ECLI:NL:RBNHO:2026:1699

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
HAA 25/6170
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.5.5 Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2025Art. 2.5.8 Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2025Art. 2.5.8a Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2025Art. 2.2 Beleidsregels urgentie gemeente Zaanstad 2016Art. 2.5.11 Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens overschrijding DAEB-norm en aanvraag voor gehele huishouden

Verzoekster, een minderjarige met een autismespectrumstoornis en verstandelijke beperking, vroeg een urgentieverklaring aan om met voorrang in aanmerking te komen voor een woning vanwege haar medisch belastende woonomgeving. Het college wees de aanvraag af omdat het totale huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt en er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem.

Verzoekster stelde dat de aanvraag ten onrechte als aanvraag voor het gehele huishouden werd aangemerkt en dat haar individuele medische situatie onvoldoende is meegewogen. Zij voerde aan dat zij alleen een Wajong-uitkering ontvangt en niet zelfstandig kan wonen. Tevens stelde zij dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door geen medisch advies in te winnen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de aanvraag gezien de feitelijke situatie moet worden beschouwd als een aanvraag voor het gehele huishouden, dat het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt en dat daardoor de aanvraag geen kans van slagen heeft. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de situatie niet als schrijnend en onvoorzien werd aangemerkt en recente medische verklaringen ontbraken.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en stelde dat het verkrijgen van een urgentieverklaring niet direct leidt tot toewijzing van een woning. Het verzoek om vrijstelling van griffierecht werd definitief toegewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de urgentieverklaring wordt afgewezen vanwege overschrijding van de DAEB-norm en aanvraag voor het gehele huishouden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/6170

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, het college
(gemachtigde: mr. Ph. H. Arnold).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om aan verzoekster een urgentieverklaring te verlenen. Verzoekster is het niet met de weigering eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Namens verzoekster is een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring, waarmee ze met voorrang in aanmerking kan komen voor een woning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 25 november 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om in afwachting van de beslissing op het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vergezeld door haar ouders en bijgestaan door haar gemachtigde, en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het besluit

3.1
Verzoekster, geboren op [datum] 2006, woont samen met haar ouders en zus. Het gezin woont sinds 6 augustus 2021 in een koopwoning in [plaats] . Namens verzoekster is een urgentieverklaring aangevraagd omdat de huidige woonomgeving voor haar medisch belastend is. Verzoekster is bekend met een autismespectrumstoornis en een verstandelijke beperking en is in sterke mate prikkelgevoelig.
3.2.
Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag van verzoekster afgewezen op grond van artikel 2.5.5, eerste lid, onder b, c en j van de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2025 (hierna: de Huisvestingsverordening) gelezen in samenhang met artikel 2.2 van de Beleidsregels urgentie gemeente Zaanstad 2016. Er is volgens het college geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem en daarnaast heeft verzoekster onvoldoende gereageerd op het woningaanbod. Verder wijst het college erop dat uit de bij de aanvraag ingediende stukken blijkt dat het inkomen de huidige DAEB-norm van € 54.847,00 overschrijdt. Hiermee kan verzoekster worden geacht zelf in woonruimte te voorzien. Omdat één of meer weigeringsgrond(en) van toepassing zijn, wordt volgens het college op grond van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder ECLI:NL:RVS:2017:2520, aan een beoordeling of er grond is voor urgentie op sociaal-medische gronden, niet toegekomen. Het college ziet verder geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.

Standpunten

Standpunt verzoekster
4.1.
Verzoekster voert aan dat het college haar aanvraag ten onrechte heeft aangemerkt als een aanvraag voor het gehele huishouden van het gezin waar verzoekster deel van uitmaakt en de urgentieverklaring heeft geweigerd op basis van het totale huishoudinkomen. Volgens verzoekster blijkt uit het door haar moeder ingevulde aanvraagformulier duidelijk dat de urgentieaanvraag is ingediend namens verzoekster alleen. In dit formulier zijn uitsluitend persoonsgegevens, inkomensgegevens en medische gegevens van verzoekster opgenomen. Verzoekster wijst op artikel 2.5.8 van de Huisvestingsverordening waarin expliciet de mogelijkheid staat om een urgentieverklaring te verlenen aan
de aanvrager, het huishouden van de aanvrager of één lid van dat huishoudenop grond van medische of sociale omstandigheden waarin de woonsituatie levensontwrichtend is. Verzoekster stelt dat zij aan deze omschrijving voldoet, nu juist zij – als één lid van het huishouden – zich in een dusdanige noodsituatie bevindt dat alleen verhuizing naar andere zelfstandige woonruimte uitkomst kan bieden. Het college had de aanvraag dan ook moeten aanmerken als een individuele urgentieaanvraag van verzoekster en haar individuele situatie moeten toetsen aan de criteria van artikel 2.5.8 (en 2.5.8a) van de Huisvestingsverordening, aldus verzoekster. Verzoekster voert aan dat zij uitsluitend een Wajong-uitkering ontvangt en zonder urgentieverklaring niet in staat is zich zelfstandig te huisvesten.
4.2.
Voorts voert verzoekster aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat het college in het geheel geen rekening heeft gehouden met de medische omstandigheden, geen medisch advies heeft ingewonnen en de overgelegde medische informatie niet kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken, terwijl de kern van haar hulpvraag is dat haar huidige woonsituatie medisch onhoudbaar is. Daarvoor wijst verzoekster erop dat zij in haar huidige woonomgeving frequent ernstig ontregeld raakt door alledaagse omgevingsprikkels, waaronder bouwgeluiden. Verzoekster heeft ter onderbouwing onder meer een verklaring van de huisarts van 7 oktober 2025, een verklaring van Perspectief van 24 maart 2018 en medische stukken van de Bascule uit 2008 en 2016 bijgevoegd.
4.3.
Ten slotte doet verzoekster een beroep op de hardheidsclausule in samenhang met artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoekster heeft uitdrukkelijk een beroep gedaan op bijzondere omstandigheden, waarvoor zij verwijst naar de overgelegde medische verklaringen die aantonen dat de voortzetting van de huidige woonsituatie ernstige schade toebrengt aan haar gezondheid. Verzoekster beroept zich op jurisprudentie waaruit blijkt dat in dit soort situaties van het bestuursorgaan een verhoogde mate van zorgvuldigheid mag worden verwacht. Verzoekster heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:1942) waarin expliciet is overwogen dat, wanneer een betrokkene medische stukken overlegt die wijzen op ernstige medische of psychische problemen en de behandeling of gezondheid daardoor wordt belemmerd, het bestuursorgaan verplicht is om nader medisch advies in te winnen.
Standpunt college
5. Het college stelt zich op het standpunt dat is geconstateerd dat niet uitsluitend verzoekster als alleenstaande met voorrang herhuisvesting verzoekt door middel van een urgentieverklaring, maar dat de herhuisvesting is bedoeld voor het gehele huishouden waarvan zij op dit moment deel uitmaakt. Dit betekent dat de aanvraag om een urgentieverklaring dan ook niet alleen uitgaat van verzoekster, maar ook van haar vader, haar moeder en haar zus. Dit brengt volgens het college met zich dat in de eerste plaats beoordeeld moet worden of dit huishouden voor de huisvesting is aangewezen op huisvesting in de sociale huursector. Het college wijst erop dat uit de gedingstukken 19, 20 en 21 blijkt dat het totale jaarinkomen waarover dit huishouden beschikt de DAEB-norm ruimschoots overschrijdt. Dit betekent dat het huishouden voor de huisvesting niet is aangewezen op de sociale huursector. Volgens het college zullen woningcorporaties in geen geval aan dit huishouden een huurovereenkomst voor een sociale huurwoning aanbieden. Reeds hierom heeft het verzoek om een urgentieverklaring geen kans van slagen, aldus het college.
Het college ziet ook geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat hoewel aannemelijk is dat verzoekster zorgbehoevend is, sprake is van drie algemene weigeringsgronden en hij, mede gelet op de in dit geval eveneens van toepassing zijnde algemene weigeringsgronden onder j en c, op voorhand niet ziet dat in het kader van de beoordeling van de hardheidsclausule medisch onderzoek nodig is.

Beoordeling

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend door verzoekster. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Dat verzoek is voorlopig toegewezen. Met de door verzoekster verstrekte gegevens heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Indien een rechtzoekende een fiscale partner heeft, wordt ook rekening gehouden met het inkomen en het vermogen van een fiscale partner, maar daarvan is in het geval van verzoekster geen sprake. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
7. De regels die bij de inhoudelijke beoordeling relevant zijn, staan in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
8.1.
Als uitgangspunt bij de beoordeling van het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekster afgezien van haar Wajong-uitkering geen ander inkomen heeft, thans bij haar ouders en zus in de huidige woning woont, kampt met een autismespectrumstoornis en verstandelijke beperking en structurele gedragsontregeling ondervindt in de huidige woonsituatie. De voorzieningenrechter begrijpt dat het beoogde resultaat van de urgentieaanvraag is dat er een einde komt aan de geschetste situatie dat verzoekster door de geluidsoverlast in de huidige woning ontregeld raakt. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de afhandeling van het bezwaar is naar het oordeel van de voorzieningenrechter naar zijn aard spoedeisend, want hoe eerder de huidige woonsituatie voor verzoekster verbetert, hoe beter dat voor haar is. Dat brengt met zich dat de voorzieningenrechter inhoudelijk een voorlopig oordeel over het bestreden besluit geeft teneinde te bepalen of een voorlopige voorziening dient te worden getroffen in afwachting van de uitkomst van de behandeling van het bezwaar tegen het bestreden besluit. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat het verkrijgen van een urgentieverklaring op zichzelf nog niet direct leidt tot toewijzing van een woning, maar slechts tot gevolg kan hebben dat voorrang kan worden verkregen om voor een woning in aanmerking te komen.
8.2.
Het standpunt van verzoekster dat de aanvraag ten onrechte is aangemerkt als een aanvraag voor het gehele huishouden en daarom ook ten onrechte het huishoudinkomen in aanmerking is genomen, volgt de voorzieningenrechter niet. De reden voor de aanvraag, die is gelegen in de gezondheidssituatie van verzoekster, maakt niet dat de aanvraag alleen voor verzoekster kan worden geacht te zijn ingediend. Dat uitsluitend de naam van verzoekster als aanvrager op het betreffende aanvraagformulier is opgevoerd, is daarvoor niet bepalend. De voorzieningenrechter maakt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting op dat het niet tot de mogelijkheden behoort dat verzoekster alleen, als individu, gaat verhuizen. Zo staat in de gronden van het verzoek van 26 januari 2026 “Verzoekster heeft geen mogelijkheid om zelfstandig uit te wijken” en uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar op 27 januari 2026 blijkt dat de moeder van verzoekster en de gemachtigde van verzoekster desgevraagd onder meer hebben verklaard dat verzoekster niet zelfstandig kan wonen. De voorzieningenrechter concludeert daaruit dat de aanvraag voor het gehele gezin is bedoeld, omdat het niet zo is dat verzoekster individueel op zichzelf gaat wonen. De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting in het kader van de voorlopige voorziening ook geen duidelijkheid kunnen geven op het punt van de omvang van het huishouden waarvoor de urgentieaanvraag is ingediend. Zo heeft de gemachtigde enerzijds verklaard dat het primair de wens is van het gezin om gezamenlijk te wonen, maar anderzijds dat het uitgangspunt is dat het gezin niet meegaat. Onder deze omstandigheden heeft het college zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat de aanvraag om een urgentieverklaring niet alleen is bedoeld voor huisvesting van verzoekster, maar ook voor andere leden van het gezin. Zoals het college terecht heeft opgemerkt brengt dit met zich dat, zoals in artikel 2.5.5, eerste lid, onder j, van de Huisvestingsverordening staat, moet worden gekeken naar het huishoudinkomen: het inkomen van het gehele huishouden. Onbetwist is dat het totale huishoudinkomen in dit geval de DAEB-norm overschrijdt.
Aan het beroep van verzoekster op artikel 2.5.8 van de Huisvestingsverordening kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan niet worden toegekomen. Artikel 2.5.5, eerste lid, onder j van de Huisvestingsverordening is een algemene weigeringsgrond en gaat immers vooraf aan artikel 2.5.8. omdat in artikel 2.5.8 staat dat een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.5.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoen. Aan die voorwaarde is in dit geval niet voldaan.
8.3.
Zoals het college verder terecht heeft opgemerkt is, als zich een algemene weigeringsgrond voordoet, geen plaats meer voor toetsing van de vraag of een urgentieverklaring kan worden verleend voor een sociaal-medische urgentie. Dit is vaste rechtspraak. [1]
8.4.
Vanwege de dwingendrechtelijke formulering van de algemene weigeringsgronden in artikel 2.5.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening, is het verlenen van een urgentieverklaring dan alleen nog mogelijk als op grond van artikel 2.5.11 van de Huisvestingsverordening een geslaagd beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule.
8.5.
Het college heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de door verzoekster naar voren gebrachte omstandigheden in redelijkheid geen grond hoeven zien om met toepassing van de hardheidsclausule alsnog tot verlening van urgentie over te gaan. Daarbij is van belang dat er bij de toepassing van de hardheidsclausule sprake moet zijn van een schrijnende situatie én bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat de situatie waarin verzoekster zich bevindt, aangemerkt zou kunnen worden als schrijnende situatie, maar bij de beoordeling van de hardheidsclausule is ook van belang dat de aanvraag van verzoekster, zoals hiervoor ook overwogen, niet is bedoeld voor individuele huisvesting van verzoekster als enige van het gezin maar voor het gehele huishouden en onbetwist is dat het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt. Het college heeft toegelicht dat deze laatste omstandigheid betekent dat dit huishouden voor zijn huisvesting niet is aangewezen op huisvesting in de sociale huursector. Hiermee is bij de Huisvestingsverordening rekening gehouden, waarbij ook het doel van de Huisvestingsverordening van belang is. Het beroep van verzoekster op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2024, zoals hiervoor onder 4.3. vermeld, slaagt niet. Niet alleen was in het geval van die uitspraak een andere gemeente en daarmee een andere Huisvestingsverordening van toepassing, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, anders dan verzoekster betoogt, de situatie niet vergelijkbaar met de situatie in de genoemde uitspraak. In het geval van verzoekster ontbreekt (vooralsnog) een recente verklaring afkomstig van een medisch specialist die wijst op een medische noodsituatie voor verzoekster die samenhangt met de woonsituatie. De overgelegde verklaringen van de orthopedagoog en GZ-psycholoog en psychiater dateren uit 2008, 2016 en 2018 en zijn daarvoor onvoldoende. De enkele stelling dat die klachten onveranderd en zelfs verergerd zijn, maakt dat niet anders. Uit de overgelegde verklaring van de huisarts van 7 oktober 2025 volgt niet dat sprake is van een acute medische noodsituatie. Het standpunt van verzoekster dat het college onafhankelijk medisch advies had moeten vragen, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.
8.6.
Al het hiervoor vermelde leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het bezwaar van verzoekster gelet op het bovenstaande geen redelijke kans van slagen heeft. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage

Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2025
Artikel 1 Definities Pro
In deze verordening wordt verstaan onder: (…)
t. Huishouden: één persoon of groep van personen die een langdurige gemeenschappelijke huishouding voeren en willen voeren waarbij sprake is van een onderlinge met een gezinsverband vergelijkbare verbondenheid en continuïteit in de samenstelling. Een groep van kamerhuurders wordt hieronder niet begrepen;
Artikel 2.5.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring (deels)
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden(…)
b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen; (…)
j. het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt.
Artikel 2.5.8 Overige regionale urgentiecategorieën
1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.5.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:
a. woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;
b. woningzoekenden, met inbegrip van de situatie waarin dit slechts geldt voor één lid van het huishouden van de woningzoekende, die zich naar het oordeel van burgemeester en wethouders op grond van medische of sociale omstandigheden in een levensontwrichtende woonsituatie bevindt, welke alleen beëindigd kan worden door verhuizing naar andere zelfstandige woonruimte, voor zover zij niet behoren tot de in artikel 2.5.7 bedoelde urgentiecategorie;
c. woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte behoort tot een door burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid aangewezen complex.
d. woningzoekenden waarvan de binnen de gemeente gelegen zelfstandige woonruimte als gevolg van een calamiteit naar het oordeel van burgemeester en wethouders duurzaam ongeschikt is voor bewoning.(…)
Artikel 2.5.8a Sociaal medische urgentie
1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.5.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager, het huishouden van aanvrager of een lid van dat huishouden zich naar het oordeel van burgemeester en wethouders op grond van medische of sociale omstandigheden in een levensontwrichtende woonsituatie bevindt, welke alleen beëindigd kan worden door verhuizing naar andere zelfstandige woonruimte. (…)
Beleidsregels urgentie gemeente Zaanstad 2016 (deels)
2.2
Uitwerking algemene weigeringsgronden
Hieronder worden eerst
cursiefde in de verordening opgenomen algemene weigeringsgronden geciteerd. Daarna wordt de uitwerking weergegeven.
Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden (cursief wordt de desbetreffende bepaling uit de verordening geciteerd):(…)
b.
er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;(…)c.
de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
Hiervan is in ieder geval sprake als:
. de aanvrager er niet alles wat redelijkerwijs tot zijn mogelijkheden behoort aan heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen;(…)
. de aanvrager heeft gelet op zijn inkomen of vermogen de middelen om zelf in een oplossing voor het huisvestingsprobleem te voorzien;
. aanvrager in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou gaan krijgen niet zo vaak als mogelijk op via het reguliere aanbod van corporaties aangeboden voor hem passende woonruimte heeft gereageerd. De zinsnede "zo vaak als mogelijk" in de vorige zin moet gelezen worden als "tenminste vier maal per week, voor zover er, naast de mogelijkheid om te reageren op de lotingwoningen, tenminste twee keer per week voor hem passende woonruimte werd aangeboden"
;
. aanvrager, gelet op de aard en ernst van het huisvestingsprobleem, binnen een redelijke termijn zelf, gelet op zijn inschrijfduur als woningzoekende, geacht wordt een woning te kunnen vinden.
j.
het huishoudinkomen de DAEB-norm niet overschrijdt.
Met de inwerkingtreding van de herziene Woningwet per juli 2015 zijn de regels voor toewijzing van sociale huurwoningen tot € 710,68 (prijspeil 2016, hetzelfde niveau als in 2015) aangepast. De toegelaten instelling gaat in principe tot ten minste 90% van haar woongelegenheden slechts overeenkomsten van huur en verhuur aan, indien het huishoudinkomen niet hoger is dan de inkomensgrens. Volgens het Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting (BTIV) moeten woningcorporaties ten minste 90% van de vrijkomende sociale huurwoningen toewijzen aan de doelgroep. Ten minste 80% moet worden toegewezen aan huishoudens met een inkomen tot € 35.739 (prijspeil 2016). Tot en met 2020 kan ten hoogste 10% van de vrijkomende sociale huurwoningen worden toegewezen aan huishoudens met een inkomen tot € 39.874 (prijspeil 2016).
De 10% sociale huurwoningen die overblijft, mogen woningcorporaties vrij toewijzen. Hierbij moeten zij de geldende voorrangsregels uit de plaatselijke huisvestingsverordening en de voorrangsregels uit het BTIV in acht nemen. Dit betekent bijvoorbeeld dat zij voorrang moeten geven aan mensen die door fysieke of psychische beperkingen moeilijk aan passende huisvesting kunnen komen. (MG 2015-05 16- 11-2015)(…)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2520.