Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4161

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
HAA 26/577 en HAA 25/6145
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.11 OwArt. 3:4 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen gedoogbeschikking aanleg laagspanningskabel op perceel eisers

Eisers zijn het niet eens met de door de minister opgelegde gedoogplicht voor de aanleg en instandhouding van een laagspanningskabel op hun perceel. De kabel wordt aangelegd door een netbeheerder om een nabijgelegen perceel aan te sluiten op het stroomnet. Eisers voeren aan dat de minister onvoldoende heeft getoetst of er een redelijke poging tot minnelijke overeenstemming is gedaan, dat de aanleg meer belemmerend is dan noodzakelijk en dat er onvoldoende belangenafweging heeft plaatsgevonden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de netbeheerder een serieuze poging tot overleg heeft gedaan, waarbij ook technische aanpassingen zijn gedaan op verzoek van eisers. Het perceel wordt niet meer belemmerd dan redelijkerwijs nodig is en eisers hebben geen concreet en technisch onderbouwd alternatief tracé aangetoond dat minder belemmerend is.

De belangenafweging is terughoudend getoetst en de minister mocht uitgaan van de deskundigheid van de netbeheerder. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de gedoogbeschikking wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 26/577 en HAA 25/6145
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] en mevrouw [eiseres] , uit [plaats 1] , eisers

(gemachtigde: mr. M.D. Kaak),
en

De minister van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat Corporate Dienst

(gemachtigde: mr. ir. M.A. Drapers BA).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] . uit [plaats 2]
(gemachtigde: mr. J.A.M.A. Sluysmans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedoogbeschikking die de minister aan eisers heeft opgelegd. De gedoogbeschikking ziet op het perceel van eisers [perceelnummer] (hierna: het perceel) op de legakker [adres 1] in [plaats 3] . [derde-partij] wil vanaf het perceel een laagspanningskabel aanleggen om [adres 2] op een andere legakker aan te sluiten op het stroomnet. Met de bestreden beschikking moeten eisers dit gedogen en daar zijn zij het niet mee eens. Eisers hebben daarom beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren gronden aan over het gevoerde minnelijke overleg, over de vraag of de aanleg niet meer belemmerend is dan noodzakelijk en over de belangenafweging. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of de minister de gedoogbeschikking op goede gronden heeft opgelegd.
2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister een serieuze poging tot minnelijk overleg heeft gedaan, ten aanzien van het perceel van eisers niet is gebleken dat de aanleg en het aanlegproces meer belemmerend is dan noodzakelijk en dat de minister een zwaarder belang kon toekennen aan de aanlegplicht dan aan het belang van eisers bij (aanvullend) onderzoek naar alternatieve tracés.
3. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak ook doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Inleiding

4. [derde-partij] heeft van de rechthebbende van [adres 2] een verzoek gekregen om de onroerende zaak te voorzien van een aansluiting op het publieke laagspanningsnet. Op grond van de Elektriciteitswet 1998 is [derde-partij] verplicht om de aansluiting aan te leggen.
4.1.
De omgeving van [locatie] kenmerkt zich door verschillende legakkers met recreatiewoningen die omgeven worden door oppervlaktewater. Volgens [derde-partij] zal de aansluiting dan ook moeten worden aangelegd met een gestuurde boring in de grond onder het oppervlaktewater. Met de boring wordt een mantelbuis aangebracht waardoorheen een laagspanningskabel wordt getrokken die is aangesloten op een bestaande netkabel van [derde-partij] . Op het perceel van eisers is zo’n netkabel met aansluitpunt van [derde-partij] aanwezig en volgens [derde-partij] is het perceel ook de best beschikbare optie voor het werkterrein voor de boorwerkzaamheden.
4.2.
[derde-partij] heeft met eisers geen schriftelijke overeenstemming bereikt over de aanleg en instandhouding van de netkabel en het daarvoor te vestigen zakelijk recht op het perceel. Daarbij is volgens [derde-partij] een alternatief tracé niet mogelijk gebleken, zodat [derde-partij] toch het perceel van eisers moet gebruiken. Hierom heeft [derde-partij] bij de minister een aanvraag gedaan om aan eisers een gedoogplicht op te leggen.
4.3.
De minister heeft de aanvraag behandeld met de uniforme uitgebreide voorbereidingsprocedure. Het ontwerpbesluit ter verlening van de gedoogbeschikking heeft van 24 juli 2025 tot en met 3 september 2025 ter inzage gelegen. Eisers hebben hun zienswijze gegeven. Op 10 september 2025 vond de hoorzitting plaats, waarna [derde-partij] een nadere reactie heeft gegeven.
4.4.
Met het bestreden besluit van 18 november 2025 heeft de minister eisers de plicht opgelegd om de aanleg en instandhouding van de nieuwe laagspanningskabel te gedogen. Het gaat om een tijdelijke gedoogplicht voor de aanlegwerkzaamheden op hun perceel (oppervlakte werkterrein: 125 m²), en een permanente gedoogplicht voor de aanwezigheid en het onderhoud van de laagspanningskabel in de grond (oppervlakte belaste strook: 95 m²). Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
4.5.
De minister heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep gereageerd met een verweerschrift. [derde-partij] heeft ook schriftelijk gereageerd. Eisers hebben tot slot op 16 maart 2026 een nadere reactie ingediend.
4.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] met de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van de minister en de gemachtigde van [derde-partij] met [naam] .
4.7.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers daartegen. [1]
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wettelijk kader
5. Op grond van artikel 10.11 van de Omgevingswet (Ow) kan een gedoogplicht worden opgelegd als voor een werk van algemeen belang:
voor bepaalde of bepaalde tijd gebruik moet worden gemaakt van een onroerende zaak,
met de rechthebbende op de onroerende zaak ondanks een redelijke poging daartoe geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over het gebruik daarvan,
het gebruik van de onroerende zaak niet meer zal worden belemmerd dan redelijkerwijs nodig is, en
e belangen van de rechthebbende redelijkerwijs onteigening niet vorderen.
Omvang van het geschil
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat aan de voorwaarden in artikel 10.11, onder a en d, van de Ow is voldaan. De beroepsgronden van eisers richten zich op de vraag of voldaan is aan de voorwaarden onder b en c, en of de minister op goede gronden gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid.
Redelijke poging tot schriftelijke overeenstemming (sub b)
7.1.
Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de minister zich dient te vergewissen of [derde-partij] een serieuze en redelijke poging heeft ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen met eisers. Daarbij moet de minister onderzoeken of de voorstellen niet op voorhand onwerkelijk en onredelijk zijn. Bij deze vraag is niet alleen van belang of [derde-partij] volgens de minister eisers een redelijk voorstel heeft gedaan voor de overeenkomst tot vestiging van een opstalrecht en daartoe redelijk overleg heeft plaatsgevonden. Ook is van belang dat [derde-partij] maatwerk kan leveren, om zo nodig af te kunnen wijken van de standaardovereenkomst. De minister mag door eisers gedane tegenvoorstellen niet op voorhand buiten zijn beoordeling laten. [2] Dit toetsingskader is tussen partijen niet in geschil.
7.2.
Eisers voeren aan dat de minister de gedoogplicht niet kon opleggen omdat hij niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht uit artikel 10.11, onder b, van de Ow. Tijdens het minnelijk overleg hebben eisers [derde-partij] expliciet en meermaals verzocht om informatie over welke alternatieven zijn onderzocht, welke technische en ruimtelijke criteria daarbij worden gehanteerd en op welke gronden uiteindelijk voor het tracé over hun perceel is gekozen. Concreet wijzen eisers op e-mails van 14 september 2023 en 5 juli 2024. Hier hebben eisers geen, dan wel geen duidelijk antwoord op gekregen. [derde-partij] heeft daarom geen serieuze en redelijke poging tot een overlegsituatie gedaan. Hoewel [derde-partij] heeft gezegd bereid te zijn de gevraagde informatie te leveren, hebben eisers dat nog steeds niet gekregen. Daarbij heeft [derde-partij] tijdens de gedoogplichtprocedure besloten de boring dieper te doen, wat impliceert dat het eerste plan technisch niet de beste uitvoeringsvariant was. Het minnelijk overleg heeft daarom plaatsgevonden over een aanbod voor een inferieur plan. Volgens eisers heeft [derde-partij] tijdens het minnelijk overleg vastgehouden aan dit ene aanbod, zonder ruimte voor inhoudelijke variatie.
7.3.
De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat [derde-partij] voldoende pogingen heeft ondernomen om met eisers op minnelijke wijze overeenstemming te bereiken. De minister verwijst naar het bijgehouden logboek. [derde-partij] is daarbij gemotiveerd ingegaan op de vragen en opmerkingen van eisers. Ook heeft [derde-partij] gehoor gegeven aan de wens van eisers voor een diepere boring. Verder heeft [derde-partij] in de e-mail van 18 december 2024 aangegeven welke informatie zij wel en niet kan delen met eisers over de technische keuzes voor het gekozen tracé. Desondanks werd het voorstel tot een overeenkomst andermaal door eisers verworpen.
7.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister terecht en op goede gronden erkend dat [derde-partij] een redelijke en serieuze poging heeft ondernomen om langs minnelijke weg met eisers tot overeenstemming te komen. In zoverre heeft de minister voldaan aan zijn vergewisplicht.
7.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [derde-partij] in de periode voorafgaand aan het opleggen van de gedoogplicht een logboek heeft bijgehouden. De contactmomenten zijn daarin opgesomd in een tabel en de daaronder liggende documenten zijn aan het dossier toegevoegd. Uit het logboek blijkt dat [derde-partij] aan eisers al op 17 juli 2023 een conceptovereenkomst voor het zakelijk opstalrecht heeft gestuurd. Hierop hebben eisers meerdere malen aangegeven geen medewerking te willen verlenen en vragen gesteld over en kanttekeningen geplaatst bij het tracé en de technische uitvoerbaarheid van het plan.
7.6.
De rechtbank overweegt verder dat [derde-partij] per e-mail van 16 oktober 2023 inhoudelijk heeft gereageerd op de e-mail van eisers van 14 september 2023. Hierin geeft [derde-partij] aan eisers aan dat een alternatief tracé in verband met het aanwezige water technisch gezien niet mogelijk is. Omdat de boorkop gevolgd moet worden vanuit een boot, is inmeting in het gebied lastig. Ook legt [derde-partij] uit dat derden geen inspraak hebben in de technische keuzes van een netbeheerder.
7.7.
Per e-mail van 16 november 2023 hebben eisers [derde-partij] verzocht om de boring uit te voeren op een minimale diepte van 7 meter in verband met de aanwezige beschoeiing. Per e-mails van 10 januari 2024 en 11 juni 2024 heeft [derde-partij] hieraan medewerking verleend, met daarbij de vraag of eisers hiermee alsnog kunnen instemmen met het vestigen van een zakelijk recht. Dit hebben eisers geweigerd.
7.8.
Per e-mails van 5 juli 2024 en 17 december 2024 reageren eisers op de e-mail van [derde-partij] van 16 oktober 2023. Hierbij herhalen zij hun vragen en inzageverzoek. Per e-mail van 18 december 2024 heeft [derde-partij] gereageerd. Hierin geeft [derde-partij] aan met het oog op een eventuele schadevergoeding een nulmeting te doen voor aanvang van de werkzaamheden. Ook geeft [derde-partij] meer informatie over de technische afwegingen bij het gekozen tracé. Zo zijn het beschikbare ruimtebeslag en de dichtstbijzijnde technische geschikte laagspanningskabel bij de
engineeringmeegewogen. In haar reactie op het beroep heeft [derde-partij] bovendien toegelicht dat eisers pas tijdens de gedoogplichtprocedure meer concrete informatieverzoeken hebben gedaan.
7.9.
Gelet op de bovenstaande overlegsituatie is voor de voorzieningenrechter niet gebleken dat de minister heeft miskend dat [derde-partij] een te beperkt aanbod voor een zakelijk opstalrecht heeft gedaan of eisers in deze fase van te weinig (technische) informatie heeft voorzien over de afwegingen tot het gekozen tracé. De beroepsgrond slaagt niet.
Niet meer belemmerd dan redelijkerwijs nodig (sub c)?
8.1.
Eisers voeren aan dat met de gedoogbeschikking voor dit tracé het gebruik van het perceel en de achtertuin meer wordt belemmerd dan redelijkerwijs nodig. De minister moet aantonen dat de gekozen uitvoering de minst bezwarende is voor het perceel. De beperking van de tuin is echter buitengewoon ingrijpend en evident niet marginaal. Hierom hebben eisers een concreet alternatief tracé aangedragen, met het aansluitpunt op een ander perceel.
8.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat de tijdelijke en permanente gedoogplicht niet meer belemmerend zijn dan redelijkerwijs nodig. Het perceel van eisers wordt niet onbruikbaar. [derde-partij] mag door eisers gewenste activiteiten niet zonder redelijke grond weigeren. Verder duren de werkzaamheden waar de tijdelijke gedoogplicht op ziet niet onredelijk lang.
8.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat als uitgangspunt geldt dat de belemmering van het gebruik van het betrokken perceel op perceelniveau wordt beoordeeld. Het gaat om een beoordeling van de proportionaliteit van de opgelegde belemmeringen ten aanzien van het gekozen tracé. Eisers hebben evenwel niet aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond dat [derde-partij] voor hun eigen perceel ook een ander minder belemmerend tracé had kunnen en moeten kiezen. Dat [derde-partij] ook had kunnen kiezen voor een mogelijk alternatief tracé over een ander perceel dan dat van eisers, is hier niet relevant. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
9. De voorzieningenrechter komt tot de tussenconclusie dat de minister op goede gronden heeft beoordeeld dat voldaan is aan de voorwaarden in artikel 10.11 van de Ow, om aan eisers een gedoogplicht op te leggen.
Belangenafweging
10.1.
De voorzieningenrechter stelt in het kader van de belangenafweging voorop dat naast de toets aan de voorwaarden in artikel 10.11 van de Ow ook de ruimere toets uit artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht aan de orde is. Immers bevat artikel 10.11 van de Ow een
kan-bepaling, oftewel een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat ter beoordeling of een gedoogplicht wordt opgelegd een bredere belangenafweging moet plaatsvinden. Hierbinnen kunnen belangen worden meegewogen die niet doorslaggevend zijn voor een van de (door eisers bestreden) voorwaarden en waarbij de belangen in samenhang worden gezien. Dit wordt bevestigd in de wetsgeschiedenis van artikel 10.11 van de Ow, waaruit volgt dat het opleggen van een gedoogplicht niet dwingend is voorgeschreven. [3]
10.2.
De voorzieningenrechter betrekt de gronden van eisers over een mogelijk alternatief tracé dus in de sleutel van de belangenafweging in het kader van de evenredigheid van het genomen besluit. De voorzieningenrechter toetst deze belangenafweging terughoudend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon de minister ten tijde van het bestreden besluit in redelijkheid uitgaan van de deskundigheid van [derde-partij] en de verstrekte informatie over de keuze voor het te gedogen tracé.
10.3.
Eisers hebben tijdens het minnelijk overleg en de zienswijzeprocedure informatie verzocht over de selectiecriteria en andere onderzochte tracés. In hun beroepsgronden en op de zitting hebben eisers op de landkaart andere tracés voorgesteld, zoals vanaf ander eilandjes en een omgekeerde boring vanaf de doellocatie naar het perceel van eisers. De voorzieningenrechter overweegt dat het in beginsel aan eisers is om te onderbouwen dat een alternatief tracé geschikt is en minder nadelen oplevert. Dit kan bijvoorbeeld met een rapport van een deskundige. [4] Eisers hebben de door hen voorgestelde alternatieven niet concreet (technisch) onderbouwd, zodat niet is gebleken dat de alternatieve tracés een volwaardig vergelijkbaar alternatief zijn die minder belemmerend zijn of minder bezwaren zullen oproepen.
10.4.
Dat eisers stellen op een kennisachterstand te staan door het uitblijven van gedetailleerde (technische) informatie van [derde-partij] of de minister, maakt het oordeel niet anders. [derde-partij] heeft in de stukken en op de zitting uitgelegd dat geen gedetailleerde rapporten zijn opgemaakt en dat de globaal aangedragen alternatieven van eiser technisch niet haalbaar zijn. Er is geen reden om aan deze toelichting wezenlijk te twijfelen. Op het aangedragen alternatief tijdens het minnelijk overleg heeft [derde-partij] gereageerd. Op de zitting heeft [derde-partij] ook toegelicht dat vanaf een eiland moet worden geboord en de boring niet te lang moet zijn. Hoe langer de kabel, hoe meer spanningsverlies. Alternatieve eilandjes in de buurt zijn geheel of gedeeltelijk bebost, zodat eerst bomen moeten worden gekapt voordat de boring kan plaatsvinden. Op het perceel van eisers is daarbij een goede aansluiting voor een aftakking aanwezig. Deze aspecten zijn beoordeeld door de tracé-ingenieur.
Ten overvloede
11. Op de zitting heeft [derde-partij] aangeboden om eisers in contact te brengen met de tracé-ingenieur om de technische details te bespreken. De voorzieningenrechter spoort partijen aan om met elkaar in gesprek te blijven en eventuele onduidelijkheden onderling uit de lucht te helpen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de gedoogbeschikking in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2378, rechtsoverweging 19.1. Deze overweging van de Afdeling is nog gebaseerd op het voorheen geldende (gelijkluidende) artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. De voorzieningenrechter past de relevante rechtspraak van de Afdeling overeenkomstig toe op het beroep op artikel 10.11, onder b, van de Omgevingswet, in navolging van uitspraken van andere rechtbanken over de gedoogbeschikking onder de Omgevingswet.
3.Zie ook rechtsoverweging 6.3 van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1772 en de Kamerstukken
4.Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 3.3.4 van de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 29 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2760.