Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4224

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
12076830 \ AO VERZ 26-13
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:675 BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; toekenning transitievergoeding en billijke vergoeding

Werknemer trad op 1 april 2025 in dienst bij werkgever voor bepaalde tijd als dameskapper. Op 8 december 2025 ontving werknemer een ontslag op staande voet wegens een samengestelde dringende reden, waaronder het voortijdig verlaten van de werkplek en werkweigering. Werknemer betwistte de feiten en stelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven.

Tijdens de procedure berustte werknemer in het ontslag, waardoor de primaire verzoeken niet meer hoefden te worden behandeld. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet rechtsgeldig was omdat de samengestelde dringende reden niet volledig was komen vast te staan en het ontslag niet onverwijld was gegeven. Werkgever had eerder moeten handelen.

De kantonrechter kende werknemer een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe, gelijk aan het loon over de periode dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had moeten voortduren. Daarnaast werd een transitievergoeding toegekend omdat het ontslag niet het gevolg was van verwijtbaar handelen van werknemer. De billijke vergoeding werd vastgesteld op €2.000, rekening houdend met het korte dienstverband en het verwijt aan werknemer zelf.

De verzochte loondoorbetaling na het ontslag werd afgewezen omdat werknemer in het ontslag berustte. De proceskosten werden aan werkgever opgelegd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig; werkgever moet transitievergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en billijke vergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 12076830 \ AO VERZ 26-13
Beschikking van 21 april 2026
in de zaak van
[verzoeker]
wonende te [plaats 1]
verzoeker
hierna te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. R. Ruiter
tegen
de besloten vennootschap
[verweerder] B.V.
statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2]
verweerder
hierna te noemen: [verweerder]
vertegenwoordigd door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2].

1.De zaak in het kort

Werknemer berust in het aan hem verleende ontslag op staande voet en verzoekt om toekenning van een transitievergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding. De vergoedingen worden toegewezen; er is namelijk geen sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, omdat de samengestelde dringende reden niet is komen vast te staan en het ontslag niet onverwijld is gegeven. De kantonrechter begroot de aan werknemer toe te kennen billijke vergoeding op een bedrag van € 2.000,00.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ontvangen op de griffie op 30 januari 2026, met producties 1 tot en met 13,
- de akte overlegging producties van [verzoeker] van 17 maart 2026, met producties 14 tot en met 16.
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
3. De feiten
3.1.
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1998, is op 1 april 2025 in dienst getreden bij [verweerder] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar, in de functie van Dameskapper, voor 40 uren per week en tegen een salaris van € 3.650,00 bruto per maand exclusief emolumenten. In de arbeidsovereenkomst is in artikel 5.1 bepaald:
“Voor de werknemer en de werkgever gelden de wettelijke opzegtermijnen van 2 maanden. De arbeidsovereenkomst kan slechts aan het einde van iedere kalendermaand worden opgezegd.”
3.2.
[verweerder] exploiteert een kapsalon. 100% van de aandelen in [verweerder] worden gehouden door [gemachtigde 2] B.V., waarvan [gemachtigde 2] (hierna: [gemachtigde 2]) enig bestuurder en aandeelhouder is. De dagelijkse leiding van de kapsalon is in handen van [gemachtigde 1] (hierna: [gemachtigde 1]).
3.3.
[gemachtigde 2] heeft [verzoeker] bij e-mail van 8 december 2025 als volgt bericht:
“(..) Hierbij deel ik je mee dat jij per direct wordt ontslagen op staande voet.
Dit ontslag vindt plaats op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 7:678 lid 1 en Pro lid 2 onder d en e van het Burgerlijk Wetboek, omdat jij je zodanig hebt gedragen dat van ons niet langer kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
De dringende redenen zijn als volgt:
1. Op woensdag 3 december 2025 heb je de werkplek voortijdig en zonder toestemming verlaten. Dit is in strijd met de gemaakte afspraken en heeft de bedrijfsvoering verstoord.
2. Op donderdag 4 t/m zaterdag 6 december 2025 ben je, ondanks telefonisch contact en een persoonlijk gesprek, ongeoorloofd afwezig gebleven. Je hebt geen geldige reden gegeven die jouw afwezigheid rechtvaardigt.
3. Op 6 december 2025 heb je via WhatsApp aangegeven dat je pas dinsdag 9 december 2025 terug zou komen, ondanks duidelijke instructies om jouw werkzaamheden onmiddellijk te hervatten. Deze bewuste weigering om te komen werken vormt werkweigering zoals bedoeld in artikel 7:678 lid 2 BW Pro.
4. Je hebt als reden voor jouw afwezigheid een onenigheid met een collega genoemd. Een meningsverschil vorm geen geldige reden om je werkzaamheden te staken en ontslaat je niet van jouw arbeidsplicht. Je had moeten komen werken of moeten meewerken aan een interne oplossing.
Juridische toelichting
De hierboven beschreven gedragingen kwalificeren als dringende redenen in de zin van artikel 7:678 BW Pro, waaronder:
  • het zonder toestemming verlaten van de werkplek;
  • ongeoorloofde afwezigheid;
  • hardnekkige werkweigering;
  • weigering om redelijke opdrachten op te volgen.
Deze gedragingen maken voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor ons onmogelijk.
Gevolgen
De arbeidsovereenkomst eindigt per direct op 3 december 2025. (..)”
3.4.
De gemachtigde van [verzoeker] is bij brief van 15 december 2025 aan [verweerder] opgekomen tegen het ontslag. Hij heeft verzocht het ontslag terug te draaien en een minnelijke regeling te treffen. De voormalig gemachtigde van [verweerder], mr. F. Oksuz, heeft de gemachtigde van [verzoeker] bij brief van 19 december 2025 bericht dat het ontslag wordt gehandhaafd. Partijen hebben geen minnelijke regeling getroffen.
3.5.
In zijn e-mail van 9 februari 2026 heeft [gemachtigde 2] aan de gemachtigde van [verzoeker] onder meer als volgt bericht:
“(..) Bij deze delen wij u mee dat het aan u op 8 december gegeven ontslag op staande voet uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk wordt ingetrokken.
Na heroverweging van de feiten en omstandigheden is besloten dit besluit te herroepen.
De arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt geacht ononderbroken te zijn blijven voortbestaan en is onverminderd van kracht. Aan deze intrekking kunnen door u geen andere rechten worden ontleend dan die welke reeds voortvloeien uit de bestaande arbeidsovereenkomst.
Wij verzoeken u uw werkzaamheden te hervatten per 10 februari, conform de geldende arbeidsvoorwaarden. Over de periode vanaf [datum ontslag] tot en met de datum van werkhervatting zal het overeengekomen loon, inclusief vakantietoeslag en overige vaste loonbestanddelen, volledig worden voldaan, onder voorbehoud van de gebruikelijke wettelijke inhoudingen.
Nu het ontslag op staande voet is ingetrokken en de arbeidsovereenkomst onverkort voortduurt, verzoeken wij u uiterlijk op [datum] schriftelijk te bevestigen dat u de door u ingestelde gerechtelijke procedure en/of overige rechtsmaatregelen onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud intrekt. Deze intrekking geschiedt zonder erkenning van enige aansprakelijkheid, onrechtmatigheid of verwijtbaarheid zijdens werkgever.
Deze brief strekt uitsluitend tot intrekking van het ontslag op staande voet en kan niet worden aangemerkt als erkenning van schuld, aansprakelijkheid of onrechtmatig handelen aan de zijde van werkgever.
Wij verzoeken u deze brief voor akkoord te bevestigen en ons te berichten per welke datum u de werkzaamheden hervat. (..)”
3.6.
De gemachtigde van [verzoeker] heeft de voormalig gemachtigde van [verweerder] op dezelfde dag als volgt bericht:
“(..) Uw cliënte heeft mij vandaag rechtstreeks per e-mail benaderd. Het is mij vanzelfsprekend niet geoorloofd rechtstreeks contact met uw cliënte te hebben. Reden waarom ik mij tot u wend.
Uw cliënte verkeert in de onterechte veronderstelling dat het op 8 december 2025 gegeven ontslag rechtsgeldig eenzijdig kan worden ingetrokken.
Intrekking van een ontslag op staande voet is niet mogelijk, zonder dat de werknemer hiermee instemt.
Het ontslag ligt inmiddels ter beoordeling voor aan de rechtbank die de zaak op korte termijn ter zitting zal behandelen.
Indien uw cliënte de zitting wenst te voorkomen, dan zal zij gehoor moeten geven aan het subsidiaire verzoek en cliënt volledig schadeloos moeten stellen.
U wilt uw cliënte wel dienovereenkomstig informeren. (..)”
3.7.
De gemachtigde van [verweerder] heeft zich op 27 februari 2026 aan de zaak onttrokken.

4.Het verzoek

4.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het salaris van € 3.650,00 bruto per maand, te vermeerderen met overige emolumenten vanaf 2 december 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd en [verzoeker] in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [verweerder] in gebreke blijft;
Primair
II. het ontslag op staande voet te vernietigen;
III. [verweerder] te verplichten [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [verweerder] in gebreke blijft;
IV. [verweerder] te veroordelen tot betaling van het salaris van [verzoeker] van € 3.650,00 bruto per maand vanaf 1 december 2025 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW);
Subsidiair
V. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding ad € 14.877,87 bruto aan [verzoeker] zoals vermeld onder punt 8 van het verzoekschrift;
VI. aan [verzoeker] een vergoeding ad € 10.125,81 bruto wegens onregelmatige opzegging toe te kennen zoals vermeld onder punt 8 van het verzoekschrift;
VII. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een transitievergoeding ad
€ 901,20, zoals vermeld onder punt 8 van het verzoekschrift;
VIII. [verweerder] te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris aan [verzoeker] tegen behoorlijk bewijs van kwijting over het tijdvak van 2 december 2025 tot en met 8 december 2025, zijnde een bedrag van € 824,19 bruto alsmede € 65,94 aan vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro;
Meer subsidiair
IX. voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande voet, [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een transitievergoeding ad € 901,20 zoals vermeld onder punt 9 van het verzoekschrift;
X. [verweerder] te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris aan [verzoeker] tegen behoorlijk bewijs van kwijting over het tijdvak van 2 december 2025 tot en met 8 december 2025, zijnde een bedrag van € 824,19 bruto alsmede € 65,94 aan vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro;
Primair, subsidiair en meer subsidiair
XI. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;
X. [verweerder] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.
4.2.
[verzoeker] legt – samengevat – het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag. Het ontslag is niet onverwijld en bovendien met terugwerkende kracht gegeven. [verweerder] heeft voorts een samengestelde dringende reden aan het ontslag ten grondslag gelegd. [verzoeker] betwist een groot deel van het feitencomplex dat door [verweerder] aan [verzoeker] als dringende reden voor het ontslag is meegedeeld. De samengestelde dringende reden is daarmee niet vast komen te staan. Er is daarom geen sprake van een rechtsgeldig ontslag. [verweerder] had gelet op de aard van de gedraging(en) ook kunnen (en moeten) volstaan met een minder vergaande sanctie. Er heeft ook ten onrechte geen hoor en wederhoor plaatsgevonden en [verweerder] heeft de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] niet meegewogen in het ontslag. Het ontslag op staande voet is in de gegeven omstandigheden dan ook buitenproportioneel, wat maakt dat [verweerder] daarvan had moeten afzien.
4.3.
[verzoeker] verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening om loondoorbetaling en werkhervatting. Het ontslag op staande voet ontbeert elke rechtsgrond en is wegens de ernstige gevolgen voor [verzoeker] onaanvaardbaar. [verzoeker] is voor zijn levensonderhoud afhankelijk van zijn loon, maar heeft sinds november 2025 geen loon meer ontvangen van [verweerder]. [verzoeker] heeft schulden moeten maken om zijn vaste lasten te voldoen en in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij heeft voldoende belang bij de verzochte voorziening en van hem kan niet worden gevergd de beslissing in het verzoek af te wachten.
4.4.
Subsidiair berust [verzoeker] in het ontslag. Omdat [verweerder] heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW Pro, heeft [verzoeker] recht op een billijke vergoeding zoals genoemd in artikel 7:681 lid 1 sub a BW Pro. [verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door [verzoeker] op onterechte gronden op staande voet te ontslaan. [verzoeker] zou sowieso tot 31 maart 2026 bij [verweerder] in dienst zijn gebleven. [verzoeker] acht het daarom redelijk aan hem een billijke vergoeding van 3 maanden en 24 dagen salaris toe te kennen. Dit komt neer op een bedrag van € 14.877,87 bruto. Dat [verzoeker] eveneens recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding maakt dit volgens [verzoeker] niet anders, omdat het voor rekening en risico van [verweerder] komt dat hij [verzoeker] op staande voet heeft ontslagen. De vergoeding wegens onregelmatige opzegging op grond van 7:672 lid 11 BW is gelijk aan het loon over de periode van 8 december 2025 tot en met 28 februari 2026, wat neerkomt op een bedrag van € 10.125,81 bruto. [verzoeker] heeft tot slot recht op betaling van de transitievergoeding en het ten onrechte niet betaalde loon over de periode 2 tot en met 8 december 2025.

5.Het verweer

5.1.
[verweerder] voert verweer. [verweerder] heeft in de verhouding met [verzoeker] zich altijd als goed werkgever gedragen. Op 3 december 2025 is er een confrontatie geweest tussen [verzoeker] en de dochter van [gemachtigde 1]. [verzoeker] heeft de werkplek toen eerder verlaten en heeft tegen iemand anders gezegd dat hij niet meer terug zou komen. De dag erna heeft [gemachtigde 1] met [verzoeker] gesproken en gevraagd of hij op vrijdag 4 december 2025 wel op het werk zou willen verschijnen. [verzoeker] wilde dit alleen als de dochter van [gemachtigde 1] ontslagen zou worden. [verzoeker] heeft zich vervolgens afgemeld, waardoor [verweerder] in de problemen is gekomen met klanten op vrijdag en zaterdag voor [verzoeker] stonden ingepland. De ontstane situatie is aan [verzoeker] te wijten, omdat hij zelf heeft besloten niet te komen na 4 december 2025.

6.De beoordeling

6.1.
Inmiddels heeft [verzoeker] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat hij berust in het ontslag op staande voet, zodat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst op 3 december 2025 is geëindigd. Zijn primaire verzoek hoeft daarom niet te worden behandeld. Ook de verzochte voorlopige voorziening is ingetrokken. Het gaat in deze zaak dus nog om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend en zo nee, of [verweerder] vergoedingen aan [verzoeker] moet betalen.
beoordelingskader
6.2.
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW Pro is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden voor de werkgever als dringende redenen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer beschouwd, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
De kantonrechter dient bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen. Daarbij dient de aard en de ernst van de dringende reden afgewogen te worden tegen de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de werknemer.
[verweerder] had geen dringende reden voor het ontslag op staande voet
6.3.
Als een werkgever als dringende reden voor het ontslag aan de werknemer een feitencomplex mededeelt waarvan slechts een deel komt vast te staan, kan het ontslag toch geldig zijn. Daarvoor is vereist dat het deel dat komt vast te staan een dringende reden oplevert, dat de werkgever heeft gesteld en aannemelijk is dat de werknemer ook op staande voet zou zijn ontslagen vanwege alleen dat deel, en dat dit voor de werknemer ook duidelijk moet zijn geweest. [1]
6.4.
Uitgangspunt is dat de in de ontslagbrief vermelde reden(en) maatgevend is/zijn voor de beoordeling van de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Met andere woorden: de ontslagbrief (3.3) fixeert de dringende reden. De dringende redenen die [verweerder] heeft gegeven zijn:
“1. Op woensdag 3 december 2025 heb je de werkplek voortijdig en zonder toestemming verlaten. Dit is in strijd met de gemaakte afspraken en heeft de bedrijfsvoering verstoord.
2. Op donderdag 4 t/m zaterdag 6 december 2025 ben je, ondanks telefonisch contact en een persoonlijk gesprek, ongeoorloofd afwezig gebleven. Je hebt geen geldige reden gegeven die jouw afwezigheid rechtvaardigt.
3. Op 6 december 2025 heb je via WhatsApp aangegeven dat je pas dinsdag 9 december 2025 terug zou komen, ondanks duidelijke instructies om jouw werkzaamheden onmiddellijk te hervatten. Deze bewuste weigering om te komen werken vormt werkweigering zoals bedoeld in artikel 7:678 lid 2 BW Pro.
4. Je hebt als reden voor jouw afwezigheid een onenigheid met een collega genoemd. Een meningsverschil vorm geen geldige reden om je werkzaamheden te staken en ontslaat je niet van jouw arbeidsplicht. Je had moeten komen werken of moeten meewerken aan een interne oplossing.”
6.5.
De kantonrechter gaat uit van een samengestelde dringende reden in de ontslagbrief. In de ontslagbrief is namelijk niet vermeld dat de genoemde feiten zowel afzonderlijk als in samenhang bezien een dringende reden vormen voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Ook zijn in de ontslagbrief geen andere bewoordingen gebruikt waardoor het [verzoeker] duidelijk had moeten zijn dat [verweerder] hem ook op basis van een afzonderlijk verwijt een ontslag op staande voet aanzegt. [verweerder] betwist ook niet dat sprake is van een samengestelde dringende reden. Omdat sprake is van een samengestelde dringende reden moeten bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden alle [verzoeker] verweten gedragingen worden betrokken. Dit betekent dat als een gedeelte van de feiten die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd niet komt vast te staan, het ontslag op staande voet geen stand houdt.
6.6.
De aan het ontslag gelegde feiten zijn niet (als geheel) komen vast te staan, reeds omdat [verzoeker] de door [verweerder] in de ontslagbrief genoemde feiten gemotiveerd heeft betwist en [verweerder] daar ter zitting weinig tegenover heeft gesteld. De samengestelde dringende reden is daarom niet komen vast te staan. Daarbij geldt dat de (poging tot) intrekking van het ontslag op staande voet door [verweerder] voorafgaand aan de mondelinge behandeling (3.5) ook een indicatie is dat zij zelf inziet dat het ontslag zoals door haar is aangezegd in rechte geen stand kan houden.
het ontslag is niet onverwijld gegeven
6.7.
Daar komt bij dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, waardoor het ontslag ook in zoverre niet rechtsgeldig is. Daarover wordt het volgende overwogen.
6.8.
Voor de geldigheid van een ontslag op staande voet is vereist dat de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd, onder onverwijlde mededeling van de dringende reden daarvoor aan de werknemer. Voor de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. [2] De van een werkgever te vergen mate van voortvarendheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorgvuldigheid. [3]
6.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet in te zien waarom [verweerder] pas op maandagavond 8 december 2025 tot ontslag op staande voet is overgegaan. [verzoeker] heeft immers al op 4 december 2025 laten weten dat hij de dag erna niet op het werk zal verschijnen en hij is die dag ook daadwerkelijk niet verschenen. Nu [verweerder] [verzoeker] onbetwist niet heeft gehoord op of na 5 december 2025 en gesteld noch gebleken is dat enig nader onderzoek is verricht en/of er deskundig advies is ingewonnen, had van [verweerder] een voortvarender handelen mogen worden verwacht: zij had eerder tot het ontslag op staande voet moeten overgaan.
conclusie
6.10.
De conclusie luidt dan ook dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.
schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging
6.11.
De door [verzoeker] verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging is toewijsbaar, omdat [verweerder] de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [4] Deze schadevergoeding is gelijk aan het in geld vastgesteld (bruto)loon voor de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging door [verweerder] had behoren voort te duren. [verzoeker] verzoekt in dat verband een bedrag van
€ 10.125,81 bruto. Nu [verweerder] niet heeft betwist dat dit het bedrag aan loon zou zijn geweest dat zij bij regelmatige opzegging nog aan [verzoeker] zou hebben moeten betalen en het verzochte ook overeenstemt met hetgeen in de arbeidsovereenkomst is opgenomen (zie 3.1), zal de kantonrechter het verzochte bedrag toewijzen. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 3 december 2025.
transitievergoeding
6.12.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook toegewezen. Er is geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van
ernstigverwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker].
Dat betekent dat [verweerder] de transitievergoeding verschuldigd is, die onbetwist € 901,20 bedraagt. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 3 januari 2026.
billijke vergoeding
6.13.
[verzoeker] verzoekt verder om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 14.877,87 bruto. Dit bedrag bestaat uit de optelsom van drie maanden en 24 dagen bruto maandsalaris. [verzoeker] stelt, zo begrijpt de kantonrechter, dat de gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding niet op dit bedrag in mindering mogen worden gebracht, omdat het voor rekening en risico van [verweerder] komt dat zij [verzoeker] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen.
6.14.
De kantonrechter stelt voorop dat het er bij het vaststellen van de billijke vergoeding uiteindelijk om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever dat heeft geleid tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Een ongeldig ontslag moet als ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever worden aangemerkt. [5]
Bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding zijn verder de volgende gezichtspunten van belang:
- wat zou de verdere duur van de arbeidsovereenkomst zijn geweest zonder het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever?
- wat is de mate waarin de werkgever een verwijt valt te maken, waarbij ook de handelwijze van de werknemer een rol kan spelen?
- heeft de werknemer inmiddels ander werk gevonden en welke inkomsten geniet hij daaruit en welke (andere) inkomsten kan hij in redelijkheid in de toekomst verwerven?
Bij dit alles geldt dat de billijke vergoeding geen specifiek punitief karakter heeft. [6]
6.15.
De kantonrechter vindt, met inachtneming van het voorgaande, in de gegeven omstandigheden een billijke vergoeding van € 2.000,00 bruto passend. Hierna wordt uitgelegd waarom.
6.16.
Door toekenning van de gefixeerde schadevergoeding is [verzoeker] in ieder geval tot en met de 28 februari 2026 gecompenseerd voor zijn gemiste inkomen wegens het onterecht gegeven ontslag op staande voet. Daarnaast wordt aan [verzoeker] een transitievergoeding toegekend. Deze transitievergoeding dient als compensatie voor het ontslag en om de overgang naar een andere baan te vergemakkelijken. De kantonrechter stelt op basis van de door [verzoeker] ter zitting gedane uitlatingen verder vast dat hij met ingang van 10 februari 2026 ander betaald werk heeft gevonden. De door [verzoeker] geleden inkomensschade wordt met de toekenning van deze vergoeding daarom volledig gecompenseerd.
6.17.
Daar komt bij dat sprake is geweest van een zeer kort dienstverband en [verzoeker] zelf ook een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen in aanloop naar het niet rechtsgeldige ontslag op staande voet. De kantonrechter stelt namelijk vast dat [verzoeker] zich op 6 december 2025 zonder deugdelijke reden heeft ‘afgemeld’ bij [verweerder] en de daarop volgende dagen, ondanks verzoek daartoe, niet op het werk is verschenen. [verzoeker] heeft niet betwist dat [verweerder] daardoor in de problemen is gekomen met de op die dagen voor [verzoeker] ingeboekte klanten en [verweerder] daardoor inkomsten heeft misgelopen. Dit kan [verzoeker] in hoge mate worden aangerekend. Mede met inachtneming van de draagkracht van [verweerder] als kleine werkgever, vindt de kantonrechter een billijke vergoeding van € 2.000,00 daarom voldoende recht doen aan de situatie. [verzoeker] wordt hiermee in voldoende mate gecompenseerd voor het verwijtbaar handelen van [verweerder]. De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
loon
6.18.
Het verzoek sub VIII wordt tot slot afgewezen. Omdat [verzoeker] heeft berust in het hem aangezegde ontslag op staande voet kan hij geen aanspraak maken op doorbetaling van loon tot en met 8 december 2025.
(proces)kosten
6.19.
De verzochte vergoeding van de kosten van de door [verzoeker] ingeschakelde tolk worden afgewezen; de partij die inschakeling van een tolk wenst dient daarvoor zelf de kosten te dragen.
6.20.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

7.De beslissing

De kantonrechter
7.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 901,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
7.2.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van een vergoeding van € 10.125,81 bruto wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
7.3.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.000,00 bruto aan [verzoeker], te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling;
7.4.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
7.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad [7] ;
7.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 1 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9387 (
2.Hoge Raad 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1347 (Wennekes Lederwaren).
3.Hoge Raad van 15 februari 1980, NJ 1980/328 (Gelderse Tramweg Maatschappij).
4.artikel 7:672 lid 11 BW Pro.
6.vgl. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, r.o. 3.4.5.
7.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.