Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3213

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
C/15/369932 / HA RK 25-147
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 RvArt. 10 EVRMWet vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrechtRichtlijn (EU) 2024/1069
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor wegens fishing expedition en schending persvrijheid

Bunq heeft een verzoek ingediend voor een voorlopig getuigenverhoor tegen een voormalig medewerker, [verweerder sub 1], wegens vermoedens van ongeoorloofd rekening gluren en het lekken van vertrouwelijke informatie aan de media. De verweerders stelden dat het verzoek een fishing expedition betrof en dat het in strijd was met artikel 10 EVRM Pro en de anti-SLAPP richtlijn.

De rechtbank oordeelde dat Bunq onvoldoende feitelijke aanknopingspunten had geleverd om het verzoek te rechtvaardigen. Het enkele feit dat journalisten aanwezig waren bij een zitting en dat er een gesprek was tussen de moeder van [verweerder sub 1] en journalisten, vormde geen concreet bewijs van lekken. Ook het verzoek om informatie over andere medewerkers werd als te vaag en als fishing expedition beoordeeld.

Bovendien was Bunq's belang bij het verzoek onvoldoende onderbouwd, aangezien al een logboek met gegevens was overgelegd en [verweerder sub 1] de vragen schriftelijk had beantwoord. De rechtbank wees het verzoek af en verleende geen toestemming voor hoger beroep, omdat het belang van [verweerder sub 1] bij het voorkomen van verdere druk en intimidatie zwaarder woog dan het belang van Bunq.

Bunq werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van beide verweerders. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige onderbouwing bij voorlopige bewijsverrichtingen en beschermt tegen misbruik van procesrecht dat de persvrijheid kan schaden.

Uitkomst: Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen en hoger beroep wordt niet toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/369932 / HA RK 25-147
Beschikking van 24 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BUNQ B.V.,
te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Bunq,
advocaat: mr. Chr.A. Alberdingk Thijm,
tegen

1.[verweerder sub 1] ,

te [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.C. Ing,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MEDIAHUIS NRC B.V.,
te Amsterdam,
advocaat: mr. J.P. van den Brink,
verwerende partijen,
hierna ieder afzonderlijk te noemen: [verweerder sub 1] en NRC.
De zaak in het kort
Verzoekster wil een voorlopig getuigenverhoor starten tegen een van de verweerders wegens rekening gluren en het lekken van informatie. De betreffende verweerder meent dat er sprake is van een fishing expedition. De andere verweerder meent daarnaast ook dat het verzoek in strijd is met artikel 10 EVRM Pro en met de anti-SLAPP richtlijn. Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen. Verzoekster krijgt geen toestemming om in hoger beroep van de afwijzing te gaan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ex art. 196 lid 1 Rv Pro van 24 september 2025, met producties 1 tot en met 16;
- het aangepast verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ex art. 196 lid 1 Rv Pro van 15 oktober 2025, met producties 1 tot en met 16;
- de e-mail van 5 december 2025 namens NRC, met het verzoek als belanghebbende te worden aangemerkt;
- de e-mail van 18 december 2025 van de rechtbank, waarin zij mededeelt dat NRC niet als belanghebbende wordt aangemerkt;
- de e-mail van 22 december 2025 namens NRC, waarin NRC de rechtbank verzoekt haar beslissing te heroverwegen op basis van twee recent gedane uitspraken bij de rechtbank Amsterdam;
- de e-mails van 30 december 2025 van de rechtbank, waarin zij (laat weten aan NRC dat zij) Bunq en [verweerder sub 1] verzoekt hun standpunt te geven op het verzoek van NRC om als belanghebbende te worden aangemerkt;
- de e-mails van 6 januari, 8 januari en 10 januari 2026 van de advocaten van Bunq, [verweerder sub 1] en NRC, waarin zij hun standpunt naar voren brengen ten aanzien van het aanmerken van NRC als belanghebbende;
- de e-mail van 15 januari 2026 van de rechtbank, waarin zij laat weten dat NRC als belanghebbende wordt aangemerkt;
- de akte houdende wijziging van het verzoek tevens houdende overlegging aanvullende producties namens Bunq, met producties 17 tot en met 19;
- het verweerschrift tegen het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ex art. 196 lid 1 Rv Pro namens [verweerder sub 1] , met producties 1 tot en met 8;
- het verweerschrift namens NRC, met producties 1 tot en met 3;
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mrs. Alberdingk Thijm, Ing en Van den Brink hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Bunq is een Nederlandse fintech bank. Bunq staat onder toezicht van De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten.
2.2.
[verweerder sub 1] is voormalig werknemer van [de Holding B.V.] , een persoonlijke holding van de heer [naam] (hierna: [naam] ), de CEO van Bunq. [verweerder sub 1] werkte van 1 oktober 2021 tot 12 april 2024 voor [de Holding B.V.] als Operationeel Manager (Staff Assistent). In de praktijk verrichtte [verweerder sub 1] veelal werkzaamheden als personal assistant van [naam] .
2.3.
NRC is uitgever van diverse journalistieke media, waaronder dagblad NRC en nrc.nl. Op 26 juni 2024 is een artikel in NRC geplaatst met de titel “
Bunq-medewerkers keken stiekem in klantrekeningen: ‘Het was te verleidelijk’”. In dit artikel wordt geschreven over “rekening gluren” door medewerkers van Bunq, het beleid van Bunq op dat punt en de mate waarin medewerkers toegang hadden tot klantgegevens.
2.4.
Bunq heeft NRC naar aanleiding van dat artikel in kort geding gedagvaard. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Bunq bij vonnis van 23 juli 2024 afgewezen. [1] Bunq is in hoger beroep gegaan van het vonnis, maar heeft dit hoger beroep ingetrokken.
2.5.
In september en december 2024 en in juni en juli 2025 heeft Bunq contact gezocht met [verweerder sub 1] over vragen die Bunq aan [verweerder sub 1] wilde stellen in het kader van rekening gluren en het delen van vertrouwelijke informatie met derden. Ook heeft Bunq [verweerder sub 1] op de hoogte gesteld van het voornemen van Bunq tot het indienen van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
2.6.
Bunq heeft in december 2024 een melding gemaakt bij Tuchtrecht Banken van haar verdenking van [verweerder sub 1] van rekening gluren en het delen van vertrouwelijke informatie met derden.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Bunq heeft de rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Aan het verzoek heeft Bunq kort gezegd het volgende ten grondslag gelegd. Bunq wenst [verweerder sub 1] te horen in verband met het mogelijk onbevoegd “rekening gluren” ofwel het ongeautoriseerd raadplegen van andermans financiële gegevens, en het mogelijk delen van vertrouwelijke informatie met derden. Onder meer naar aanleiding van publicaties in de media doet Bunq onderzoek naar het ongeautoriseerd raadplegen van bankrekeningen van derden door (oud-)medewerkers. Bunq wenst door middel van onderhavig verzoek meer informatie te krijgen over de handelwijze van [verweerder sub 1] . Bunq vermoedt dat [verweerder sub 1] tegen de media heeft gezegd dat “
Veiligheid is geen onderwerp dat [naam] echt drijft”. Dit blijkt volgens Bunq uit een intern chatbericht tussen [naam] en een medewerker van Bunq. Verder waren journalisten van NRC aanwezig bij de mondelinge behandeling van het geschil over het ontslag van [verweerder sub 1] door [de Holding B.V.] . Bovendien heeft de moeder van [verweerder sub 1] na deze zitting gesproken met journalisten van NRC. Dit terwijl de bedrijfsnaam [de Holding B.V.] niet herleidbaar is tot Bunq of [naam] en die bedrijfsnaam slechts bekend is bij een handjevol derden. Bovendien is uit de
access logsvan Bunq gebleken dat [verweerder sub 1] de rekeningen van vijftien rekeninghouders van Bunq heeft bekeken zonder dat daarvoor een duidelijke aanleiding bestond. Afhankelijk van de uitkomst van het voorlopig getuigenverhoor zal Bunq overwegen een procedure aanhangig te maken tegen [verweerder sub 1] op grond van onrechtmatige daad en/of wanprestatie.
3.1.1.
Bij akte houdende wijziging van het verzoek tevens houdende overlegging aanvullende producties heeft Bunq de rechtbank verzocht om de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep open te stellen tegen een (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek. [2] Zij heeft aan dit verzoek - samengevat - ten grondslag gelegd dat:
- haar onderzoek naar de handelwijze van [verweerder sub 1] vastloopt zonder getuigenverhoor;
- Bunq als financiële instelling een zwaarwegend belang heeft bij het waarborgen van haar veiligheid en integriteit;
- wisselende uitspraken (zoals gewezen door rechtbank Gelderland en rechtbank Amsterdam) de rechtseenheid niet ten goede komen;
- het stelsel van voorlopige bewijsverrichtingen ingericht is als een “ja, tenzij”-regime en de wetgever er dus vanuit is gegaan dat een afwijzing niet vaak zal voorkomen;
- het appelverbod is ingesteld met het doel vertraging te voorkomen, maar dat gaat in dit onderhavige geval niet op omdat Bunq onderzoek doet naar “rekening gluren” en andere schendingen van vertrouwelijkheid.
3.2.
[verweerder sub 1] heeft zich tegen toewijzing van het verzoek verzet. Hij heeft - samengevat - aangevoerd dat hij reeds meerdere keren heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan onbevoegd rekening gluren. Bovendien heeft [verweerder sub 1] alle relevante vragen van Bunq per e-mail beantwoord, zodat het voor hem onduidelijk is welke aanvullende vragen Bunq nog heeft. De enige vraag die [verweerder sub 1] mogelijk nog niet expliciet heeft beantwoord, is de vraag of hij weet of andere (ex-)medewerkers zich schuldig hebben gemaakt aan rekening gluren en/of het delen van vertrouwelijke informatie. [verweerder sub 1] meent dat deze vraag duidelijk maakt dat er sprake is van een fishing expedition. Voor wat betreft de beschuldiging dat [verweerder sub 1] vertrouwelijke informatie aan derden heeft gelekt, heeft te gelden dat [verweerder sub 1] geen arbeidsovereenkomst had met Bunq maar met [de Holding B.V.] , zodat Bunq geen vordering op grond van wanprestatie tegen [verweerder sub 1] in kan dienen. Bunq heeft daarom geen rechtens te respecteren belang bij het voorlopig getuigenverhoor. Ook ten aanzien van het delen van vertrouwelijke informatie is volgens [verweerder sub 1] sprake van een fishing expedition. De stelling dat [verweerder sub 1] zou hebben gezegd dat “
Veiligheid is geen onderwerp dat [naam] echt drijft”, is vergezocht en niet concreet. Bovendien was de zitting over het ontslag van [verweerder sub 1] openbaar. [verweerder sub 1] wil verder niet dat zijn zaak een
chilling effectheeft op de media.
3.3.
Ook NRC heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek. Zij heeft - samengevat - aangevoerd dat Bunq mogelijk voorsorteert op een procedure tegen haar, dat NRC de gangen van Bunq en [naam] volgt en dat zij van plan is dat te blijven doen. NRC heeft zich op het standpunt gesteld dat de acties van Bunq tegen individuen die Bunq verdenkt van ‘lekken’ naar NRC, een
chilling effectheeft. Bunq heeft onvoldoende belang bij het horen van [verweerder sub 1] . Het is onduidelijk welke relevante informatie [verweerder sub 1] nog aan Bunq zou kunnen verstrekken bovenop de informatie die [verweerder sub 1] al heeft verstrekt. Het voorlopig getuigenverhoor lijkt blijkens de stellingen van Bunq onder andere als doel te hebben het verbeteren van de veiligheidsprotocollen van Bunq en het aan de buitenwereld laten zien dat Bunq een betrouwbare partij is. Dit zijn echter geen rechtens te respecteren belangen bij het horen van [verweerder sub 1] , aldus NRC. Het verzoek van Bunq is bovendien onvoldoende bepaald. Bunq heeft geen concrete feiten of aanknopingspunten aangedragen waaruit zou blijken dat [verweerder sub 1] vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met NRC. Er is geen bewijs aangedragen voor de vermeende uitspraken door [verweerder sub 1] .
Verder dient het verzoek te worden afgewezen vanwege andere zwaarwichtige bezwaren. Er zal mogelijk een
chilling effectop de persvrijheid ontstaan als Bunq juridische acties onderneemt tegen iedereen die zij ervan verdenkt te hebben meegewerkt aan NRC-publicaties over Bunq. Bovendien zou er bij toewijzing sprake zijn van inbreuk op artikel 10 EVRM Pro. Tot slot dient het verzoek te worden afgewezen op grond van de anti-SLAPP richtlijn, [3] die bepaalt dat natuurlijke personen en rechtspersonen moeten worden beschermd tegen misbruik van procesrecht gericht tegen publieke participatie ten aanzien van onderwerpen van algemeen belang.

4.4. De beoordeling

Juridisch kader
4.1.
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht ingetreden. Daarbij zijn de bepalingen over voorlopige bewijsverrichtingen, waaronder het voorlopig getuigenverhoor, veranderd. Omdat het verzoek van Bunq na die datum is ingediend, zal haar verzoek aan deze nieuwe bepalingen worden getoetst. Volgens de parlementaire geschiedenis van deze nieuwe wet gelden de toewijzingscriteria die vóór 1 januari 2025 voor de afzonderlijke voorlopige bewijsverrichtingen golden echter ook na de wetswijziging. [4] De rechtspraak van vóór 1 januari 2025 over de toewijzingscriteria is dus ook ongewijzigd van toepassing.
4.2.
Op grond van artikel 196 Rv Pro kan de rechter voordat een zaak of het geding aanhangig is gemaakt op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor. De vereisten voor een dergelijk verzoek staan in artikel 197 Rv Pro. Als het verzoek aan de formele vereisten van 197 Rv voldoet, moet de rechter het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting toewijzen, tenzij sprake is van en of meer van de in artikel 196 lid 2 Rv Pro genoemde afwijzingsgronden. Deze afwijzingsgronden zijn:
- de informatie die verlangd wordt, is niet voldoende bepaald;
- er bestaat onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting;
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen is in strijd met de goede procesorde;
- er is sprake van misbruik van bevoegdheid; of
- andere gewichtige redenen verzetten zich tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Deze vijf afwijzingsgronden zijn bedoeld als een samenhangend geheel. Zij lopen min of meer in elkaar over en kunnen naast elkaar van toepassing zijn.
Inhoudelijk oordeel
4.3.
Bunq heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Beoordeeld moet dus worden of sprake is van een van de afwijzingsgronden van artikel 196 lid 2 Rv Pro. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en wijst het verzoek van Bunq af. De rechtbank licht dit hierna toe.
Lekken van vertrouwelijke informatie
4.4.
Ten aanzien van de vragen over het mogelijk lekken van vertrouwelijke informatie, oordeelt de rechtbank dat Bunq onvoldoende (feitelijke) aanknopingspunten heeft gegeven om te kunnen oordelen dat [verweerder sub 1] daarbij betrokken is geweest. Ondanks het feit dat de rechtbank in het kader van deze procedure niet vooruit mag lopen op de mogelijke uitkomsten van een eventueel voorlopig getuigenverhoor, dient Bunq wel voldoende feitelijke aanknopingspunten te verstrekken die het voorlopig getuigenverhoor rechtvaardigen. Het enkele feit dat NRC aanwezig was bij de zitting tussen [verweerder sub 1] en [de Holding B.V.] en dat een gesprek tussen de moeder van [verweerder sub 1] en journalisten van NRC heeft plaatsgevonden na afloop van deze zitting, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanwijzing dat [verweerder sub 1] vertrouwelijke informatie heeft gelekt. De rechtbank is het daarnaast met [verweerder sub 1] en NRC eens dat uit een interne Bunq-chat tussen [naam] en een medewerker in juli 2025 - zonder ook maar iets van verdere context te geven - niet kan volgen dat [verweerder sub 1] de uitspraak “
Veiligheid is geen onderwerp dat [naam] echt drijft” zou hebben gedaan. Het verzoek van Bunq is dan ook onvoldoende bepaald.
Rekening gluren
4.5.
Bunq heeft de rechtbank ook verzocht om vragen aan [verweerder sub 1] te mogen stellen over rekening gluren. De rechtbank begrijpt dat Bunq (in productie 6 bij het verzoekschrift) een logboek heeft overgelegd waaruit volgens Bunq kan worden afgeleid wanneer en hoe vaak [verweerder sub 1] in een rekening van een derde zou hebben gekeken. [verweerder sub 1] en NRC hebben betwist dat [verweerder sub 1] ongeoorloofd in rekeningen van derden heeft gekeken en [verweerder sub 1] heeft hierover schriftelijk en ter zitting de (in het verzoekschrift genoemde) vragen van Bunq beantwoord. NRC heeft aangevoerd dat Bunq een logboek heeft overgelegd, maar dat Bunq geen rapport heeft laten opstellen door een interne of externe expert over hoe dit logboek moet worden begrepen.
De rechtbank is van oordeel dat Bunq haar belang bij deze vragen onvoldoende heeft onderbouwd. [verweerder sub 1] en NRC hebben terecht aangevoerd dat Bunq reeds informatie heeft verzameld (via een logboek) waaruit volgens Bunq volgt dat en wanneer [verweerder sub 1] in rekeningen van derden heeft gekeken, zodat niet valt in te zien wat een voorlopig getuigenverhoor nog kan toevoegen aan de informatie die Bunq nu heeft. Ter zitting heeft [verweerder sub 1] bovendien aangevoerd dat hij de personal assistant van [naam] was en in die hoedanigheid in bepaalde rekeningen heeft gekeken (en zelfs moest kijken). Verder heeft hij betwist ongeoorloofd in rekeningen van derden te hebben gekeken. Tegenover de verweren van [verweerder sub 1] en NRC, heeft Bunq onvoldoende onderbouwd wat haar belang op dit moment nog zou zijn bij het horen van [verweerder sub 1] over het rekening gluren.
Vragen met betrekking tot andere (ex-)medewerkers
4.6.
Voor zover Bunq aan [verweerder sub 1] wil vragen of hij op de hoogte is van andere (ex-) medewerkers van Bunq die zich schuldig hebben gemaakt aan rekening gluren en/of het delen van vertrouwelijke informatie met derden, is deze vraag onvoldoende concreet. De rechtbank heeft in het verzoek van Bunq geen aanknopingspunten gevonden waaruit blijkt dat [verweerder sub 1] daar enige kennis over heeft. Deze vraag leidt in de ogen van de rechtbank dan ook tot een fishing expedition. Daarvoor is een voorlopig getuigenverhoor niet bedoeld. Bovendien ziet de rechtbank niet in hoe deze vraag begrepen dient te worden in het licht van de voorgenomen acties tegen [verweerder sub 1] , die zijn gebaseerd op wanprestatie en/of onrechtmatige daad.
Conclusie
4.7.
De conclusie is dan ook dat het verzoek zal worden afgewezen. Dat houdt in dat de overige verweren van [verweerder sub 1] en NRC (met betrekking tot artikel 10 EVRM Pro, de anti-SLAPP richtlijn en het
chilling effect) niet meer hoeven te worden besproken.
Geen hoger beroep
4.8.
Tegen de beslissing op het verzoek staat geen hoger beroep open, tenzij de rechter anders bepaalt. Bunq heeft verzocht om tegen de beslissing (betreffende het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor) hoger beroep te mogen instellen. De rechtbank wijst dat verzoek af en licht dit hierna toe.
4.9.
Sinds de invoering van de Wet vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht geldt als uitgangspunt dat geen rechtsmiddel openstaat tegen een beslissing op een verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen. Aan die keuze van de wetgever ligt ten grondslag dat de doelstellingen van de fase voorafgaand aan een procedure niet samengaan met de mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen beslissingen op verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen. De beslissing op deze verzoeken moet partijen in staat stellen voort te kunnen met de informatiegaring en bewijsverzameling en het vinden van een oplossing voor hun geschil. Bij een toewijzende beslissing op het verzoek betekent dit dat de voorlopige bewijsverrichting kan plaatsvinden; bij een afwijzing van het verzoek bestaat geen recht op het verkrijgen of vastleggen van de verlangde informatie. Het instellen van een rechtsmiddel leidt tot vertraging en geeft over het algemeen eerder aanleiding tot juridisering en escalatie van het geschil en staat daarmee in de weg aan opheldering van de feiten en conflictoplossing. [5]
4.10.
Bij de beslissing op het verzoek om een of meer voorlopige bewijsverrichtingen kan de rechter hoger beroep of cassatie daarvan toelaten. De verzoekende partij kan de rechter vragen om een rechtsmiddel open te stellen als zij bij de (eventuele) afwijzing van haar verzoek vreest dat de feiten die zij opgehelderd wenst te zien of de bewijsmiddelen die zij wil veiligstellen, verloren zullen gaan en die feiten of bewijsmiddelen volgens haar niet op andere wijze of door andere bronnen van informatie kunnen worden verkregen. Hoger beroep en cassatie worden volgens de wetgever vooral beoogd voor die gevallen waarin de vraag of een voorlopige bewijsverrichting moet worden toegestaan omstreden is, principieel ligt of nieuwe vragen opwerpt waarbij enige rechtsontwikkeling gewenst is. [6] De rechter zal bij zijn beslissing om een rechtsmiddel open te stellen de belangen van partijen in de voorfase van een mogelijke procedure tegen elkaar moeten afwegen met inachtneming van de omstandigheden van het geval. [7]
4.11.
Gelet op het oordeel van de rechtbank hiervoor in r.o. 4.3 tot en met 4.7, dat er samengevat op neerkomt dat Bunq haar verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en haar belang daarbij onvoldoende heeft onderbouwd en dat er sprake is van een fishing expedition, is de beslissing van de rechtbank meer een feitelijke dan een principiële uitspraak die bijvoorbeeld van invloed zou kunnen zijn op de rechtsontwikkeling. Bunq heeft bovendien niet gesteld dat zij bewijsmiddelen dient veilig te stellen omdat deze anders verloren zullen gaan, zodat om die reden hoger beroep zou moeten worden opengesteld. Daar komt bij dat het belang van [verweerder sub 1] bij het niet openstellen van hoger beroep zwaarder weegt dan het belang van Bunq om dat wel te doen. [verweerder sub 1] heeft hierover aangevoerd dat hij psychische schade ondervindt van de werkwijze van Bunq. Bovendien heeft Bunq volgens [verweerder sub 1] getracht hem te intimideren door een onderzoeksteam bij hem thuis langs te sturen en door te verlangen dat de door [verweerder sub 1] te verstrekken antwoorden op de vragen van Bunq notarieel zullen worden vastgelegd. De rechtbank is met [verweerder sub 1] van oordeel dat hij daardoor onnodig onder druk is gezet. Het belang van [verweerder sub 1] dat aan die druk een einde komt, weegt voor de rechtbank zwaarder dan het door Bunq aangevoerde belang bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het hoger beroep tegen deze beschikking niet openstelt.
Proceskosten
4.13.
Bunq is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [verweerder sub 1] en NRC betalen.
De proceskosten van [verweerder sub 1] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.836,00
De proceskosten van NRC worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.230,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzochte af,
5.2.
veroordeelt Bunq in de proceskosten van [verweerder sub 1] van € 1.836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Bunq niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Bunq in de proceskosten van NRC van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Bunq niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
BdM/AFS

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 23 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4479.
2.Ingevolge artikel 200 lid 2 Rv Pro.
3.Richtlijn (EU) 2024/1069.
4.Kamerstukken II 2020, 35498, nr. 3, MvT, paragraaf 8.
5.Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 63.
6.Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 64-65.
7.T&C Rv, Commentaar op art. 200 Rv Pro, aant. 3, sub b.