zwager].
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor beschreven tegenstrijdigheden zodanige twijfels oproepen dat dit geen redelijke verklaring kan bieden voor de herkomst van het geldbedrag van € 10.000,-. Daar komt bij dat de verdachte, zo blijkt uit een chatgesprek met [de zus van verdachte], een schriftelijke verklaring heeft opgemaakt en toegestuurd aan [de zus van verdachte] met het verzoek deze met pen over te schrijven. Daarover heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij in grote lijnen [de zus van verdachte] heeft verteld wat zij schriftelijk moest verklaren. De rechtbank acht de verklaringen van de verdachte, [de zus van verdachte] en [naam zwager], over de geldlening, mede in het licht van het voorgaande, niet geloofwaardig en is van oordeel dat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk dit geldbedrag van € 10.000 heeft geleend van [de zus van verdachte] en [naam zwager].
(ii) De verklaringen van de verdachte over het overige gedeelte van € 20.000,-
Ten aanzien van het resterende gedeelte van het contante geldbedrag, te weten € 20.000,-, heeft de verdachte op 21 maart 2022 aanvankelijk schriftelijk verklaard dat dit spaargeld is, afkomstig uit overgebleven geld van de verbouwing van zijn woning, uit zijn gestaakte onderneming, en uit de verkoop van goud van de bruidsschat, en deels spaargeld van zijn echtgenoot [medeverdachte A] ([medeverdachte A]) is. Ter terechtzitting heeft de verdachte deze verklaring gewijzigd, in die zin dat hij heeft verklaard dat hij dit geld verdiend heeft met arbeid waarvoor geen inkomsten bij de Belastingdienst zijn opgegeven (zwart werk) en met gokwinsten die door hem zijn behaald. Hij heeft niet gespecificeerd welk bedrag ziet op zwart werk en welk bedrag op gokwinsten. Over het zwart werk heeft hij verklaard dat hij zijn diensten op bijvoorbeeld Marktplaats heeft aangeboden, maar hij heeft niet geconcretiseerd wat voor diensten hij heeft aangeboden en bij wie, waar en voor welke bedragen hij zwart heeft gewerkt. Over zijn gokwinsten heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij deze heeft behaald door met vrienden/bekenden onderling te gokken en niet op een officiële plek of online. Met zijn vrienden/bekenden heeft hij geen telefonisch of app contact gehad over het plannen van zo’n gokbijeenkomst.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring over het verrichten van zwart werk pas op zitting en dus in een laat stadium is gegeven. Daarnaast bevat deze verklaring geen enkel concreet verifieerbaar element waaruit blijkt bij wie, waar en wanneer hij zwart heeft gewerkt en wat hij daarmee heeft verdiend.
De rechtbank stelt verder vast dat de verklaring van de verdachte ter terechtzitting over de gokwinsten niet is onderbouwd en dus niet concreet en evenmin verifieerbaar is. De verdachte heeft niet onderbouwd met wie, op welke locaties en op welke wijze hij gokte. Deze verklaring bevatte hierdoor geen informatie op basis waarvan het Openbaar Ministerie nader onderzoek zou kunnen (doen) instellen. Daar komt bij dat door het Openbaar Ministerie in het kader van de ontnemingsprocedure eerder onderzoek is gedaan naar de gokwinsten van de verdachte. Bij dit onderzoek zijn de telefoon en de laptop van de verdachte onderzocht, maar hierbij is niets aangetroffen dat duidt op gokken of gokwinsten die door de verdachte zijn behaald. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het uitzonderlijk is dat een persoon structureel nettowinsten behaalt met kansspelen (ECLI:NL:PHR:2017:1469). Daar komt bij dat de verdachte in strijd met zijn verklaring ter terechtzitting eerder heeft verklaard dat de gokwinsten deels afkomstig waren uit gokautomaten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de verdachte over de herkomst van het contante geldbedrag van € 20.000,- niet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Het Openbaar Ministerie was daarom ook niet gehouden nader onderzoek te verrichten.
Tussenconclusie
De verdachte heeft voor het contante geldbedrag van € 30.000, kort gezegd, twee verklaringen gegeven: € 10.000 aan geldleningen en € 20.000 aan zwart werk en gokwinsten. Door het Openbaar Ministerie is, zoals hiervoor weergegeven, onderzoek gedaan naar de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte dat het bedrag van € 10.000,- is geleend van [de zus van verdachte] en [naam zwager]. Op basis van de inconsistenties die volgen uit dat onderzoek is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden van witwassen door de verklaring van de verdachte niet is weerlegd. Voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij € 20.000,- heeft verdiend met zwart werk en gokwinsten, heeft de rechtbank hiervoor vastgesteld dat deze verklaringen niet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Het Openbaar Ministerie was daarom ook niet gehouden hier onderzoek naar te verrichten. Dat heeft het Openbaar Ministerie, voor wat betreft de gokwinsten, wel gedaan, maar dat heeft niet geleid tot bevindingen die de verklaring van de verdachte ondersteunen. De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat het in redelijkheid niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 30.000,- dat is aangetroffen bij de verdachte op Schiphol onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 138.235,-
Vermoeden van witwassen
Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een
criminele herkomst van het in de tenlastelegging opgenomen geldbedrag van € 138.235,-. Ook voor dit bedrag is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een witwasindicator, te weten de uitkomst van de kasopstelling. Het Openbaar Ministerie heeft op basis van die kasopstelling geconstateerd dat in de periode 2017 t/m 2022 voor een bedrag van in totaal € 154.273,17 aan contante stortingen op bankrekeningen van de verdachte zijn gedaan waarvoor geen legale bron aanwezig lijkt te zijn. Dit rechtvaardigt een vermoeden van witwassen jegens de verdachte.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft over de herkomst van het geldbedrag van € 138.235,- verklaard dat dit het bedrag is dat hij over de periode 2017 tot en met 2022 heeft verdiend met gokken. De rechtbank is – onder verwijzing naar hetgeen eerder is overwogen over de verklaring van de verdachte over de gokwinsten – van oordeel dat deze verklaring niet concreet, verifieerbaar en bovendien op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het Openbaar Ministerie was daarom ook niet gehouden nader onderzoek te verrichten.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat het in redelijkheid niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging vermelde geldbedragen (onmiddellijk of middellijk) afkomstig waren uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.
De verdachte heeft gedurende een periode van vijf jaar met grote regelmaat contante bedragen op zijn bankrekening gestort en gebruikt voor het doen van uitgaven. Gezien de stelselmatigheid waarmee de verdachte contante bedragen op zijn rekening heeft gestort, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat de verdachte zich samen met zijn partner dan wel anderen schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat medeplegen niet kan worden bewezen.
3.3.4Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 (hypotheekfraude)
Vaststellingen
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] een hypotheek hebben aangevraagd bij de Rabobank. Voor deze aanvraag hebben zij documenten aangeleverd, waaronder een arbeidsovereenkomst op naam van de medeverdachte [medeverdachte A] met werkgever '[bedrijf A]' per 1 mei 2017 en een arbeidsovereenkomst op naam van de verdachte met werkgever '[bedrijf B]' per 1 april 2017. Op basis van deze documenten heeft de Rabobank een offerte uitgebracht. Deze offerte hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] op 25 oktober 2017 ondertekend, waarna de Rabobank aan hen een hypothecaire geldlening van in totaal € 318.150,- heeft verstrekt.
Fictieve dienstverbanden
De rechtbank is van oordeel dat de medeverdachte [medeverdachte A] in werkelijkheid nooit in dienst is geweest bij '[bedrijf A]'. Dit leidt de rechtbank af uit de inhoud van de chatgesprekken van 31 juli 2017, 3 augustus 2017 en 2 november 2017 tussen de verdachte en [naam zwager] (de zwager van de verdachte en tevens eigenaar van het bedrijf '[bedrijf A]'). De rechtbank interpreteert deze berichten zo dat hier wordt gesproken over het vervalsen van de werkgeversverklaring voor de medeverdachte [medeverdachte A], hoe zogenaamde salarisstortingen aan [medeverdachte A] direct contant zouden worden terugbetaald, en hoe lang de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] op papier in dienst moesten blijven. De rechtbank wijst ook op het gesprek van 3 augustus 2017 waarin de verdachte aan [naam zwager] vraagt of hij een bedrijfsstempel heeft van ‘[bedrijf A]’ omdat ‘ze’ daarom kunnen vragen. [naam zwager] reageert dat hij deze niet heeft, waarop de verdachte even later stuurt dat hij de stempel gelijk heeft laten maken. De rechtbank stelt vast dat op de bij de Rabobank aangeleverde arbeidsovereenkomst een bedrijfsstempel is te zien, terwijl deze arbeidsovereenkomst zou zijn ondertekend op 24 april 2017. Daarnaast is opvallend dat de medeverdachte [medeverdachte A] in 2017 in dienst bij [naam zwager] zou zijn geweest en salaris van hem zou hebben ontvangen, terwijl uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat [naam zwager] een negatief verzamelinkomen had in dat jaar.
De rechtbank is ook van oordeel dat de verdachte in werkelijkheid nooit in dienst is geweest bij '[bedrijf B]'. Dit leidt de rechtbank eveneens af uit de inhoud van de eerder genoemde chatgesprekken tussen de verdachte en [naam zwager]. Op 2 november 2017 stuurt de verdachte ook nog het volgende bericht aan [naam zwager]:
''Bij mij moet het op dezelfde wijze gebeuren''. Hieruit leidt de rechtbank af dat een zelfde schijnconstructie ook voor de verdachte is opgezet. Verder blijkt uit onderzoek naar de locatie van de telefoon van de verdachte dat zijn telefoon in de periode waarin de verdachte in dienst zou zijn geweest bij '[bedrijf B]' geen enkele keer op of nabij zijn werkadres in Utrecht heeft gelogd, terwijl de verdachte zelf heeft verklaard dat hij ontslag heeft genomen bij '[bedrijf B]' omdat hij te vaak op kantoor aanwezig moest zijn.
Opzet
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de verdachte geen sprake is geweest van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, maar hooguit van nalatigheid door niet aan de Rabobank door te geven dat de verdachte bij het ondertekenen niet meer in dienst was van ‘[bedrijf B]’. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] nooit in dienst zijn geweest bij de door hen opgegeven werkgevers en dat de verdachte actief (deels samen met [naam zwager]) fictieve arbeidsovereenkomsten heeft opgesteld. Gelet hierop kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat zij wisten dat de door hen overgelegde arbeidsovereenkomsten fictief waren en desondanks hebben overgelegd voor het verkrijgen van een hypotheek.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte heeft – zoals hiervoor beschreven - een initiërende en leidende rol gehad bij het opzetten van de fictieve dienstverbanden. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] hebben de hypotheekofferte vervolgens beide ondertekend, terwijl zij beide wisten dat zowel hun eigen dienstverband als het dienstverband van de ander niet bestond. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat de Rabobank als gevolg van listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte A] is bewogen tot het verstrekken van een hypothecaire geldlening met een totaalbedrag van € 318.150,-. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan oplichting.