ECLI:NL:RBNHO:2026:6218

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/15/373042 / HA ZA 25-819
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • C. Sijm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:408 lid 1 BWArt. 7:408 lid 2 BWArt. 6:238 lid 2 BWArt. 6:248 lid 1 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen opzegtermijn verplicht bij tussentijdse opzegging opdrachtovereenkomst door opdrachtgever

De zaak betreft een geschil tussen [eiser], een zelfstandig adviseur, en Pro-Act Finance B.V. over de opzegging van een opdrachtovereenkomst. De overeenkomst liep van 1 februari 2025 tot 30 november 2025, maar werd door Pro-Act tussentijds opgezegd nadat de klant SVn de opdracht beëindigde. [eiser] vorderde betaling van een vergoeding over een opzegtermijn van twee maanden, stellende dat deze termijn uit de tussen Pro-Act en SVn geldende voorwaarden voortvloeide en op haar van toepassing was.

De rechtbank oordeelde dat de opdrachtovereenkomst geen verplichting tot het in acht nemen van een opzegtermijn bevatte en dat Pro-Act op grond van artikel 3.5 onder a van de overeenkomst bevoegd was de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen, omdat de opdracht feitelijk was beëindigd. De tussen Pro-Act en SVn geldende opzegtermijn was niet van toepassing op [eiser].

Verder concludeerde de rechtbank dat de onmiddellijke opzegging niet onaanvaardbaar was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op het ondernemingsrisico van [eiser] en het feit dat zij nog twee weken betaald heeft gekregen na de beëindiging. De vorderingen van [eiser] werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat Pro-Act de overeenkomst zonder opzegtermijn mocht beëindigen en wijst de vorderingen van [eiser] af.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373042 / HA ZA 25-819
Vonnis van 27 mei 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam [bedrijf],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J.H. Bargeman,
tegen
PRO-ACT FINANCE B.V.,
te Haarlem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Pro-Act,
advocaten: mr. M.M.E. Span en mr. N.M.N. Klazinga.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 april 2026
- de akte overlegging producties met productie 9 van [eiser]
- de akte overlegging producties met productie 5 van Pro-Act
- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026, waarbij de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben voorgedragen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] exploiteert een eenmanszaak gericht op onder andere de advisering op het gebied van risk en compliance in de financiële sector. Pro-Act houdt zich bezig met het ter beschikking stellen van tijdelijke arbeidskrachten op het gebied van financiële dienstverlening.
2.2.
Pro-Act en [eiser] hebben op 28 januari 2025 een opdrachtovereenkomst gesloten, op grond waarvan [eiser] werkzaamheden heeft verricht voor een klant van Pro-Act, het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (SVn). De opdracht had een beoogde looptijd van 1 februari 2025 tot en met 30 november 2025.
2.3.
De opdrachtovereenkomst bevat, voor zover relevant, de volgende bepalingen:

b. SVn, hierna te noemen: de “Klant”, heeft Pro-Act verzocht een of meer arbeidskrachten aan haar ter beschikking te stellen voor het verrichten van werkzaamheden, hierna te noemen de “Opdracht”.
(…)
j. Nadere afspraken met betrekking tot de concrete Opdracht zullen in een bijlage bij deze Overeenkomst van Opdracht, hierna te noemen: de “Werkopdracht”, worden opgenomen. De Werkopdracht maakt uitdrukkelijk onderdeel uit van deze Overeenkomst van Opdracht.
(…)
Artikel 3 Aanvang Pro, duur en beëindiging van de Overeenkomst van Opdracht
3.1
Deze Overeenkomst van Opdracht wordt aangegaan voor de bepaalde tijd of voor de duur van het project zoals vermeld in de Werkopdracht en eindigt van rechtswege door het verstrijken van de overeengekomen tijd of door het eindigen van het project waarvoor Opdrachtnemer is ingeleend.
3.2
Pro-Act kan de Overeenkomst van Opdracht krachtens artikel 7:408 lid 1 BW Pro te allen tijde (tussentijds) opzeggen. Krachtens artikel 7:408 lid 2 BW Pro staat dit Opdrachtnemer niet vrij.
(…)
3.5
In afwijking van artikel 3.2 kan Pro-Act de Overeenkomst van Opdracht met onmiddellijke ingang opzeggen in de volgende gevallen:
a. indien en zodra de Klant de Opdracht beëindigt;
(…)
Artikel 6 Tarieven Pro en vergoedingen
(…)
6.4
Alleen de uren die daadwerkelijk door de Opdrachtnemer zijn gewerkt voor de Klant in het kader van de Werkopdracht worden aan Opdrachtnemer vergoed.
2.4.
De werkopdracht (bijlage 1 bij de opdrachtovereenkomst) bevat de specificaties van de opdracht. Verder zijn de aanvullende inkoopvoorwaarden van SVn opgenomen in de werkopdracht. Onderdeel van deze inkoopvoorwaarden is de volgende bepaling:

Overeenkomsten die voor een bepaalde periode zijn overeengekomen kunnen niet door Leverancier[Pro-Act]
worden opgezegd en door Eindklant[SVn]
tussentijds te allen tijde met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden.
2.5.
[eiser] heeft vanaf 1 februari 2025 tot 16 juni 2025 voor 36 uur per week werkzaamheden verricht voor SVn. Op 16 juni 2025 heeft SVn aan [eiser] meegedeeld dat zij niet meer terug hoefde te komen. P. Schmitz van SVn heeft in een e-mail van 20 juni 2025 het volgende aan [eiser] bericht:

Zoals we maandag met elkaar hebben besproken, is in goed overleg besloten om de samenwerking per direct te beëindigen. De leden van de werkgroep waarderen je vakkundigheid, maar ervaren je benaderingswijze als te corporate en de samenwerking mede daarom als stroef. Dat is voor alle betrokkenen jammer, maar we vinden het belangrijk dat een samenwerking voor beide partijen goed voelt en effectief verloopt.
Zoals besproken geldt een opzegtermijn van één maand. Binnen die periode kun je deze week en volgende week nog uren schrijven.
2.6.
J. Henn heeft de opzegging namens SVn op 24 juni 2025 per e-mail aan Pro-Act bevestigd en gevraagd of Pro-Act al een opvolg(st)er had gevonden.
2.7.
[eiser] heeft in een e-mail van 25 juni 2025 aan Pro-Act geschreven dat zij niet akkoord is gegaan met enige afwijking van de contractueel overeengekomen opzegtermijn van twee maanden en dat het voor haar van groot belang is dat de afspraken die zij met Pro-Act heeft gemaakt, volledig worden nageleefd.
2.8.
[eiser] heeft vanaf 16 juni 2025 nog twee weken uren geschreven, zonder daarvoor werkzaamheden te verrichten. Deze uren zijn uitbetaald.
2.9.
Pro-Act heeft de opdrachtovereenkomst met [eiser] op 27 juni 2025 per diezelfde datum opgezegd, onder verwijzing naar artikel 3.2 van de overeenkomst.
2.10.
J. Henn van SVn heeft in een brief van 29 april 2026 geschreven dat Pro-Act geen opvolger voor [eiser] heeft gevonden en dat de opdracht van Pro-Act bij SVn om deze reden feitelijk is geëindigd op 16 juni 2025.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van Pro-Act tot betaling van € 33.454,08, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Een redelijke en logische uitleg van het opzegbeding uit de opdrachtovereenkomst brengt met zich dat ProAct weliswaar op ieder moment mocht opzeggen, maar dat voor die opzegging in dit geval een opzegtermijn van twee maanden gold. [eiser] mocht er namelijk op vertrouwen dat de tussen SVn en Pro-Act geldende opzegtermijn (op grond van de aanvullende inkoopvoorwaarden van SVn) ook ten opzichte van haar in acht zou worden genomen. Deze opzegtermijn vloeit verder voort uit de gewoonte en/of de redelijkheid en billijkheid. [eiser] heeft daarom recht op vergoeding van haar uurtarief (€ 96,00 exclusief btw) × 36 uur per week over een periode van twee maanden.
3.3.
Pro-Act voert verweer. Pro-Act concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Pro-Act voert het volgende aan:
- Pro-Act was op grond van artikel 3.2 van de opdrachtovereenkomst bevoegd om de overeenkomst te allen tijde tussentijds op te zeggen. Omdat SVn de opdracht aan Pro-Act per 16 juni 2025 had beëindigd, was Pro-Act op grond van artikel 3.5 onder a bovendien bevoegd om dat met onmiddellijke ingang te doen.
- [eiser] kan geen rechten ontlenen aan de tussen SVn en Pro-Act geldende opzegtermijn, die blijkens een aparte overeenkomst tussen SVn en Pro-Act overigens één maand en niet twee maanden bedroeg.
- Er is geen ruimte voor het aannemen van een opzegtermijn op grond van de gewoonte en/of de redelijkheid en billijkheid. De regeling in artikel 3.5 onder a is een bewuste risicoallocatie, die inherent is aan de arbeidsbemiddelingsbranche.
- [eiser] is akkoord gegaan met het aanbod dat zij nog twee weken uren mocht schrijven.
- Ook als wel een opzegtermijn zou gelden, zou Pro-Act op grond van artikel 6.4 van de opdrachtovereenkomst alleen een vergoeding verschuldigd zijn over daadwerkelijk door [eiser] gewerkte uren. Na 16 juni 2025 heeft [eiser] niet gewerkt, zodat geen vergoeding is verschuldigd.
- Voor zover [eiser] schade heeft geleden waarvoor Pro-Act aansprakelijk is, geldt dat sprake is van eigen schuld. [eiser] heeft ook haar schadebeperkingsplicht geschonden.
3.5.
Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader in.

4.De beoordeling

Uitleg van de opdrachtovereenkomst
4.1.
Ter discussie staat of uit de opdrachtovereenkomst volgt dat Pro-Act jegens [eiser] een opzegtermijn in acht had moeten nemen. Bij de uitleg van de opdrachtovereenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [1]
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moet artikel 3 van Pro de opdrachtovereenkomst als volgt worden begrepen. Artikel 3.2 regelt niets meer dan al uit artikel 7:408 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt: Pro-Act kan als opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde (tussentijds) opzeggen. Dit artikel bepaalt niet dat een opzegtermijn in acht moet worden genomen, maar sluit dat ook niet uit. Artikel 3.5 begint met de woorden: “
In afwijking van artikel 3.2 (…)”. Deze afwijking bestaat eruit dat artikel 3.2 ruimte laat voor een verplichting om een opzegtermijn in acht te nemen, terwijl artikel 3.5 bepaalt dat in een aantal situaties in ieder geval met onmiddellijke ingang – en dus zonder inachtneming van een opzegtermijn – kan worden opgezegd.
4.3.
De overeenkomst vermeldt geen opzegtermijn die Pro-Act tegenover [eiser] in acht zou moeten nemen. Volgens [eiser] mocht zij erop vertrouwen dat de in de werkopdracht genoemde, tussen SVn en Pro-Act geldende, opzegtermijn van twee maanden ook tussen haar en Pro-Act zou gelden. [eiser] kan aan deze bepaling echter geen rechten ontlenen. Duidelijk is immers dat het hier de verhouding tussen Pro-Act en SVn betreft. [eiser] mocht er ook niet op vertrouwen dat Pro-Act SVn zou houden aan enige tussen hen geldende opzegtermijn. De enige contractuele bepaling die relevant is voor het antwoord op de vraag of Pro-Act verplicht was om jegens [eiser] een opzegtermijn in acht te nemen, is artikel 3 van Pro de opdrachtovereenkomst.
4.4.
[eiser] betoogt dat artikel 6:238 lid 2 BW Pro in dit geval van overeenkomstige toepassing is. Volgens die bepaling moet bij twijfel over de betekenis van een beding in een consumentenovereenkomst, de voor de wederpartij gunstigste uitleg prevaleren. De relevante bepalingen in de opdrachtovereenkomst zijn echter duidelijk geformuleerd en niet voor meerderlei uitleg vatbaar. Artikel 6:238 lid 2 BW Pro leent zich alleen daarom al niet voor toepassing.
Contractuele bevoegdheid tot onmiddellijke opzegging
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat Pro-Act niet op grond van de opdrachtovereenkomst verplicht was om zonder meer een opzegtermijn in acht te nemen. Volgens [eiser] kan die verplichting echter ook worden afgeleid uit de gewoonte en/of de redelijkheid en billijkheid. Voor het te hanteren toetsingskader is relevant of sprake is van een van de in artikel 3.5 van de opdrachtovereenkomst genoemde situaties. In dat geval was Pro-Act namelijk contractueel bevoegd tot onmiddellijke opzegging, zonder inachtneming van een opzegtermijn.
4.6.
Volgens Pro-Act is sprake van de in artikel 3.5 onder a genoemde situatie: “
indien en zodra de Klant de Opdracht beëindigt”. [eiser] betoogt daarentegen dat de beëindiging van haar inzet bij SVn niet inhoudt dat ook de ‘Opdracht’ (in de zin van artikel 3.5 onder a) is beëindigd, omdat tussen Pro-Act en SVn een raamovereenkomst bestond op basis waarvan één of meer arbeidskrachten konden worden ingezet bij SVn. Het einde van de inzet van [eiser] betekende daarom niet meteen het einde van de Opdracht, aldus [eiser].
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van de in artikel 3.5 onder a genoemde situatie, waardoor Pro-Act contractueel bevoegd was tot onmiddellijke opzegging, zonder inachtneming van een opzegtermijn. Vast staat namelijk dat Pro-Act, behalve [eiser], geen arbeidskrachten aan SVn ter beschikking heeft gesteld. De ‘Opdracht’ is gedefinieerd als het ter beschikking stellen van één of meer arbeidskrachten voor het verrichten van werkzaamheden. Vanaf 16 juni 2025, de dag waarop [eiser] van SVn te horen kreeg dat zij niet meer terug hoefde te komen, zijn vanuit Pro-Act geen arbeidskrachten meer ter beschikking gesteld. De ‘Opdracht’ is daarom wel degelijk beëindigd. Dat is vanuit SVn ook bevestigd: volgens J. Henn van SVn is de opdracht feitelijk geëindigd op 16 juni 2025.
4.8.
In deze situatie kan in het midden blijven op welk moment duidelijk was dat er vanuit Pro-Act geen opvolger voor [eiser] zou komen (volgens Pro-Act op 24 juni 2025, [eiser] betwist dat). In het midden kan ook blijven of, als er wel een opvolger zou zijn gekomen, sprake zou zijn geweest van een nieuwe opdracht tussen SVn en Pro-Act of een voortzetting van de eerdere opdracht (die specifiek op [eiser] lijkt te zien).
4.9.
Omdat Pro-Act contractueel bevoegd was tot onmiddellijke opzegging, kan, anders dan [eiser] betoogt, geen opzegtermijn worden aangenomen op grond van de gewoonte of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW Pro). Een contractuele bepaling kan namelijk niet op grond van alleen de gewoonte of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid worden ‘uitgeschakeld’. [2] Een verplichting tot het in acht nemen van een opzegtermijn kan in dit geval alleen worden aangenomen als de onmiddellijke opzegging van Pro-Act naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was (de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, artikel 6:248 lid 2 BW Pro).
Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid
4.10.
Beoordeeld moet dus worden of de onmiddellijke opzegging van Pro-Act naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Deze maatstaf moet terughoudend worden toegepast, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en van al hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd. [3]
4.11.
[eiser] beroept zich in dit verband – samengevat – op de volgende omstandigheden:
- In zogenoemde ‘freelancer-contracten’ is het hanteren van een opzegtermijn jegens de opdrachtnemer zeer gebruikelijk. De opdrachtnemer is voor de inkomsten namelijk in hoofdzakelijke mate afhankelijk van het werk dat wordt uitgevoerd op basis van de opdrachtovereenkomst.
- [eiser] heeft haar bedrijfsvoering volledig afgestemd op de looptijd van de opdrachtovereenkomst (tien maanden). Zij heeft zich hierop ook financieel ingesteld.
- Er was geen sprake van disfunctioneren.
- Het was voor [eiser] zeer lastig om snel weer een nieuwe opdracht te vinden, temeer nu de opzegging midden in de vakantieperiode heeft plaatsgevonden. Uiteindelijk heeft [eiser] pas na ruim twee maanden weer een nieuwe opdracht gevonden.
- [eiser] ging van een opzegtermijn van twee maanden uit, gelet op artikel 3.2 en 3.5 van de opdrachtovereenkomst en de in de werkopdracht gehanteerde opzegtermijn.
4.12.
De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden onvoldoende aanleiding vormen om te concluderen dat de onmiddellijke opzegging van Pro-Act naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. De rechtbank baseert dit oordeel op het volgende:
- Er is sprake van een overeenkomst tussen twee professionele partijen. [eiser] had kunnen onderhandelen over een opzegtermijn. Dat zij dit mogelijk niet heeft gedaan omdat zij er (ten onrechte, zie 4.3) van uitging dat de tussen SVn en Pro-Act geldende opzegtermijn van twee maanden ook tussen haar en Pro-Act zou gelden, komt voor haar risico.
- Of het hanteren van een opzegtermijn in ‘freelancer-contracten’ wel of niet gebruikelijk is, is in dit kader niet relevant. Partijen zijn geen opzegtermijn overeengekomen. Voor bepaalde situaties – waaronder de situatie die zich in deze zaak voordoet – is zelfs expliciet bepaald dat onmiddellijk kan worden opgezegd.
- [eiser] kreeg op 16 juni 2025 van SVn te horen dat zij niet meer terug hoefde te komen. Zij heeft vervolgens nog twee weken betaald gekregen. [eiser] kwam dus niet per direct zonder inkomen te zitten, maar wel op betrekkelijk korte termijn. Daarmee moest [eiser] echter rekening houden. Aan het zelfstandig ondernemerschap is namelijk een bepaald ondernemersrisico verbonden, waaronder (afhankelijk van de gemaakte afspraken) het risico van verlies van inkomsten als de opdrachtovereenkomst wordt beëindigd. Het uurtarief van een zelfstandig ondernemer is mede hierdoor doorgaans ook hoger dan van een werknemer in loondienst. Dat dit laatste ook in dit geval zo was heeft [eiser] niet betwist.
- Of wel of geen sprake was van disfunctioneren – partijen zijn het daarover oneens – is niet doorslaggevend. Ook als [eiser] zou worden gevolgd in haar stelling dat geen sprake was van disfunctioneren, zou gelet op het voorgaande worden geconcludeerd dat geen ruimte is voor toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Conclusie
4.13.
Pro-Act was niet verplicht om een opzegtermijn in acht te nemen. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. De overige standpunten van Pro-Act hoeven niet te worden behandeld.
Proceskosten
4.14.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Pro-Act worden begroot op:
- griffierecht
3.083,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.944,00
4.15.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.944,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sijm en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (
2.Vgl. HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763, r.o. 3.4 (
3.Vgl. HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:153, r.o. 3.1.2.