Verordening (EU) nr. 2022/58Art. 1 Verordening (EU) nr. 2022/58
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van antidumpingheffing en geldigheid handelsfacturen bij invoer elektromotoren
Eiseres, een producent van elektromotoren en transformatoren, werd geconfronteerd met een naheffing van antidumpingrechten door de Douane. De heffing betrof een bedrag van €336.169,79, gebaseerd op het algemene antidumpingtarief van 36,6% voor goederen uit een bepaald land. Eiseres stelde dat de goederen afkomstig waren van een onderneming met een lager individueel antidumpingtarief van 21,5% en dat de handelsfacturen geldig waren.
De rechtbank oordeelde dat de handelsfacturen niet voldeden aan de cumulatieve voorwaarden van de Verordening (EU) nr. 2022/58, omdat de naam van de bevoegde medewerker en de datum van de verklaring ontbraken. Dit vormde een onoverkomelijk gebrek waardoor het lagere tarief niet kon worden toegepast. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en het gerechtshof Amsterdam ter onderbouwing.
Verder stelde eiseres dat de heffing onevenredig was omdat de goederen voor een hogere prijs dan de minimuminvoerprijs waren gekocht. De rechtbank stelde dat de heffing geen sanctie is maar een objectieve naheffing op basis van de antidumpingverordening, waarbij geen individuele beoordeling van dumping plaatsvindt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de naheffing. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige douanekamer van de Rechtbank Noord-Holland op 3 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de antidumpingheffing wordt ongegrond verklaard en de naheffing wordt gehandhaafd.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/2784
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 3 februari 2026 in de zaken tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,
en
de inspecteur van de Douane, verweerder.
Inleiding
Dit beroep gaat over de verschuldigdheid van antidumpingheffing.
Op 18 september 2023 heeft verweerder aan eiseres een uitnodiging tot betaling (utb) met kenmerk eindigend op [#] uitgereikt voor een bedrag van € 336.169,79 aan antidumpingrechten.
Verweerder heeft met de uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de utb ongegrond verklaard.
Eiseres heeft een beroepschrift ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting was op 12 januari 2026. Namens eiseres verschenen
mr. [naam 1] (legal counsel), [naam 2] (manager supply chain) en [naam 3] (manager inkoop). Verweerder heeft zich digitaal laten vertegenwoordigen door
mr. [naam 4] en [naam 5] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres houdt zich bezig met de vervaardiging van elektromotoren en elektrische generatoren en transformatoren.
2. Op 6 februari 2023 heeft [bedrijf 1] B.V. op naam en voor rekening van eiseres een aangifte met kenmerk eindigend op [#] gedaan tot plaatsing van drie artikelen onder de regeling ‘in het vrije verkeer brengen’. Als land van oorsprong is [land] aangegeven.
3. De goederen zijn geselecteerd voor een bescheidcontrole en fysieke controle. Uit het monsteronderzoek volgde dat de drie artikelen met onjuiste goederencodes zijn aangegeven.
4. Verweerder heeft, na akkoord op de voornemens daartoe, de goederencodes in de aangifte gecorrigeerd. Vervolgens heeft verweerder de utb uitgereikt waarbij het antidumpingrecht dat geldt voor alle andere [land] ondernemingen (36,6%) is toegepast.
5. In bezwaar heeft eiseres documenten overgelegd, waaronder handelsfacturen, ter onderbouwing van haar standpunt dat zij geen althans een lager bedrag aan antidumpingrechten verschuldigd is. Met de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de utb gehandhaafd, omdat de handelsfacturen volgens verweerder niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in bijlage I van de Verordening (EU) nr. 2022/58.
Geschil
6. In geschil is of verweerder de utb terecht heeft uitgereikt en of deze op het juiste bedrag is berekend. Ter zitting heeft eiseres de eerdergenoemde beroepsgronden toegespitst op het volgende. Eiseres stelt dat de goederen zijn geproduceerd door [bedrijf 2] Co., Ltd, [stad] , [land] ( [bedrijf 2] ), voor welk bedrijf een verlaagd antidumpingrecht geldt, en bovendien zijn gekocht voor een hoger bedrag dan de minimuminvoerprijs. Hierdoor meent zij dat geen antidumpingrechten mogen worden geïnd, althans dat zij aanspraak kan maken op het voor [bedrijf 2] geldende individuele antidumpingrecht van 21,5% in plaats van het algemene tarief van 36,6 %. Ook voert eiseres aan dat de uitreiking van de utb niet evenredig/proportioneel is, omdat zij de goederen voor een hoger bedrag dan de minimuminvoerprijs heeft gekocht en dus volgens haar geen sprake is van dumping.
Volgens verweerder leidt de ongeldigheid van de handelsfacturen tot de vaststelling van de utb met toepassing van het algemene tarief van het antidumpingrecht. De heffing voldoet aan de antidumpingverordening en is daarmee evenredig.
Juridisch kader
7. In de preambule van de Verordening (EU) nr. 2022/58 staat, voor zover van belang:
“(411) Op basis van de conclusies inzake de waarschijnlijkheid van voortzetting en herhaling van dumping en schade door de invoer uit de betrokken landen, en gezien het belang van de Unie, heeft de Commissie geconcludeerd dat de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van het onderzochte product van oorsprong uit de VRC , Japan, de Republiek Korea, de Russische Federatie en de Verenigde Staten van Amerika moeten worden gehandhaafd.
(…)
(414) De individuele antidumpingrechten voor ondernemingen die in deze verordening worden genoemd, zijn uitsluitend van toepassing op de invoer van het onderzochte product voor zover het van oorsprong is uit de betrokken landen en is geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Ten aanzien van de invoer van het onderzochte product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die met de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat voor “alle andere ondernemingen” geldt. Die invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten.
(415) Om het gevaar van ontwijking zo veel mogelijk te beperken, moeten in dit geval bijzondere maatregelen worden genomen om een goede toepassing van de antidumpingmaatregelen te garanderen. Deze bijzondere maatregelen omvatten onder meer de overlegging aan de douaneautoriteiten van de lidstaten van een geldige handelsfactuur en een geldig fabriekscertificaat, die voldoen aan de eisen die zijn vermeld in de artikelen van deze verordening. Voor invoer die niet vergezeld gaat van een dergelijke factuur en een dergelijk fabriekscertificaat, geldt het ad-valoremrecht voor alle andere ondernemingen, zonder verwijzing naar de minimuminvoerprijzen.”
8. Artikel 1 vanPro de Verordening (EU) nr. 2022/58 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“2. Het bedrag van het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op het in lid 1 omschreven product, vervaardigd door de in lid 4 met naam genoemde ondernemingen, is gelijk aan het verschil tussen de in lid 3 vastgestelde minimuminvoerprijs en de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, indien deze laatste lager is dan de minimuminvoerprijs. Er wordt geen recht geïnd wanneer de nettoprijs, franco grens Unie, gelijk is aan of hoger is dan de overeenkomstige in lid 3 vastgestelde minimuminvoerprijs. (…)
3. Voor de toepassing van lid 2 geldt de in de onderstaande tabel vastgestelde minimuminvoerprijs. (…)
Betrokken landen
Assortiment
Minimuminvoerprijs
(EUR/t nettoproductgewicht)
Volksrepubliek China , Japan, Verenigde Staten van Amerika, Russische Federatie, Republiek Korea
Producten met een maximaal kernverlies van niet meer dan 0,9 W/kg
2 043
(…)
4. Voor de toepassing van lid 2 gelden de in de tabel hieronder vastgestelde ad-valoremrechten.
Onderneming
Ad-valoremrecht
Aanvullende Taric-code
[bedrijf 2] Co., Ltd, [stad] , [land]
21,5 %
C039
(…)
5. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op het in lid 1 omschreven product, vervaardigd door andere ondernemingen die niet specifiek worden genoemd in lid 4, is het ad-valoremrecht dat is opgenomen in de onderstaande tabel.
Onderneming
Ad-valoremrecht
Aanvullende Taric-code
Alle andere [land] ondernemingen
36,6 %
C999
(…)
6. De maatregelen voor de in lid 4 genoemde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur en een fabriekscertificaat, opgesteld conform de voorwaarden in de bijlagen I en II, worden overgelegd. Wanneer het fabriekscertificaat of de factuur niet worden overgelegd, wordt het recht toegepast dat geldt voor alle andere ondernemingen. (…)”
9. In bijlage I van de Verordening (EU) nr. 2022/58 staan de volgende voorwaarden voor een geldige handelsfactuur vermeld:
“De in artikel 1, lid 6, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring bevatten met de volgende gegevens, ondertekend door een daartoe bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur heeft opgesteld:
—
de naam en de functie van de bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur heeft opgesteld;
—
de volgende verklaring:
“ Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) siliciumstaal met georiënteerde korrel met een kernverlies van (vermelding van het kernverlies) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in (betrokken land). Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”
Datum en handtekening”
Beoordeling van het geschil
10. De Europese Commissie (Commissie) heeft onderzocht en vastgesteld dat sprake is van dumping en schade door de invoer uit onder andere [land] van bepaalde gewalste platte producten met georiënteerde korrel van siliciumstaal. Om deze reden zijn antidumpingmaatregelen ingesteld en gehandhaafd (zie onder 411 van de preambule van de Verordening (EU) nr. 2022/58).
11. Enkel voor met naam genoemde ondernemingen zijn (lagere) individuele antidumpingrechten van toepassing. Ter voorkoming van ontwijking van antidumpingrechten heeft de Commissie de toepassing van deze individuele antidumpingrechten met waarborgen omkleed. Eén daarvan is de overlegging van geldige handelsfacturen die voldoen aan de eisen die zijn vermeld in de bijlagen van de verordening (zie onder 414 en 415 van de preambule en artikel 1, zesde lid, eerste volzin, van de Verordening (EU) nr. 2022/58). Als geldige handelsfacturen ontbreken, wordt het antidumpingrecht voor alle andere ondernemingen toegepast (artikel 1, zesde lid, tweede volzin, van de Verordening (EU) nr. 2022/58).
12. Tussen partijen is niet in geschil dat onder de verklaring op de handelsfacturen alleen de handtekening is opgenomen en dat daarbij niet de naam van de bevoegde medewerker (de naam) en de datum van de verklaring (de datum) staan vermeld. Eiseres voert aan dat het vermelden van deze gegevens geen doel op zich is en (in dit geval) zelfs overbodig omdat de naam van de betrokken medewerker in de handtekening kan worden gelezen en de datum van de verklaring in de datum van de handelsfactuur. Naar het oordeel van de rechtbank ziet verweerder terecht geen ruimte om de naam en de datum in andere onderdelen van de handelsfacturen te lezen. De naam en de datum zijn – naast de andere in bijlage I van de Verordening (EU) nr. 2022/58 genoemde voorwaarden – zelfstandige en dus cumulatieve voorwaarden voor een geldige handelsfactuur. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 oktober 2017 (C-156/16, ECLI:EU:C:2017:754, punt 23) en een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 februari 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:1398, overweging 5.5), waarin ten aanzien van een handelsfactuur wordt overwogen dat voor een geslaagd beroep op een verlaagd antidumpingtarief een geldige handelsfactuur, opgesteld conform de voorwaarden in bijlage II bij die verordening, een onmisbare vereiste is. Nu aan twee voorwaarden van bijlage I niet is voldaan, is geen sprake van geldige handelsfacturen in de zin van deze bijlage. Het individueel antidumpingrecht, dat uitsluitend van toepassing is als wél aan de voorwaarden is voldaan, kan niet worden toegepast.
13. Voor zover de handelsfacturen niet voldoen aan de in bijlage I van de Verordening (EU) nr. 2022/58 genoemde voorwaarden, stelt eiseres dat het niet vermelden van de naam en de datum een ondergeschikt administratief gebrek is. Het toepassen van het antidumpingrecht dat geldt voor alle andere [land] ondernemingen is daarom volgens eiseres in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod op willekeur. De goederen zijn immers, aldus eiseres, afkomstig van de in de verordening met naam genoemde onderneming [bedrijf 2] . De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De Commissie heeft antidumpingmaatregelen ingesteld om de belangen van de Europese Unie (Unie) te beschermen. Voor bepaalde met naam genoemde ondernemingen, zoals [bedrijf 2] , zijn specifieke antidumpingmaatregelen vastgesteld bestaande uit het toepassen van een lager antidumpingrecht dan wel het niet innen van antidumpingrechten. Om daarvoor in aanmerking te komen, moet eiseres onder andere geldige handelsfacturen overleggen. Anders bestaat het risico dat goederen de Unie in komen waarvoor niet (voldoende) antidumpingrechten zijn betaald (zie onder 10 en 11). Als eiseres een geslaagd beroep wil doen op de toepassing van lagere antidumpingrechten, die specifiek voor [bedrijf 2] gelden, dient zij de verplichting om geldige handelsfacturen over te leggen strikt na te komen. Nu dat niet is gebeurd (zie onder 12), heeft verweerder terecht het antidumpingrecht dat geldt voor alle andere [land] ondernemingen op eiseres toegepast. Er is geen sprake van onzorgvuldigheid of willekeur.
14. Eiseres heeft op zitting verder aangevoerd dat de utb een onevenredig/disproportioneel hoge sanctie is. Eiseres heeft de goederen voor een hoger bedrag dan de in artikel 1, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 2022/58 genoemde minimuminvoerprijs van € 2.043 gekocht. Daaruit blijkt, volgens eiseres, dat in haar geval geen sprake is van dumping, zodat de opgelegde antidumpingheffing niet passend is. Anders dan eiseres stelt, is de utb geen boete of sanctie. Het betreft naheffing van objectief verschuldigde antidumpingrechten. Met de Verordening (EU) nr. 2022/58 zijn antidumpingmaatregelen ingesteld, omdat uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat sprake is van dumping bij de invoer uit onder andere [land] (zie onder 11). Verweerder dient deze antidumpingmaatregelen toe te passen. Daarbij vindt geen beoordeling plaats of in een specifiek geval sprake is van dumping. Als geen geldige handelsfacturen, in overeenstemming met de in de bijlagen van de verordening genoemde eisen, zijn overgelegd, is het antidumpingrecht dat geldt voor alle andere ondernemingen van toepassing (artikel 1, zesde lid, tweede volzin, van de Verordening (EU) nr. 2022/58). Dat is een gebonden beslissing. Aangezien verweerder dus geen afweging mag maken, toetst de rechtbank niet (contra legem) de geschiktheid en/of noodzakelijkheid van de aan eiseres opgelegde antidumpingmaatregel.
Slotsom
15. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft.
Proceskostenveroordeling
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.E.A. Chao, voorzitter, en mr. S.K.A. Efstratiades en mr. C.A. Schreuder, leden, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.