ECLI:NL:RBNHO:2026:2808

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
24-6042
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WpgArt. 27 WpgArt. 8:29 AwbArt. 8:72 AwbArt. 15a Wpg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende gemotiveerde weigering inzage persoonsgegevens door korpschef politie

Eiser, een journalist en fotograaf, verzocht op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) inzage in alle politiegegevens die over hem worden verwerkt, inclusief verstrekkingen aan buitenlandse instanties. De korpschef bood gedeeltelijke inzage, maar weigerde inzage in bepaalde documenten en verstrekkingen, onder meer met verwijzing naar artikel 27 Wpg Pro.

De rechtbank oordeelt dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is. De korpschef had een lijst met geheime stukken moeten voegen, de nummering van documenten duidelijker moeten maken en de weigering per document concreet moeten motiveren. Ook was de motivering voor het niet verstrekken van informatie over verstrekkingen aan buitenlandse autoriteiten onvoldoende.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de korpschef op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de korpschef veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit van de korpschef wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de korpschef moet een nieuw besluit nemen binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6042

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigden: mr. E.W. Jurjens en mr. T. de Boer),
en

de korpschef van politie,

(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van de korpschef op een verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens (hierna ook: de persoonsgegevens). De korpschef heeft aan eiser inzage geboden in verschillende zijn persoon betreffende registraties en heeft voor een deel die inzage geweigerd. Eiser is het niet eens met de beslissing van de korpschef. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing van de korpschef.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. De korpschef had de lijst met geheime stukken bij het besluit moeten voegen, de nummeringen van de verschillende stukken eerder moeten verduidelijken, en hij had de gedeeltelijke weigering van de inzage met betrekking tot een aantal persoonsgegevens concreter moeten motiveren. Eiser krijgt op deze punten gelijk en het beroep is daarom gegrond. De rechtbank is echter ook van oordeel dat een aantal beroepsgronden niet slagen. Zo hoefde de korpschef geen informatie te verstrekken over passende waarborgen die zijn genomen bij de doorgifte van persoonsgegevens aan andere landen of aan internationale organisaties, stelt hij terecht dat het inzagerecht beperkt is tot verwerkingen van persoonsgegevens die plaatsvinden op het moment van het inzageverzoek, en heeft de korpschef voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van de verwerking van meer persoonsgegevens. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 augustus 2023 een inzageverzoek ingediend, op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). De politiechef van de eenheid Noord-Holland heeft op
4 december 2023 op dat verzoek beslist, namens de korpschef. Bij besluit van 30 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de politiechef van de eenheid Landelijke Expertise en Operaties namens de korpschef het besluit gewijzigd.
2.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2
De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De korpschef heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. De korpschef heeft de registraties/mutaties toegezonden onder geheimhouding van artikel 8:29 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van die stukken.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser, de gemachtigde van de korpschef en [naam] (werkzaam bij de korpschef).
2.4
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht op 19 maart 2026 uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is journalist en fotograaf. In zijn werk ligt de nadruk op ontwikkelingen in Syrië, Turkije en andere landen in het Midden-Oosten. Sinds ongeveer 2017 ervaart eiser (ernstige) belemmeringen bij het internationaal reizen. In 2023 heeft Follow the Money ontdekt dat de naam van eiser voorkomt in een ‘Terrorist Screening Database’ van de FBI. Eiser vermoedt dat zijn naam en/of andere persoonsgegevens op enig moment ten onrechte door Nederlandse autoriteiten zijn gedeeld met in elk geval de Verenigde Staten. Eiser heeft bij verschillende instanties verzoeken ingediend om helder te krijgen welke informatie door Nederlandse autoriteiten is gedeeld, met wie die informatie is gedeeld, of de informatie klopt en ook om eventueel onjuiste verwerkingen te laten rectificeren en/of te verwijderen.
3.1.1
Op 14 augustus 2023 heeft eiser bij de korpschef een verzoek ingediend op grond van de Wpg. Hij heeft gevraagd om een overzicht van en/of inzage in alle persoonsgegevens die de politie over hem heeft verwerkt (inclusief uitgebreide context) over de periode van 2012 tot op de datum van het verzoek. Eiser verstaat daaronder: dossiers, mutaties, coderingen, signaleringen en verstrekkingen (aan en via buitenlandse instanties en internationale organisaties). In het verzoek staan de volgende negen vormen van verwerking waaraan volgens eiser onder meer gedacht kan worden:
“1. Vermelding op de lijst Landelijk overzicht jihadgang politie (bekend als de ‘LOP-lijst’), alsook op de opvolger van de LOP-lijst, de zogeheten Afstemmingslijst;
2. Persoonsgegevens die opgenomen zijn in het informatieknooppunt Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER), waaronder begrepen registraties, meldingen, codes en/of mutaties en vermeldingen op lokale en/of regionale lijsten van de politie ten behoeve van CTER, alsook vermeldingen in de context van (lokaal) casusoverleg;
3. Alle informatie bekend bij Bureau Sirene en/of het LIRC van de Landelijke Eenheid;
4. Verstrekkingen van persoonsgegevens aan de politie, en/of meldingen over Khader aan de politie, bijvoorbeeld door de Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL), de Koninklijke Marechaussee of andere, bijvoorbeeld buitenlandse, instanties;
5. Signaleringen en/of aandachtsvestigingen in het Opsporingssysteem (OPS), het systeem Executie en Signalering (E&S) en/of de Basisvoorziening Handhaving (BHV);
6. Signaleringen via het Schengen Informatiesysteem (SIS II), onder verwijzing naar artikel 41 lid 1 van Pro de Verordening 1987/2006 (SIS II Verordening) jo. artikel 15 AVG Pro en artikel 25 Wpg Pro;
7. Verstrekkingen of vermeldingen ten behoeve van de Terrorist Screening Database en/of verstrekking aan buitenlandse autoriteiten zoals (maar niet uitsluitend) de Federal Bureau of Investigation in de Verenigde Staten;
8. Verstrekkingen in de context van lnterpol (‘diffusions’,‘notices’ of anderszins), inclusief alle landen waaraan melding of verstrekking heeft plaatsgevonden en de inhoud van deze verstrekkingen c.q. meldingen;
9. Verstrekkingen in de context van het zogeheten ‘National Central Bureau’ van Interpol, in Den Haag gevestigd.”
3.1.2
Daarnaast vraagt eiser om (verlopen) verlengingen en intrekkingen van signaleringen, meldingen en verstrekkingen in kaart te brengen en kopieën daarvan aan hem te verstrekken. Eiser vraagt verder bij elke aangetroffen verwerking van zijn persoonsgegevens het volgende te specificeren: het doel van de verwerking, aan wie/of aan welke partij of autoriteit de gegevens zijn verstrekt, de herkomst van de gegevens en welke passende waarborgen voor doorgifte de politie heeft getroffen als de gegevens zijn doorgegeven aan een ander land of internationale organisatie. Verder verzoekt eiser om een uitputtend overzicht van de afdelingen, systemen en databases die in de afhandeling van dit verzoek wel en niet zijn geraadpleegd en op welke wijze dat is gebeurd.
3.2
De korpschef heeft op 4 december 2023 op het verzoek beslist. De korpschef heeft een overzicht verstrekt van registraties en meldingen waarin informatie van eiser was verwerkt. Op 5 maart 2024 heeft eiser feitelijk kennis kunnen nemen van die registraties en meldingen.
3.3
Eiser was het niet eens met het besluit van 4 december 2023. Daarom heeft hij in januari 2024 aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) gevraagd om een bemiddelings-poging te doen of om te adviseren. De AP heeft daar afwijzend op gereageerd.
3.4
Op 1 juli 2024 heeft eiser schriftelijk aan de korpschef nadere vragen gesteld over een deel van de informatie. De korpschef heeft deze brief opgevat als een preciseringsverzoek. De korpschef heeft in het bestreden besluit op dat verzoek beslist. Daarin vernietigt hij het besluit van 4 december 2023 gedeeltelijk, omdat dat besluit gedeeltelijk onjuist/onvolledig is. De korpschef heeft een registratie uit het eerste besluit gehaald, vier registraties toegevoegd en het besluit op een aantal punten aangevuld. Eiser heeft op 31 juli 2024 inzage gekregen in de nieuwe registraties en een gesprek gehad met medewerkers van de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties.
Wettelijk kader
4. Het verzoek van eiser is gebaseerd op artikel 25 van Pro de Wpg. De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de tekst van de Wpg zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit, zijnde 30 juli 2024. Dit artikel geeft betrokkene (in dit geval eiser) het recht om op schriftelijk verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te krijgen over de verwerking van zijn persoonsgegevens. Indien er persoonsgegevens over eiser worden verwerkt, heeft hij het recht om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over:
a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;
b. de betrokken categorieën van politiegegevens;
c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d. de voorziene periode van opslag, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e. het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens;
f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens. [1]
4.1
De Wpg biedt eiser op die manier inzage in de verwerking van zijn eigen politiegegevens. Een politiegegeven is elk persoonsgegeven dat wordt verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak. Met persoonsgegeven wordt bedoeld alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Onder verwerking wordt verstaan elke bewerking of geheel van bewerkingen met betrekking tot deze gegevens, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, afschermen of vernietigen van politiegegevens. [2]
4.2
Er zijn uitzonderingen op het inzagerecht. Die uitzonderingen staan in artikel
27 van de Wpg. Een verzoek om inzage kan worden afgewezen als dat een noodzakelijke en evenredige maatregel is:
a. a) ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures;
b) ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen;
c) ter bescherming van de openbare veiligheid;
d) ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden;
e) ter bescherming van de nationale veiligheid;
f) bij een kennelijk ongegrond of buitensporig verzoek. [3]
Het beroep
5. Eiser heeft beroep ingesteld op gronden die hierna aan de orde komen.
Was de inzage volledig, althans voldoende begrijpelijk?
6. De korpschef heeft in het bestreden besluit per eenheid een registratieoverzicht verstrekt (hierna: het registratieoverzicht). Het gaat om de eenheden Rotterdam, Den Haag, Noord-Holland en de Landelijke Eenheid. In het registratieoverzicht staan registraties aangeduid met registratienummers. De korpschef heeft deze registraties als geheime stukken aan de rechtbank overgelegd met een inventarislijst. Van deze registraties is zowel een ongelakte versie (met op de inventarislijst producties 16 t/m 32), als een gelakte versie (met op de inventarislijst producties met nummers 16a t/m 32a) overgelegd. In het bestreden besluit heeft de korpschef ook de ‘vragen’ van eiser beantwoord.
6.1
Eiser heeft op 5 maart 2024 en 31 juli 2024 inzage gekregen in de persoonsgegevens ten aanzien waarvan het verzoek is toegewezen. Tijdens het tweede inzagemoment heeft eiser ook een gesprek gehad met medewerkers van de korpschef. Van dat gesprek is een verslag opgemaakt. Eiser voert aan dat tijdens de inzage bleek dat niet van alle documenten een registratienummer was opgenomen in het bestreden besluit. Daarnaast is het eiser niet duidelijk of het document dat geheel is geweigerd omdat daar bezwaren tegen bestonden vanuit buitenlandse autoriteiten, is opgenomen in het registratieoverzicht bij het bestreden besluit.
6.2
Niet in geschil is dat de nummering in het registratieoverzicht in het bestreden besluit en de overgelegde politiegegevens waarin inzage is gegeven niet eenvoudig aan elkaar zijn te koppelen. De korpschef heeft namelijk nagelaten een inventarislijst bij het bestreden besluit te voegen. Bovendien zijn de getallen 16 t/m 31 op de inventarislijst van de ongelakte stukken en 16a t/m 31a op de inventarislijst van de gelakte stukken niet opgenomen in het registratieoverzicht. Ook stonden deze, zo heeft eiser tijdens de zitting onbetwist naar voren gebracht, tijdens de inzage niet vermeld. Verder staat het geheel geweigerde document 32 niet op een van de inventarislijsten (wel zit dit geweigerde document bij de geheime stukken). Bovendien was niet duidelijk hoe het kon dat de korpschef 17 verwerkingen zegt te hebben aangetroffen, terwijl er 14 in het registratieoverzicht staan. Op de zitting heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat onder één registratie ( [registratie nummer] ) vier documenten vallen, waardoor hij het over 17 verwerkingen had. Dit standpunt is door de rechtbank niet zonder meer te volgen, omdat de rechtbank bij het bekijken van de geheime stukken drie stukken ziet die eventueel aan Europol kunnen worden verbonden, en niet vier. Bovendien had de korpschef de nummeringen van de verschillende stukken eerder moeten verduidelijken.
6.3
Uit het vorenstaande volgt dat de beroepsgrond van eiser dat de inzage onvoldoende begrijpelijk is, slaagt. Dat tijdens het inzagemoment uitgebreid de tijd is genomen om het besluit en de verschillende verwerkingen toe te lichten, doet daar niet aan af. De rechtbank kan dit immers niet toetsen, omdat de mondelinge toelichting geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Eiser betwist bovendien dat de inzage door de mondelinge toelichting voor hem volledig en voldoende begrijpelijk was.
Is de weigering voldoende gemotiveerd?
7.1
Eiser voert aan dat het niet duidelijk is op welke grondslag specifieke passages in de stukken zijn geweigerd, of op welke grondslag één document kennelijk zelfs geheel is geweigerd. De algemene overwegingen op grond van artikel 27 Wpg Pro volstaat volgens eiser niet.
7.2
De korpschef voert aan dat voldoende duidelijk is gemaakt in welke (informatie over) politiegegevens geen inzage is geboden en waarom dat een noodzakelijke en evenredige maatregel is. In het bestreden besluit en tijdens het inzagemoment is namelijk gemotiveerd dat inzage in de politiegegevens in één document (nr. 32) geheel is geweigerd op grond van artikel 27, eerste lid, onder b, Wpg, evenals dat niet nader kan worden toegelicht welke landen betrokken zijn bij het Europol-document, het document over de weigering aan de Turkse grens en document 32. Ter zitting heeft de korpschef benadrukt dat deze weigeringsgrond geldt voor alle weigeringen tot inzage.
7.3
De rechtbank overweegt dat bij het bestreden besluit een lijst van geheime documenten ontbreekt, zodat voor eiser niet te achterhalen valt in welke registraties hij geen inzage heeft gekregen en waarom niet. Tijdens het inzagemoment op 31 juli 2024 heeft de korpschef het een en ander nader toegelicht, maar eiser betwist dat die toelichting voldoende duidelijk was, en bovendien is deze toelichting door de rechtbank niet te toetsen, omdat deze niet in het bestreden besluit is opgenomen.
7.4.
Daar komt nog het volgende bij. Artikel 27, eerste lid onder b, van de Wpg gaat over weigering van inzage ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Zonder nadere concrete en specifieke motivering per (deels) geweigerde inzage valt niet in te zien waarom inzage in de desbetreffende gegevens zo’n inzicht geeft in de informatiepositie en in bepaalde methodieken of onderzoeksstrategieën van de politie, dat de politie daardoor in andere gevallen kan worden gehinderd bij de opsporing of het onderzoek van strafbare feiten. Voor zover inzage nadelige gevolgen heeft voor de politiewerkzaamheden, moet de korpschef dat specifiek motiveren. [4] Dat heeft de korpschef ten onrechte niet gedaan.
Heeft de korpschef ‘vragen’ 1, 3 en 5 van het verzoek voldoende beantwoord?
8. Onderdelen 1, 3 en 5 van het inzageverzoek van eiser gaan over de lijst Landelijk overzicht jihadgang politie (de ‘LOP-lijst’) en de opvolger daarvan (de zogenaamde Afstemmingslijst), Bureau Sirene en/of het LIRC van de Landelijke Eenheid, het Opsporingssysteem (OPS), het systeem Executie en Signalering (E&S) en/of de Basisvoorziening Handhaving (BHV). In het bestreden besluit vermeldt de korpschef dat eiser niet voorkomt op de LOP-lijst en ook niet op de opvolger daarvan. In reactie op ‘vraag’ 3 van eiser staat in het bestreden besluit dat hij niet gesignaleerd staat in het Schengen informatiesysteem en dat er geen aanwijzingen zijn dat dit op een eerder moment wel het geval was. Wel zijn er gegevens over eiser verwerkt bij het LIRC en daarvoor verwijst de korpschef naar de bijlage bij het bestreden besluit. In het bestreden besluit staat ook dat eiser niet gesignaleerd staat in het OPS, E&S en/of BVH. Ook zijn volgens de korpschef geen aandachtsvestigingen in die systemen.
8.1
Eiser stelt dat de korpschef op deze vragen weliswaar antwoordt dat eiser ‘op dit moment’ niet op of in de genoemde lijsten voorkomt, maar dat de korpschef niet duidelijk maakt of hij op die lijsten heeft gestaan of in de systemen voorkwam. Dit terwijl eiser in zijn verzoek heeft benadrukt dat hij ook inzage wil in (verlopen) verlengingen en intrekkingen van signaleringen.
8.2
De korpschef betoogt dat het inzagerecht is beperkt tot verwerkingen die plaatsvinden op het moment van het inzageverzoek. De korpschef is niet gehouden in aanvulling daarop aan te geven of een betrokkene in het verleden in specifieke politiesystemen voorkwam en/of welke gegevens in het verleden zijn vernietigd. Als gegevens reeds zijn vernietigd, is er niet meer sprake van een verwerking ten tijde van het inzageverzoek. De korpschef wijst ook op de strikte bewaartermijnen waaraan hij is gebonden.
8.3.
De rechtbank stelt voorop dat de korpschef bij de ontvangst van een inzageverzoek inderdaad moet uitgaan van de persoonsgegevens die op het moment van het verzoek worden verwerkt. Daarbij moet de korpschef een volledig en actueel onderzoek doen naar alle relevante gegevens. In zoverre volgt de rechtbank de korpschef. Daarbij komt dat de Wpg voorziet in termijnen voor het verwijderen van politiegegevens [5] , het bewaren van verwijderde politiegegevens en de vernietiging daarvan [6] . Op de zitting heeft de korpschef toegelicht dat verwijderde informatie nog te zien is, maar vernietigde informatie niet meer. Ook als de korpschef onderzoek had moeten doen naar politiegegevens van eiser over de door hem gevraagde periode, hetgeen niet het geval is, dan zou dit dus niet tot inzage in méér gegevens hebben geleid. Die informatie was immers niet meer voorhanden. De beroepsgrond van eiser faalt.
Informatie over gegevens die zijn ontvangen van buitenlandse instanties
9. De vierde ‘vraag’ van eisers verzoek gaat onder andere over de verstrekking van persoonsgegevens van eiser of meldingen over hem aan de politie, door bijvoorbeeld buitenlandse instanties. In het bestreden besluit heeft de korpschef deze informatie geweigerd. Uit het bestreden besluit blijkt dat die weigering is gebaseerd op de wettelijke kaders rond (internationale) gegevensuitwisseling, eigenaarschap van informatie en de uitsluitingsgronden voor inzage door betrokkene die volgens de korpschef van toepassing zijn.
9.1
Eiser voert aan dat de korpschef kenbaar moet maken door welke landen informatie over hem is verstrekt aan de politie. Eiser heeft op 31 juli 2024 een bericht uit 2017 ingezien waarin staat dat hij aan de Turkse grens is tegengehouden, maar de korpschef heeft niet laten zien welk land die informatie heeft verstrekt. Volgens de korpschef kon eiser een ander document in het geheel niet inzien, omdat het desbetreffende land daar geen toestemming voor gaf. Eiser stelt dat uit de motivering niet blijkt op welke grond de korpschef deze informatie weigert. Niet blijkt dat de korpschef ook hier de weigeringsgrond van artikel 27 lid 1 onder Pro b van de Wpg toepast. De korpschef kan niet volstaan met de enkele vermelding van het feit dat de wettelijke kaders rond (internationale) gegevensuitwisseling en eigenaarschap van informatie van toepassing zijn. Het is immers niet duidelijk welke wettelijke kaders daarmee worden bedoeld, wat die wettelijke kaders in dit geval voorschrijven en waarom dat de weigering van deze informatie zou kunnen rechtvaardigen. Het feit dat informatie over hem door een ander land aan de Nederlandse politie is verstrekt, doet niet af aan het Nederlandse ‘eigenaarschap’ van de informatie. Op het moment dat informatie door het derde land wordt gedeeld en door de Nederlandse politie wordt opgeslagen, is sprake van een verwerking van politiegegevens in de zin van artikel 25, eerste lid aanhef Wpg. Hieraan voegt eiser toe dat het problematisch is om aan de weigering van inzage ten grondslag te leggen dat de toestemming ontbreekt van het land dat gegevens heeft verstrekt. Het vragen van toestemming aan een derde land gaat volgens eiser noodzakelijkerwijs gepaard met het delen van zijn persoonsgegevens met dat derde land. Het doen van een inzageverzoek zou er niet toe mogen leiden dat zonder zijn instemming persoonsgegevens worden uitgewisseld met een derde land, nu dit niet in de wet staat voorgeschreven en dit voor hem bovendien negatieve gevolgen kan hebben, aldus eiser.
9.2
Volgens de korpschef ziet deze beroepsgrond onder meer op de politiegegevens in het document over de weigering bij de Turkse grens. De korpschef betoogt dat eiser inzage heeft gehad in de hem betreffende politiegegevens. De korpschef bestrijdt op zichzelf niet dat hier sprake kan zijn van verwerking van gegevens, maar voert aan dat nadere informatie daarover niet kan worden gegeven omdat dat schade zou brengen aan de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Inzage in document 32 is geweigerd op grond van artikel 27, eerste lid onder b van de Wpg. Om diezelfde reden kan geen informatie worden verstrekt over de herkomst van de politiegegevens.
9.3
Zoals hierover onder 8.3 al werd overwogen, moet de korpschef bij de ontvangst van een inzageverzoek uitgaan van de persoonsgegevens die op het moment van het verzoek worden verwerkt. Alleen al om die reden hoeft de korpschef geen inzage te verstrekken voor zover verwerking van politiegegevens na indiening van dat verzoek heeft plaatsgevonden. Een dergelijk verzoek van de korpschef aan het desbetreffende land en mogelijke verwerking van persoonsgegevens in dat kader, zou logischerwijs dateren van na het inzageverzoek en valt daarom buiten de reikwijdte van dat verzoek.
9.4.1
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van verwerking van gegevens zoals bedoeld in de Wpg als de politie informatie over eiser ontvangt vanuit een derde land.
De rechtbank begrijpt dat het hier in de eerste plaats gaat om het document uit 2017 over de weigering bij de Turkse grens. Ter zitting heeft de korpschef toegelicht dat dit document valt onder de in het bestreden besluit opgenomen registratie met het nummer eindigend op LERBG20015. In de tweede plaats gaat het hier over het document met nummer 32.
9.4.2
De rechtbank is het met eiser eens dat de korpschef in het bestreden besluit niet goed per (deels) geweigerde inzage gemotiveerd heeft op welke grondslag en waarom inzage in die informatie is geweigerd. De motivering is ook in dit geval ontoereikend. De rechtbank verwijst daarvoor naar wat daarover is opgenomen in overweging 7.4 van deze uitspraak. Dat geldt hier ook.
Europol-document
10. De zevende ‘vraag’ van eiser gaat onder meer over verstrekkingen aan buitenlandse autoriteiten. In reactie op die vraag staat in het bestreden besluit dat er één verstrekking heeft plaatsgevonden. Vast staat dat dit een Europol-document is. In de bijlage bij het bestreden besluit staat onder meer de volgende registratie vermeld: “ [registratie nummer] , ‘Verwerking over de persoonsgegevens van [eiser] wegens zijn telefoonnummer’. Op de zitting heeft de gemachtigde van de korpschef zich op het standpunt gesteld dat het Europol-document onder die registratie valt en dat onder die registratie de documenten met nummers 28, 29 en 32 van de inventarislijst bij de geheime stukken vallen.
10.1
Volgens eiser gaat dit om informatie die in 2017 is opgesteld naar aanleiding van een vraag van een ander land naar zijn telefoonnummer. Eiser stelt dat de korpschef weigert om inzage te geven in welk land om deze informatie heeft gevraagd en ook in de maand waarin de informatie is opgesteld. Ter onderbouwing van de weigering verwijst de korpschef volgens eiser in algemene zin naar artikel 27, eerste lid, onder b van de Wpg, maar ziet die motivering niet op de informatie die hier is geweigerd. Eiser stelt dat het gaat om de vraag aan welk land de informatie is verstrekt.
10.2
De korpschef voert aan dat eiser inzage heeft gekregen in de hem betreffende politiegegevens in het document. Eiser heeft geen absoluut recht op nadere informatie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a tot en met g van de Wpg. De korpschef heeft de nadere informatie mogen weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, onder b van de Wpg. Dit is nader toegelicht aan eiser tijdens het gesprek op 31 juli 2024.
10.3.1
De beroepsgrond van eiser slaagt. De rechtbank stelt voorop dat eiser op grond van artikel 25, eerste lid onder c, van de Wpg ook het recht heeft om informatie te verkrijgen over de vraag of de politiegegevens in de vier jaar voorafgaand aan het verzoek zijn verstrekt, en zo ja aan welke ontvangers of categorieën van ontvangers. Dit gaat met name om ontvangers in derde landen of internationale organisaties.
10.3.2
Gelet daarop, kon de korpschef in het bestreden besluit ook hier niet volstaan met een algemene verwijzing naar de uitzonderingsgronden van artikel 27, eerste lid onder b van de Wpg. Voor zover inzage nadelige gevolgen heeft voor de politiewerkzaamheden, moet de korpschef dat per (deels) geweigerd inzage specifiek motiveren. [7] Dat heeft de korpschef ten onrechte niet gedaan. Voor zover dit (deels) mondeling aan eiser zou zijn toegelicht in het gesprek van 31 juli 2024, doet dit daar niet aan af. In geschil is of deze mondelinge toelichting voldoende duidelijk was, bovendien is een mondelinge toelichting niet een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit.
Zoekslag
11. Eiser heeft onder andere gevraagd om een overzicht van alle afdelingen, systemen en databases die bij de afhandeling van het verzoek al dan niet zijn geraadpleegd. In het bestreden besluit schrijft de korpschef dat deze vraag van eiser over operationele processen van de politie gaat en dat artikel 25 van Pro de Wpg daar niet op ziet. Ook wijst de korpschef er in het bestreden besluit op dat een daartoe bevoegde politiemedewerker met één zoekvraag nationale en internationale registers onder verwerkingsverantwoordelijkheid van de korpschef kan raadplegen.
11.1
Eiser stelt dat juist de behandeling van zijn verzoek de noodzaak laat zien van inzicht in de wijze waarop is gezocht door een overzicht te geven van alle afdelingen, systemen en databases. Volgens eiser heeft de korpschef erkend dat de initiële zoekslag die leidde tot het besluit van 4 december 2023 onvolledig was. Eiser stelt dat controleerbaar moet zijn of de politie in alle relevante systemen heeft gezocht. Op die manier kan worden nagegaan of de zoekslag en inzage volledig zijn geweest.
11.2
De korpschef wijst erop dat uit artikel 25, eerste lid, Wpg niet volgt dat de
verwerkingsverantwoordelijke bij het bieden van inzage ook schetst hoe is gezocht naar de politiegegevens van de betrokkene, waar is gezocht naar die politiegegevens
en waar niet is gezocht naar politiegegevens. In dit geval geldt dat in het besluit van
30 juli 2024 is aangeven welke registers zijn bevraagd en door wie.
11.3
Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet. De korpschef heeft voldoende inzichtelijk gemaakt hoe er naar gegevens is gezocht. In het besluit van 4 december 2023 staat welke verschillende politiesystemen zijn geraadpleegd. In het besluit van 31 juli 2024 staat dat een daartoe bevoegde politiemedewerker met één zoekvraag nationale en internationale registers onder verwerkingsverantwoordelijkheid van de korpschef kan raadplegen. Op de zitting heeft de gemachtigde van de korpschef toegelicht dat de registratie van politiegegevens strikt gereguleerd is, in die zin dat de persoonsgegevens maar in een beperkt aantal systemen worden verwerkt (en dus niet over de hele organisatie zijn verspreid). Ook is verklaard dat er in dit geval in alle mogelijke politiesystemen is gezocht, dat er is gezocht op naam en dat ook is bekeken of in het licht van de negen ‘vragen’ van eiser en diens zorgen, alles was gevonden. Met deze nadere toelichting van de zoekslag, heeft de korpschef voldoende aannemelijk gemaakt dat er niet méér informatie is. [8]
Inzage in doel verwerking, herkomst gegevens en passende waarborgen bij doorgifte aan ander land of internationale organisatie
12. In het besluit van 4 december 2023 verwijst de korpschef voor de passende waarborgen naar de Tijdelijke instructie voor de doorgifte politiegegevens aan derden landen en naar het privacy statement op de website van de politie. Voor de wettelijke grondslag voor het ter beschikking stellen van politiegegevens binnen de Europese Unie wijst de korpschef op artikel 15a van de Wpg. De wettelijke grondslag voor doorgifte van politiegegevens aan derde landen of aan internationale organisaties staat in artikel 17a van de Wpg, aldus de korpschef.
12.1
Eiser stelt dat het in strijd is met zijn inzagerecht dat de korpschef geen informatie heeft verstrekt over het doel van verwerking, aan wie (welke partij of autoriteit) de gegevens zijn verstrekt, de herkomst van de gegevens en het treffen van passende waarborgen.
12.2
De korpschef betoogt onder andere dat artikel 25 van Pro de Wpg geen recht op informatie geeft met betrekking tot de passende waarborgen die door de verwerkingsverantwoordelijke zijn getroffen bij een verstrekking van gegevens aan derde landen. Dergelijke informatie valt niet onder de limitatieve opsomming van categorieën informatie waar het inzagerecht van betrokkene op ziet.
12.3.
De rechtbank is van oordeel dat de korpschef voldoende inzicht heeft gegeven in de rechtsgronden van de verwerking. Het inzagerecht van artikel 25 van Pro de Wpg gaat niet zo ver dat de korpschef ook informatie zou moeten verstrekken over de passende waarborgen. Die staan niet genoemd in de opsomming van artikel 25 van Pro de Wpg.
12.4
Voor zover de beroepsgrond van eiser zich richt tegen ontbrekende informatie over aan wie de gegevens zijn verstrekt en de herkomst van de gegevens verwijst de rechtbank naar wat daarover in overwegingen 9.4.1 - 9.4.2 en overwegingen 10.3.1 - 10.3.2 staat. Op grond van het eerste lid, onder a, van artikel 25 van Pro de Wpg had de korpschef bij de inzage ook informatie over de doelen van de verwerking moeten verstrekken. Nu de korpschef dat in het besluit van 30 juli 2024 heeft nagelaten is op dat punt sprake van een motiveringsgebrek.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de korpschef op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
13.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de korpschef een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de korpschef hiervoor zes weken.
13.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De korpschef moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigden van eiser een beroepschrift hebben ingediend en aan de zitting hebben deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 juli 2024;
- draagt de korpschef op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de korpschef tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, voorzitter, en mr. A.H. de Regt en
mr. H.E. Noordhoek, leden, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 25, eerste lid, van de Wpg
2.Dit staat in artikel 1, onder a, b en c, van de Wpg.
3.Deze uitzonderingen staan in artikel 27, eerste lid, van de Wpg.
4.Zie de uitspraak van 13 juli 2022, van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2022:2007.
5.Artikel 8, zesde lid, Wpg, artikel 9, vierde lid en artikel 10, zesde lid van de Wpg.
6.Artikel 14.
7.Zie de uitspraak van 13 juli 2022, van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2022:2007.
8.Zie over de eisen aan de motivering van de zoekslag bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:4945