Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] de - op grond van de in de geldende splitsingsakte opgenomen breukdelen berekende - achterstallige (voorschot)bijdragen moet betalen en toestemming nodig had voor het (laten) vervangen en plaatsen van de buitenunits. De rechtbank wijst de vorderingen van de VvE grotendeels toe.
1.De procedure
2.De feiten
2. Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin het privé gedeelte beschikbaar is gesteld aan de betrokken eigenaar, zal door de eigenaar(s) ten behoeve van de vereniging bij wijze van voorschotbijdragen maandelijks aan de administrateur worden overgemaakt een/twaalfde gedeelte van zijn/hun na te vermelden aanslag in het onder 1 bedoelde bedrag, bij welk bedrag gevoegd wordt een/twaalfde gedeelte van het bedrag, dat de eigenaars uit hoofde van de in artikel 37 lid 7 bedoelde Pro omslag verschuldigd zijn, alsmede een door de vergadering te bepalen percentage van het totale bedrag van de begroting zulks tot het vormen van het reservefonds, hierna in artikel 31 omschreven Pro.(…)”
“(…)
2. De gemeenschappelijke baten moeten in dezelfde verhouding tussen eigenaars worden verdeeld.3. In gelijke verhouding zijn de eigenaars verplicht bij te dragen in – en zijn zij tegenover derden aansprakelijk voor – de gezamenlijke schulden, kosten en lasten, met uitzondering van de in lid 4 van dit artikel te omschrijven schulden, kosten en lasten, waarin de eigenaars van de appartementsrechten met de index-nummers [kadaster nummer 1], [kadaster nummer 2] en [kadaster nummer 3] niet verplicht zijn bij te dragen, en tegenover derden niet aansprakelijk.4. De in lid 3 van dit artikel bedoelde schulden, kosten en lasten, waarin de eigenaars van de appartementsrechten met de index-nummers 1,2 en 3 niet behoeven bij te dragen zijn: kosten van warmwatervoorzieningsinstallatie, centrale antenne, lift-installatie, hydrofoor, noodaggregaten, deurtelefoon-installaties, waterverbruik, drie/vierde gedeelte van het elektra-gebruik en de kosten van schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimten(…)
5. De vergadering van eigenaars kan in de lastenverdeling in de leden 3 en 4 van dit artikel nader uitgewerkt, wijziging brengen, indien blijkt dat aanpassing nodig is, omdat de appartementsrechten 1,2 en/of 3 tóch gebruik maken van de in lid 4 omschreven installaties, diensten en leveringen.”
- in de splitsingsakte is bepaald dat de eigenaars naar rato van hun breukdeel moeten bijdragen aan de gemeenschappelijke kosten;
- het standpunt van [gedaagde] dat de kosten gelijkelijk moeten worden verdeeld, onjuist is;
- het standpunt van [gedaagde] dat de breukdelen gebaseerd moeten zijn op de oppervlakte en dat de splitsingsakte daarop moet worden aangepast, ook onjuist is;
- in de splitsingsakte weliswaar niet is opgenomen wat de grondslag van de verdeling van de breukdelen is, maar dat dit ten tijde van het opstellen van de splitsingsakte ook niet verplicht was (zie artikel 5:113 lid 1 tweede Pro zin van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 172 lid 4 Overgangswet Pro NBW);
- de begroting over 2024 al zodanig is opgesteld dat de eigenaren van de bedrijfsruimten worden uitgezonderd van de kosten zoals omschreven in artikel 23 lid 4 van Pro de splitsingsakte;
- de eigenaren van de bedrijfsruimten vóór 2024 wel moesten meebetalen aan de dotatie groot-onderhoud, maar dat van die besluiten geen vernietiging is verzocht;
- het profijtbeginsel geen rol speelt;
- de begroting rechtsgeldig is vastgesteld en niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid is;
- [gedaagde] niet gerechtigd is haar verplichting tot betaling van (voorschot)bijdragen op te schorten.
- wijziging tot akte van splitsing;
- voorstel overstap verzekeringsmaatschappij;
- opmerkingen notulen ALV 08-04-2024;
- aanvraag/verzoek tot plaatsing extra buitenunit voor koel-verwarmingsinstallatie en afkoppeling blokverwarming.
“(…)
De heer [gedaagde] heeft een aanvraag gedaan voor ontkoppeling van de verwarmingsinstallatie en plaatsing van een nieuw verwarmingssysteem en vervanging van de huidige buiten-units voor airco/koeling. De heer [betrokkene] legt uit dat voor de aanwezige huidige installaties nimmer toestemming is gegeven door de vergadering. Ook vult de heer [betrokkene] aan, dat de heer [gedaagde] zijn aanvraag niet heeft onderbouwd met een plan van aanpak. De zware units worden op betonnen delen van de VvE gemonteerd en/of aan de gemetselde gevel. Of deze oude gevel de units constructief kan dragen, dient door een constructeur te worden berekend en schriftelijk worden vastgelegd. Daarbij dienen ook de spouwankers in de gevelmuren, die zorgen voor de constructieve versterking, te worden beoordeeld.De vergadering geeft niet eerder toestemming nadat een constructief rapport met installatietekeningen en de offerte met specificaties van de installatie (aantal dB’s) door [gedaagde] is aangeleverd en in een volgende vergadering ter besluitvorming wordt ingediend. Er dient in overleg met de VvE en RLD een constructeur aangewezen te worden, de kosten van dit constructief onderzoek zijn voor aanvrager [gedaagde].(…)
Het voorstel van [gedaagde] wordt hiermee afgewezen.”
- zij geen wettelijke mogelijkheid heeft om de splitsingsakte te wijzigen en het geven van een rechterlijk bevel evenmin aan de orde is, omdat geen van de in de wet genoemde gronden tot wijziging van de splitsingsakte zich voordoet;
- de door [gedaagde] voorgestelde wijziging van de splitsingsakte ook op inhoudelijke gronden niet aan de orde is, althans dat de daartoe door [gedaagde] aangedragen argumenten ontoereikend zijn, heeft de kantonrechter in zijn beschikking van 11 februari 2025 al gemotiveerd toegelicht;
- hierdoor het verzoek tot vrijstelling van de betalingsverplichting van [gedaagde] ook niet kan slagen, omdat het verzoek op de veronderstelling berust dat de splitsingsakte wordt gewijzigd, waarvan de kantonrechter geen machtiging kan en zal geven;
- [gedaagde] haar verzoek tot vernietiging van het besluit van de vergadering om de extra buitenunit niet toe te staan te laat heeft ingediend;
- ook op inhoudelijke gronden het verzoek tot vernietiging niet toegewezen zou zijn, omdat gesteld noch gebleken is dat het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid of met de splitsingsakte en het reglement.
3.Het geschil
- de hoofdsom van € 81.413,46;
- een bedrag aan wettelijke rente van € 6.775,52;
- een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 1.680,44 (inclusief btw),
alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding, tot aan de datum der algehele voldoening toe;
4.De beoordeling
Daarnaast zijn de door de ALV van de VvE voor de jaren 2021 tot en met 2026 op grond van de in de splitsingsakte vastgelegde breukdelen genomen besluiten ter vaststelling van de begroting en de hoogte van (voorschot)bijdragen niet aangetast. De kantonrechter van de rechtbank Amsterdam heeft het verzoek van [gedaagde] tot vernietiging c.q. nietigverklaring van de besluiten van de ALV van april 2024 bij de beschikking van 11 februari 2025 afgewezen. Deze besluiten en de besluiten ter vaststelling van de begroting en de hoogte van de (voorschot)bijdragen zijn dus geldig en uitgangspunt voor de rechtbank. [gedaagde] is daarom op grond van artikel 5:113 lid 2 BW Pro en artikel 18 lid 2 van Pro de splitsingsakte de door de ALV van de VvE vastgestelde en door de VvE gevorderde (voorschot)bijdragen vanaf 30 augustus 2021 tot en met 30 mei 2026 aan de VvE verschuldigd.
Als overwogen, is in de wet en de splitsingsakte bepaald dat appartementseigenaren in de schulden en de kosten, die voor rekening van de gezamenlijke appartementseigenaars komen, bijdragen in de verhouding die daarvoor geldt. Dat en op welke grondslag in deze situatie ruimte voor matiging bestaat, is niet toegelicht. De rechtbank zal dus niet tot matiging overgaan.
Verder heeft de VvE bij haar vermeerdering van eis het gevorderde bedrag aan verschenen wettelijke rente met een bedrag van € 370,48 vermeerderd. Dit bedrag is berekend over de periode vanaf 1 juli 2025 tot en met 5 mei 2026. Over dit bedrag is naar het oordeel van de rechtbank niet de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 lid 1 BW Pro vanaf de datum van de dagvaarding (7 juli 2025) toewijsbaar, maar vanaf 6 mei 2026. De rechtbank zal daarom de verschenen wettelijke rente en wettelijke rente toewijzen zoals vermeld in de beslissing.