Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4200

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
K/4101/12020648
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 1 BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtsgeldigheid ontslag op staande voet wegens grensoverschrijdend gedrag werknemer

De werknemer, sinds februari 2025 in dienst als teamleider bij Vomar, werd op 27 oktober 2025 op staande voet ontslagen wegens herhaaldelijk grensoverschrijdend en beledigend gedrag. Dit gedrag omvatte incidenten met klanten, ongepaste uitlatingen via e-mail en WhatsApp, en het niet nakomen van afspraken voor gesprekken met de werkgever.

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag rechtsgeldig is omdat de gedragingen van de werknemer een dringende reden vormen. Eerdere waarschuwingen, schorsing en het uitblijven van excuses na een laatste beledigende e-mail van 23 oktober 2025, rechtvaardigen het ontslag. De werknemer heeft geen geldige medische verklaring gegeven voor zijn gedrag.

Het verzoek van de werknemer tot vernietiging van het ontslag en loonbetaling na 27 oktober 2025 wordt afgewezen. Ook subsidiaire vorderingen tot billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding worden niet toegewezen. De werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt bevestigd als rechtsgeldig en het verzoek tot loonbetaling en vernietiging van het ontslag wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12020648 \ AO VERZ 25-104 en 12031483 / AO VERZ 25-108 (SJ)
Beschikking van 26 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J. du Bois,
tegen
de besloten vennootschap
Vomar Voordeelmarkt B.V.,
te Alkmaar,
verwerende partij,
hierna te noemen: Vomar,
gemachtigde: mr. D.C.J. Bogerd.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een ontslag op staande voet en loondoorbetaling. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag op staande voet (rechts)geldig is. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer zich bij herhaling schuldig heeft gemaakt aan beledigend en grensoverschrijdend gedrag dat een ontslag op staande voet rechtvaardigt.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om vernietiging van een ontslag op staande voet. Vomar heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend. Dit tegenverzoek is ook als zelfstandig verzoek gedaan.
1.2.
Op 26 februari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ook pleitaantekeningen overgelegd.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is sinds 3 februari 2025 in dienst bij Vomar op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. De functie van [verzoeker] is teamleider voor 40 uur per week, met een loon van € 2.876,32 bruto per vier weken.
2.2.
Op 30 april 2025 heeft in de supermarkt waar [verzoeker] werkzaam was een incident plaatsgevonden tussen [verzoeker] en een klant. Hierover heeft Vomar een gesprek met [verzoeker] gevoerd en hem tijdelijk naar een andere supermarkt overgeplaatst.
2.3.
In een Whatsapp-bericht van 23 mei 2025 heeft [verzoeker] naar aanleiding van een loonbeslag aan zijn manager onder meer geschreven:
‘Dus vomar verwacht dat ik naar werk kom vndg? Terwijl dit niet in orxe is’, ‘
Dit is voor mij de lijn Ik maak geen grappen omtrent geld’ en ‘
Ik kom niet vndg Tot ze dit shit geregeld heb’.
2.4.
Vervolgens heeft op 23 mei 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , eerdergenoemde manager en [naam] (hierna: [naam] ), HR Business Partner van Vomar, over het loonbeslag.
2.5.
In een brief van 23 mei 2025 heeft Vomar aan [verzoeker] een schriftelijke waarschuwing gegeven in verband met zijn gedrag bij het gesprek van 23 mei 2025. In de brief staat dat [verzoeker] zich richting [naam] heeft geuit op een wijze die als onprettig en onveilig is ervaren en dat [verzoeker] op ongepaste wijze tegen [naam] heeft gezegd dat zij
‘maar normaal moest gaan kijken’.
2.6.
In een e-mail van 23 mei 2025 heeft [verzoeker] in reactie op de schriftelijke waarschuwing aan [naam] geschreven:
‘Ik adviseer je om mij niet te mailen en met rust te laten. Je gaat te ver. Ik ga ook al een grote klacht tegen jou indienen. Jou gedrag is ongepast (…) Dit is een finale waarschuwing’. En in Whatsappberichten van 23 en 24 mei 2025 heeft [verzoeker] vervolgens geschreven:
‘Ya’ll are gonna pay (…) Ik kom voorlopig niet Ik ben ziek Gezien wat julllie doen Hoe jullie alles doen en vies spelen Fuck [naam] ’en
‘Nogmaals Ik ben ziek Stik erin Wnr ik beter ben of voel of behoefte heb aan een gesprek met jullie samen met mijn advocaat Laat ik dit weten Now suck on it’.
2.7.
In een brief van 26 mei 2025 heeft Vomar aan [verzoeker] bericht dat hij is geschorst vanwege het vertonen van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag.
2.8.
In een brief van 27 mei 2025 heeft Vomar [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 30 mei 2025. [verzoeker] is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. Ook op de hierna geplande gesprekken van 4 juni 2025 en 11 juni 2025 is [verzoeker] niet verschenen.
2.9.
In een e-mail van 29 mei 2025 heeft [verzoeker] aan Vomar onder meer geschreven:
‘Vanaf vrijdag 23-05-2025 heb ik mijnzelf ziek gemeld (…) Ik wil een bedrijfs arts spreken. Erna zal ik beslissen wat de beste en volgende stappen zijn’.
2.10.
Op 30 juni 2025 en 22 juli 2025 is [verzoeker] bij de bedrijfsarts geweest.
2.11.
In september en oktober 2025 hebben partijen geprobeerd hun geschil op te lossen door mediation. Dit is niet gelukt, waarna de mediation is beëindigd.
2.12.
In een e-mail van 22 oktober 2025 heeft Vomar [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 27 oktober 2025 om te bespreken hoe de resterende maanden van het dienstverband moeten worden ingevuld.
2.13.
In een e-mail van 23 oktober 2025 heeft [verzoeker] aan [naam] in reactie op deze uitnodiging onder meer geschreven:
‘Droom lekker verder vetklep ( [naam] ). Dit weiger ik. Als je mij wilt spreken wordt het in het bijzijn van het mediation of mijn nieuwe advocaat. Ik voel me totaal niet veilig rond jullie alleen dus dikke pech heb je (…)’.
2.14.
In een e-mail van 24 oktober 2025 heeft Vomar aan [verzoeker] geschreven dat het onacceptabel is wat [verzoeker] in zijn e-mail van 23 oktober 2025 heeft geschreven. Vomar heeft [verzoeker] tot 27 oktober 2025 om 12.00 uur de kans gegeven om met excuses te komen en heeft vermeld dat ontslag wordt overwogen als [verzoeker] vóór die tijd niets van zich laat horen.
2.15.
[verzoeker] heeft niet gereageerd vóór het verstrijken van de termijn die is genoemd in de e-mail van 24 oktober 2025.
2.16.
Met een brief van 27 oktober 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Hierin heeft Vomar als dringende reden voor ontslag op staande voet genoemd dat [verzoeker] bij herhaling grensoverschrijdend gedrag laat zien door één of meer medewerkers te beledigen en ongepast te bejegenen, terwijl hij hiervoor eerder is gewaarschuwd en desondanks zijn gedrag niet heeft aangepast. Daarbij is door Vomar gesteld dat de uitlatingen van [verzoeker] in hiervoor genoemde e-mail van 23 oktober 2025 de druppel is die de emmer deed overlopen.
2.17.
In een e-mail van 27 oktober 2025 van 16.29 uur heeft [verzoeker] aan Vomar onder meer geschreven:
‘Excuses. Nee de afspraak van vandaag gaat niet door. Ik voel mij niet veilig en zeker niet beschermd of gehoord. Schakel de mediation weer in dan. (…) Ook wil ik een excuses van jou voor jou steeds over de grens gedrag.’

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om het ontslag op staande voet te vernietigen en Vomar te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris vanaf 23 mei 2025. Subsidiair vordert [verzoeker] een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. [verzoeker] stelt – samengevat – dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat de beschuldigingen aan zijn adres ongegrond zijn en uit hun verband gerukt, en dat wordt miskend dat sprake is van structurele overbelasting en psychische nood. [verzoeker] stelt dat hij nooit opzettelijk of verwijtbaar heeft gehandeld en dat van een dringende reden geen sprake is. Verder is het ontslag volgens [verzoeker] niet proportioneel, omdat Vomar de zwaarwegende persoonlijke belangen en de medische situatie van [verzoeker] geheel heeft genegeerd. Daarnaast is het ontslag volgens [verzoeker] ook niet onverwijld gegeven.
3.2.
Vomar voert aan – kort weergegeven – dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, gelet op de ernst van de gedragingen van [verzoeker] , en dat het ontslag ook onverwijld is gegeven. Vomar betwist dat er sprake is geweest van een structurele overbelasting van [verzoeker] en wijst erop dat zij daarover geen melding heeft ontvangen en een overbelasting ook niet blijkt uit de urenregistratie. Vomar vindt de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] geen rechtvaardiging voor zijn gedrag en stelt dat uit de informatie van de bedrijfsarts ook niet blijkt van een dergelijke rechtvaardiging. Verder meent Vomar dat zij na de e-mail van [verzoeker] van 23 oktober 2025, die voor haar de directe aanleiding was voor het ontslag op staande voet, en na het uitblijven van een excuus van [verzoeker] , voldoende voortvarend heeft gehandeld door op 27 oktober 2025 over te gaan tot ontslag.

4.De beoordeling van het verzoek van [verzoeker]

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Vomar moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.3.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. [1] De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, in onderling verband en samenhang. [2] Daarbij moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de dringende reden. Verder zijn onder meer van belang de aard en de duur van de dienstbetrekking, het functioneren van de werknemer, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet heeft. Ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag toch gerechtvaardigd zijn, met name vanwege de aard en de ernst van de dringende reden. [3]
4.4.
Vomar heeft als dringende reden voor het ontslag op staande voet vermeld de feiten en omstandigheden genoemd in de ontslagbrief van 27 oktober 2025. Daarbij is de hiervoor aangehaalde e-mail van [verzoeker] van 23 oktober 2025 door Vomar betiteld als de druppel die de emmer deed overlopen. Vomar heeft in de ontslagbrief van 27 oktober 2025 gesteld dat eerdere gedragingen van [verzoeker] mede bepalend zijn geweest voor het ontslag op staande voet, waarbij eerdergenoemde gedragingen van 30 april 2025, 23 mei 2025, 24 mei 2025 en 29 mei 2025 zijn genoemd, naast het niet verschijnen op gesprekken, een eerdere waarschuwing en de schorsing van 26 mei 2025.
4.5.
Bij de beoordeling of een bepaalde gedraging een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert, kunnen ook vroegere en eerdere gedragingen een rol spelen. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat daarvoor is vereist dat die eerdere gedragingen aan de werknemer zijn meegedeeld. [4] Aan die eis wordt hier voldaan, omdat de eerdere gedragingen zijn genoemd in de ontslagbrief van 27 oktober 2025.
4.6.
De kantonrechter is met Vomar van oordeel dat de e-mail van [verzoeker] van 23 oktober 2025, mede bezien in het licht van de hiervoor genoemde eerdere gedragingen, waarschuwing en schorsing, een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert.
4.7.
Daarbij wordt in de eerste plaats de aard en de ernst van de uitlating van [verzoeker] in de e-mail van 23 oktober 2025 in aanmerking genomen. De bewoordingen die [verzoeker] daarin heeft gebruikt, vindt de kantonrechter een grove belediging en grensoverschrijdend. Dat geldt met name voor de uitlating
‘Droom lekker verder vetklep ( [naam] )’en de weigering van [verzoeker] om een gesprek aan te gaan, met de toevoeging
‘dus dikke pech heb je (…)’, De kantonrechter is het met Vomar eens dat dit onaanvaardbaar gedrag is.
4.8.
Verder neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat [verzoeker] op 30 april 2025 betrokken is geweest bij een incident met een klant in de supermarkt waar hij werkzaam was. Uit de door Vomar overgelegde videobeelden blijkt dat [verzoeker] zich onprofessioneel en intimiderend richting een klant heeft gedragen. [verzoeker] is op zijn gedrag en zijn voorbeeldfunctie als teamleider door Vomar aangesproken en tijdelijk overgeplaatst. De stelling van [verzoeker] dat niet hij, maar de klant zich agressief en intimiderend heeft gedragen, vindt geen steun in de videobeelden. [verzoeker] is hier dus al gewezen op zijn gedrag en gewaarschuwd.
4.9.
Vervolgens heeft [verzoeker] op 23 mei 2025 een waarschuwing gekregen vanwege zijn gedrag rondom de discussie over het loonbeslag. [verzoeker] heeft zijn manager in eerdergenoemd Whatsapp-bericht van 23 mei 2025 laten weten dat hij niet bereid was zijn werkzaamheden te hervatten zolang de situatie met het loonbeslag niet naar zijn tevredenheid was opgelost. Een dergelijke houding vindt de kantonrechter in strijd met goed werknemerschap. Vomar is immers wettelijk verplicht om zich aan het loonbeslag te houden en kan hieraan niets doen. Aan deze waarschuwing is verder ten grondslag gelegd dat [verzoeker] zich tijdens het gesprek over het loonbeslag heeft uitgelaten op een wijze die als onprettig en onveilig is ervaren en dat hij tegen [naam] heeft gezegd dat zij ‘
maar normaal moest gaan kijken’. [verzoeker] heeft dit alles niet gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Ook hier was dus sprake van een waarschuwing dat [verzoeker] ongepast gedrag achterwege moest laten.
4.10.
Daarna is [verzoeker] op 26 mei 2025 geschorst wegens het vertonen van ongepast gedrag. Daarbij ging het om de door [verzoeker] gebruikte bewoordingen in de e-mail van 23 mei 2025 aan [naam] , onder andere
‘Ik adviseer je om mij niet te mailen en met rust te laten. Je gaat te ver. Ik ga ook al een grote klacht tegen jou indienen. Jou gedrag is ongepast […] Dit is een finale waarschuwing’. Ook zag die schorsing op de bewoordingen in Whatsappberichten van [verzoeker] uit die periode aan zijn leidinggevende, namelijk
‘Ya’ll are gonna pay’en
‘Hoe jullie alles doen en vies spelen Fuck [naam] Moet bij deze uit mn buurt blijven We gaan dit via de rechtbank doen Hele wijze van jullie is niks.’De kantonrechter overweegt dat ook deze bewoordingen beledigend en grensoverschrijdend zijn en dat de schorsing mede als een waarschuwing moet worden aangemerkt.
4.11.
De kantonrechter concludeert dat gelet op het voorgaande sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet, omdat [verzoeker] zich in zijn e-mail van 23 oktober 2025 op onaanvaardbare wijze heeft uitgelaten, terwijl [verzoeker] zich ook al eerder schuldig had gemaakt aan wangedrag en hij daarvoor is gewaarschuwd.
4.12.
[verzoeker] is door Vomar nog in de gelegenheid gesteld om excuses aan te bieden voor zijn beledigende woorden in de e-mail van 23 oktober 2025, maar [verzoeker] heeft daarvan geen gebruik gemaakt binnen de gestelde termijn. Overigens blijkt uit de e-mail van [verzoeker] van 27 oktober 2025, die na de gestelde termijn is verstuurd, niet duidelijk waarvoor hij excuses maakt. Die reactie van [verzoeker] doet daarom niet af aan de dringende reden voor het ontslag op staande voet.
4.13.
Een verklaring voor zijn gedrag heeft [verzoeker] niet gegeven. Wel heeft [verzoeker] gesteld dat hij zelf is beledigd en gediscrimineerd door Vomar. Vomar heeft dit gemotiveerd weersproken, zodat het op de weg van [verzoeker] had gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. [verzoeker] heeft ook niet toegelicht wat er in dit kader feitelijk is gezegd of gebeurd. En uit de stukken blijkt hiervan ook niets. [verzoeker] noemt in zijn verzoekschrift en op de zitting nog een incident op 5 mei 2025, maar concretiseert dit verder niet. De kantonrechter ziet hierin dus geen omstandigheid waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van het ontslag op staande voet.
4.14.
Naar de kantonrechter begrijpt, doet [verzoeker] ook een beroep op zijn medische situatie. [verzoeker] onderbouwt echter op geen enkele wijze dat zijn gedrag kan worden verklaard door zijn medische gesteldheid. De kantonrechter kan [verzoeker] op dit punt daarom niet volgen. Ook overigens is uit de stukken niet op te maken dat er een verband bestaat tussen zijn gedrag en zijn medische gesteldheid. Weliswaar heeft de bedrijfsarts in zijn rapport van 30 juni 2025 opgemerkt dat er agressieregulatie speelt, maar een verdere toelichting ontbreekt. Er zijn dus geen medische redenen die een verklaring of excuus kunnen opleveren voor het gedrag van [verzoeker] . Bovendien gaat het hier niet om uitlatingen die in een emotionele opwelling zijn gedaan. [verzoeker] heeft zijn uitlatingen immers (voornamelijk) in e-mails en via Whatsappberichten gedaan. Hij heeft dus de tijd gehad om erover na te denken wat hij zou opschrijven. Daarbij heeft hij, zoals hiervoor al is overwogen, gelegenheid gekregen om zijn excuses te maken en die gelegenheid heeft hij ook niet (tijdig) gebruikt.
4.15.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat Vomar had moeten volstaan met een minder verstrekkende maatregel, zoals [verzoeker] aanvoert. Daarvoor wegen de aard en de ernst van de dringende reden te zwaar. Er is ook geen sprake van een langdurig dienstverband dat daartegenover gewicht in de schaal kan leggen ten gunste van [verzoeker] . [verzoeker] heeft geen (andere) persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die aan een ontslag op staande voet in de weg staan. De kantonrechter vindt het niet aannemelijk dat [verzoeker] , gelet op de arbeidsmarkt en zijn leeftijd, niet in staat zal zijn om ander werk te vinden. Dat [verzoeker] nog steeds arbeidsongeschikt is, doet hieraan niet af. Uit de informatie van de bedrijfsarts komt naar voren dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] voor een groot deel werk gerelateerd is. De verwachting is dan ook gerechtvaardigd dat [verzoeker] spoedig zal herstellen.
4.16.
Verder is voor de geldigheid van een ontslag op staande voet vereist dat de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd, onder onverwijlde mededeling van de dringende reden daarvoor aan de werknemer. [5] Anders dan [verzoeker] , vindt de kantonrechter dat het ontslag onverwijld is gegeven, om de volgende reden.
4.17.
De e-mail van donderdag 23 oktober 2025 was voor Vomar de druppel die de emmer deed overlopen, zoals hiervoor is overwogen. Vast staat dat Vomar op vrijdag 24 oktober 2025 aan [verzoeker] de kans heeft geboden om tot maandag 27 oktober 2025 om 12.00 uur zijn excuses aan te bieden. Op de zitting heeft Vomar verklaard dat zij [verzoeker] het weekend de tijd wilde geven om zijn bewoordingen te laten bezinken of eventueel een rechtsbijstandverlener te raadplegen. Nadat Vomar duidelijk was dat [verzoeker] niet tijdig excuus had aangeboden, is Vomar direct overgegaan tot ontslag op staande voet met de brief van haar advocaat van 27 oktober 2025. Gelet op deze gang van zaken heeft Vomar voldoende voortvarend gehandeld en is het ontslag onverwijld gegeven.
4.18.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet op 27 oktober 2025 rechtsgeldig is geëindigd. De door [verzoeker] verzochte vernietiging van dat ontslag en de daarbij behorende nevenverzoeken worden daarom afgewezen. Aan [verzoeker] komt dan ook geen loon toe na 27 oktober 2025.
4.19.
[verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift loonbetaling gevorderd vanaf 23 mei 2025. Op de zitting heeft [verzoeker] erkend dat Vomar het loon vanaf 23 mei 2025 tot de datum van het ontslag op staande voet gewoon heeft betaald. Vervolgens heeft [verzoeker] op de zitting zijn vordering gewijzigd in de zin dat (ook) vertragingsschade wegens het te laat betalen van het loon wordt gevorderd. De kantonrechter merkt deze wijziging aan als een vermeerdering van eis en die vermeerdering wordt buiten beschouwing gelaten. Die vermeerdering is namelijk in strijd met een goede procesorde, omdat deze veel te laat is gedaan en Vomar schaadt in haar mogelijkheden om daartegen verweer te voeren.
4.20.
De kantonrechter begrijpt dat de subsidiaire verzoeken van [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging voorwaardelijk bedoeld zijn, namelijk voor het geval [verzoeker] zou willen berusten in het einde van het dienstverband en een zogenoemde ‘switch’ zou willen maken. Zo’n ‘switch’ heeft [verzoeker] niet gemaakt. De kantonrechter komt daarom niet toe aan beoordeling van het voorwaardelijke verzoek. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat er ook geen grond is voor toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, omdat het ontslag op staande voet terecht is gegeven.
4.21.
Er is geen reden om Vomar te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, omdat Vomar wordt gevolgd in haar stelling dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De feiten en omstandigheden die een dringende reden zijn voor het ontslag op staande voet, leveren in dit geval ook ernstig verwijtbaar handelen op van [verzoeker] . Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [verzoeker] heeft daarover ook niets aangevoerd.
4.22.
Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoeker] . [6]
4.23.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van Vomar worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beoordeling van het (tegen)verzoek van Vomar

5.1.
Vomar heeft als tegenverzoek (en als zelfstandig verzoek) verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, op voorwaarde dat het verzoek tot toekenning van de billijke vergoeding en de transitievergoeding wordt afgewezen. Hiervoor is overwogen dat het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding niet hoeft te worden beoordeeld. Dit betekent dat de voorwaarde waaronder Vomar haar (tegen)verzoek heeft gedaan, niet (in zijn geheel) is vervuld. Het verzoek kan daarom niet worden beoordeeld en er hoeft ook niet op te worden beslist.
5.2.
Op de zitting heeft Vomar, nadat de kantonrechter hierover vragen heeft gesteld, haar verzoek gewijzigd in die zin dat ook om een gefixeerde schadevergoeding wordt verzocht voor het geval dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. De kantonrechter laat ook deze eiswijziging en -vermeerdering niet toe, om dezelfde reden als genoemd onder 4.19.
5.3.
Er wordt geen beslissing genomen op het verzoek van Vomar en er is daarom ook geen reden voor een proceskostenveroordeling of een beslissing daarover.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst het verzoek van [verzoeker] af;
6.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. [7]
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, in samenwerking met
mr. S.C. Jacobs, griffier/juridisch adviseur, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:677 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2022:860 (
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2000, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2000:AA4436 (
4.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 1981, gepubliceerd in NJ 1982/100 (
5.Artikel 7:677 lid 1 BW Pro.
6.Artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
7.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.