Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4437

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
HAA 25/3533
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 6.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 1 Algemene termijnenwetArt. 60 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling kinderopvangtoeslag na verschoonbare termijnoverschrijding

Belanghebbende diende een verzoek tot herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag in na de wettelijke aanmeldtermijn. Verweerder wees dit verzoek af wegens te late indiening. Belanghebbende stelde dat bijzondere omstandigheden, waaronder medische problemen, financiële zorgen en een lopende strafzaak, hem verhinderden tijdig te reageren.

De rechtbank overwoog dat de wetgever een harde deadline stelde om de hersteloperatie beheersbaar te houden, maar ook ruimte liet voor maatwerk bij bijzondere omstandigheden. De rechtbank achtte aannemelijk dat de opeenstapeling van persoonlijke en medische problemen een zodanig ontwrichtend effect had dat belanghebbende niet eerder kon aanvragen.

Daarom werd de termijnoverschrijding als verschoonbaar beoordeeld en werd het beroep gegrond verklaard. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder het verzoek alsnog inhoudelijk moet behandelen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat de te late aanvraag tot herbeoordeling van kinderopvangtoeslag alsnog inhoudelijk moet worden behandeld.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3533

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. R.T. Poort),
en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking de aanvraag van belanghebbende om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag afgewezen.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn partner [naam 1] en door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Bij besluit van 30 december 2024 is aan belanghebbende door verweerder een financiële compensatie van € 10.000,- toegekend op grond van de ex-toeslagpartnerregeling van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht). In de brief staat vermeld dat belanghebbende zich bij verweerder op 27 november 2024 heeft gemeld als ex-toeslagpartner.
2. Op 10 februari 2025 heeft belanghebbende telefonisch contact opgenomen met verweerder, wat door verweerder is aangemerkt als een verzoek tot herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag vanaf het jaar 2013, om vast te stellen of hij in aanmerking komt voor een vergoeding op grond van de Wht.
3. Bij besluit van 5 maart 2025 heeft verweerder het verzoek van belanghebbende afgewezen omdat het volgens verweerder te laat is ingediend. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Verweerder heeft met dagtekening 8 juli 2025 beslist op het bezwaar.
Geschil
4. In geschil is of verweerder het verzoek van belanghebbende tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag terecht heeft afgewezen vanwege de te late indiening daarvan.
5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat overschrijding van de aanmeldtermijn verschoonbaar is, zodat de situatie van belanghebbende in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag alsnog herbeoordeeld dient te worden door verweerder.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beslissing op bezwaar en tot wijziging van de beschikking waarbij wordt beslist dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn verzoek tot herbeoordeling. Belanghebbende verzoekt de rechtbank primair om verweerder op te dragen de herbeoordeling uit te voeren, subsidiair verzoekt belanghebbende om een beslissing in goede justitie. Tot slot verzoekt belanghebbende tot veroordeling van verweerder in de door hem gemaakte proceskosten.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, zodat de termijnoverschrijding bij het doen van de aanvraag om een herbeoordeling niet verschoonbaar is.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
7. Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Juridisch kader
8. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem of haar in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat ten aanzien van hem of haar de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die vóór 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
9. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, dient een aanvraag voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, vóór 1 januari 2024 te zijn ingediend. In 2023 valt 31 december 2023 (de laatste dag van de termijn) op een zondag. Nu de maandag daarop nieuwjaarsdag en dus een feestdag is, is de aanmeldtermijn verlengd tot 2 januari 2024, op grond van artikel 6.1, tweede lid, van de Wht, in samenhang gelezen met artikel 1 van Pro de Algemene termijnenwet. De uiterste aanvraagdatum is door de wetgever dwingend geformuleerd.
10. Uit de parlementaire geschiedenis van genoemde bepaling volgt dat het stellen van een harde aanmeldingsdeadline volgens de wetgever noodzakelijk is om de hersteloperatie beheersbaar en uitvoerbaar te houden. Zonder een dergelijke deadline zou de operatie onnodig kunnen worden uitgerekt, wat de uitvoerbaarheid zou bemoeilijken en de beschikbare middelen zou kunnen overbelasten. De wetgever heeft daarbij wel het volgende overwogen (Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 732, p. 2-3):
“Het kabinet zal daarom niet komen met een voorstel om de in de wet vastgelegde einddatum van 31 december 2023 te schrappen. Wel ziet het kabinet het belang van het helpen van ouders in bijzondere situaties en daar zal het kabinet dan ook voor zorgen.
(…)
Dat laat onverlet dat het kabinet van mening is dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden waardoor het niet eerder mogelijk was zich aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom heeft het kabinet besloten om in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, gekeken zal worden of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich op tijd aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De wetgever heeft daarbij geen voorbeelden geformuleerd, maar heeft deze ruimte opengelaten voor verweerder om hieraan in de praktijk een nadere invulling te geven.”
11. Door diverse Kamerleden zijn vragen gesteld over de indieningstermijn, waarbij ook zorgen zijn geuit over de mogelijkheid dat mensen door een te late aanvraag buiten de boot zouden kunnen vallen (Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1281 en 24 515, nr. 732). Daarop is door de staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane onder meer als volgt geantwoord (zie Reactie van 14 december 2023 op Schriftelijk Overleg naar aanleiding van de Kamerbrief Stand van zaken diverse moties d.d. 24 november 2023 (kenmerk 2023-0000281453, p. 5, 7 en 8):
“Ouders die zich na afloop van de aanmeldtermijn alsnog melden bij UHT [Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen] zal gevraagd worden naar de reden van de aanmelding na de sluitingstermijn. Indien er dan sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een ouder zich niet eerder heeft kunnen melden bij UHT dan wordt de aanvraag alsnog in behandeling genomen. Wat onder bijzondere omstandigheden valt waardoor een geslaagd beroep gedaan kan worden op een verschoonbare termijnoverschrijding is sterk afhankelijk van het individuele geval. Elke casus is uniek en UHT moet de vrijheid hebben om de argumentatie van een ouder te kunnen wegen, zonder op voorhand te zijn ingeperkt.
(…)
Wat onder bijzondere omstandigheden valt waardoor een geslaagd beroep kan worden gedaan op een verschoonbare termijnoverschrijding is sterk afhankelijk van het individuele geval. Elke casus is uniek en UHT moet de vrijheid hebben om de argumentatie van een ouder te kunnen wegen, zonder op voorhand te zijn ingeperkt. Dit is maatwerk. Tegen een afwijzing op een beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding staat bezwaar en beroep open.
(…)
Ouders kunnen altijd een beroep doen op een verschoonbare termijnoverschrijding om alsnog in aanmerking te komen voor herstel. Het kabinet stelt vooraf geen deadline waarbinnen een dergelijk verzoek gedaan moet worden. Wel kan het eventuele tijdsverloop tussen 31 december 2023 en de daadwerkelijke aanmelding van invloed zijn op de beoordeling of er sprake is van een bijzondere omstandigheid welke een beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigt.”
12. Daarbij maakt de in artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, opgenomen hardheidsclausule het mogelijk om van het bepaalde in artikel 6.1 van de Wht af te wijken, voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
De aanvraagtermijn en verschoonbaarheid
13. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de aanvraag tot herbeoordeling na 2 januari 2024 heeft ingediend, zodat niet aan de voorwaarden van artikel 6.1 van de Wht is voldaan.
14. Zoals hiervoor onder 10 en 11 is overwogen volgt uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 6.1 van de Wht dat van verweerder wordt verwacht dat hij maatwerk levert en beoordeelt of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in gevallen waarin er bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is geweest.
15. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de beoordeling van de verschoonbare termijnoverschrijding door verweerder binnen het kader van de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht wordt ingeperkt. Hoewel de aanmeldtermijn in artikel 6.1 van de Wht dwingend is geformuleerd, ziet de rechtbank in de parlementaire geschiedenis voldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat een termijnoverschrijding onder bijzondere omstandigheden verschoonbaar is en de termijnoverschrijding de belanghebbende dan niet kan worden tegengeworpen. De wetgever heeft hierbij opgemerkt dat elke casus uniek is en dat verweerder de vrijheid moet hebben om de argumentatie van een ouder te kunnen wegen, zonder op voorhand te zijn ingeperkt. De wetgever heeft daarbij, naar eigen zeggen, geen voorbeelden geformuleerd, maar laat verweerder de ruimte om hieraan in de praktijk een nadere invulling te geven.
16. Hoewel de aanvraag in het kader van de Wht niet als verzoekschrift kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 60 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen, vindt de rechtbank voor haar oordeel ook steun in hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871 (zie ook HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1795), heeft geoordeeld inzake overeenkomstige toepassing van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bij verzoeken om ambtshalve vermindering:
“Een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering is een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 AWR Pro. Dat artikel bepaalt dat op een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift artikel 6:11 van Pro de Awb van overeenkomstige toepassing is. Het Hof is er daarom terecht vanuit gegaan dat de inspecteur een na afloop van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling ingediend verzoek in behandeling moet nemen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.”
17. Belanghebbende heeft meerdere omstandigheden aangevoerd om aan te geven waarom hij niet eerder in staat was om de aanvraag in te dienen. Belanghebbende heeft sinds lange tijd te maken met zware privé omstandigheden en medische problemen.
Belanghebbende kampte ook met geldzorgen, onder andere door zakelijke problemen. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij een onderneming uitoefende samen met een zakenpartner, die plotseling kwam te overlijden. Belanghebbende is toen in loondienst gaan werken en had daardoor minder inkomen. In november 2023 is er een inval geweest door de politie in het pand dat door de onderneming werd onderverhuurd aan een derde. Daarbij is een hennepkwekerij aangetroffen. Belanghebbende is daarvoor aangehouden en verhoord door de politie. De strafzaak tegen belanghebbende loopt nog steeds (in hoger beroep). Daarnaast is belanghebbende door de energieleverancier aangesproken voor de energierekening. Belanghebbende heeft verklaard dat hij in verband hiermee € 38.000 moet betalen. Belanghebbende is vanwege de lopende strafzaak uitgesloten van deelname aan de schuldsanering. Vanaf mei 2024 zat belanghebbende in de ziektewet vanwege een bedrijfsongeval, waarbij hij van de trap is gevallen. Belanghebbende heeft daardoor constant hoofdpijn en kan fel licht en beeldschermen niet verdragen. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zijn aanwezigheid bij de zitting bij de rechtbank betekent dat hij de rest van de dag op bed moet liggen. Belanghebbende had in de jaren 2023 en 2024 (en nog steeds) last van depressieve klachten, waarvoor hij zich voor behandeling heeft aangemeld bij PsyQ. Belanghebbende staat nog steeds op de wachtlijst en dit zal minimaal twee jaar duren. Van de huisarts heeft belanghebbende slaapmiddelen (oxazepam) voorgeschreven gekregen. Deze medicijnen houden belanghebbende naar eigen zeggen iets rustiger, maar hebben wel invloed op zijn functioneren overdag. Belanghebbende heeft daarnaast de zorg gedragen voor zijn moeder, die kampt met een longaandoening (COPD) waarvoor zij medicinale zuurstof gebruikt. Sinds 2021 ging het steeds slechter met haar gezondheid en zij staat op een wachtlijst voor een longtransplantatie. Ze is hulpbehoevend en bijvoorbeeld voor vervoer afhankelijk van belanghebbende.
18. Verweerder heeft het bestaan van de bovengenoemde medische klachten en persoonlijke omstandigheden op zichzelf niet betwist, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat daaruit niet volgt dat belanghebbende zodanig in zijn doenvermogen was aangetast dat hij daardoor niet op tijd de aanvraag had kunnen indienen. Daarnaast stelt verweerder dat de aanvraag door belanghebbende onredelijk laat is ingediend.
19. Op basis van de stukken in het dossier en de verklaringen van belanghebbende ter zitting acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden waardoor belanghebbende niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen. Ook is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag gegeven de omstandigheden van belanghebbende niet onredelijk laat is ingediend. Het tijdsverloop tussen 31 december 2023 en de daadwerkelijke aanmelding, brengt de rechtbank dus niet tot een ander oordeel. Aannemelijk is geworden dat de opeenstapeling van de door belanghebbende genoemde omstandigheden een zodanig ontwrichtend effect hadden op zijn leven dat hij daardoor niet in staat was zich eerder dan 27 november 2024 (het moment van het eerste telefonische contact met verweerder) aan te melden bij verweerder voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. Hij is van de mogelijkheid tot herbeoordeling eerst op de hoogte is geraakt toen zijn ex-partner zich voor de regeling had aangemeld en heeft toen direct actie ondernomen. De rechtbank is onder deze omstandigheden, in tegenstelling tot verweerder, van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en de aanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen.
Conclusie
20. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal daarom de beslissing op bezwaar vernietigen.
21. De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting, zoals belanghebbende subsidiair heeft verzocht, nu de zaak tot nu toe alleen ging over de vraag of de te late indiening van de aanvraag verschoonbaar is en een inhoudelijke heroverweging dus nog moet plaatsvinden. De rechtbank zal daarom bepalen dat er opnieuw moet worden beslist op het bezwaarschrift door verweerder en dat het verzoek van belanghebbende inhoudelijk in behandeling wordt genomen.
Proceskosten
22. Omdat het beroep gegrond zal worden verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 2.534 (1 punt voor het hoorgesprek met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
23. De rechtbank zal verweerder tevens opdragen aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht van € 53 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het verzoek van belanghebbende tot herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag vanaf het jaar 2013 in behandeling dient te nemen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.534, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.