Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:1615

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
11927989\ EJ VERZ25-14
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 7:954 BWArt. 1019w RvArt. 1019aa RvArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid werkgever voor bedrijfsongeval met hielbeenbreuk tijdens sloopwerkzaamheden

Verzoeker raakte op 15 september 2024 tijdens sloopwerkzaamheden aan een universiteitsgebouw zijn hielbeen gebroken doordat een luchtkanaal naar beneden viel. Hij stelde werkgever [verweerder 1] aansprakelijk voor de schade en vorderde tevens vergoeding van [verweerder 2], een tussenpersoon.

De kantonrechter oordeelde dat [verweerder 1] aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW Pro omdat niet is gebleken dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. De toedracht van het ongeval was onduidelijk, maar het risico van vallende voorwerpen was onvoldoende onderkend en er ontbraken duidelijke instructies en toezicht. Het verzoek tegen [verweerder 2] werd afgewezen omdat deze geen verzekeraar is.

Verzoeker vroeg een voorschot van € 25.000,-, maar de kantonrechter mat dit tot € 5.000,- wegens onvoldoende onderbouwing van de schade. De proceskosten werden gematigd tot € 9.202,- en werden aan [verweerder 1] opgelegd. Het verzoek tot aansprakelijkheid voor asbestblootstelling werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van schade.

Uitkomst: Werkgever is aansprakelijk voor de schade van verzoeker door bedrijfsongeval en moet voorschot en proceskosten betalen; verzoek tegen tussenpersoon en asbestschade afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer / rekestnummer: 11927989 \ EJ VERZ 25-14
Beschikking van 19 februari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. A. van Tol,
tegen

1.[verweerder 1] ,

te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [verweerder 1] ,
2.
[verweerder 2],
te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [verweerder 2] ,
verwerende partijen,
gemachtigde: mr. T. Havekes.
De zaak in het kort
[verzoeker] heeft een ongeval gehad op zijn werk, waardoor zijn hielbeen is gebroken. Partijen verschillen van mening over de toedracht van het ongeval. In deze deelgeschilprocedure verzoekt [verzoeker] de kantonrechter voor recht te verklaren dat [verweerder 1] aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] lijdt als gevolg van het ongeval. De kantonrechter wijst dit verzoek toe omdat niet is gebleken dat [verweerder 1] aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het verzoek van [verzoeker] om te bepalen dat [verweerder 2] zijn schade moet vergoeden, wijst de kantonrechter af omdat [verweerder 2] een tussenpersoon is en geen verzekeraar.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift (met bijlagen 1 tot en met 20),
- het verweerschrift (met producties 1 tot en met 12),
- de mondelinge behandeling van 28 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Van Tol heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij tijdens de mondelinge behandeling heeft overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Feiten

2.1.
[verzoeker] is in het weekend van 14 en 15 september 2024 via uitzendbureau ANHD B.V. (hierna: ANHD) als ZZP-er door [verweerder 1] ingehuurd voor sloop- en saneringswerkzaamheden aan een gebouw van de universiteit van Groningen.
2.2.
[verweerder 1] heeft bepaald dat de saneringswerkzaamheden in contaiment [1] diende plaats te vinden omdat op bepaalde plekken in het gebouw asbest aanwezig was. [verzoeker] diende daarvoor beschermende kleding en een masker te dragen.
2.3.
De werkzaamheden van [verzoeker] bestonden uit het verwijderen van het luchtkanaal in het gebouw.
2.4.
De werkzaamheden vonden plaats onder toezicht van de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), Deskundig Toezichthouder Asbest (ook wel DTA-er) en voorman van [verweerder 1] .
2.5.
Op 15 september 2024 heeft [verzoeker] tijdens de werkzaamheden letsel opgelopen omdat het luchtkanaal naar beneden is gevallen. Er is door collega’s ter plaatse eerste hulp verleend. [verzoeker] is door een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. In het ziekenhuis is vastgesteld dat [verzoeker] zijn hielbeen had gebroken.
2.6.
Op 1 oktober 2024 heeft [verzoeker] [verweerder 1] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval.
2.7.
[verweerder 1] heeft een werkgeversrapportage (hierna: ongevalsrapportage) laten opstellen naar aanleiding van het ongeval van [verzoeker] . De ongevalsrapportage dateert van 10 februari 2025.
2.8.
[verweerder 2] heeft expertisebureau [naam 2] (hierna: [naam 2] ) verzocht een onderzoek in te stellen naar de toedracht van het ongeval van [verzoeker] . [naam 2] heeft daartoe gesprekverslagen opgesteld van gesprekken gevoerd met [naam 1] en de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), uitvoerder bij [verweerder 1] .
2.9.
De arbeidsinspectie heeft op 7 maart 2025 een boeterapport arbeidsomstandigheden opgesteld en een boete aan [verweerder 1] opgelegd vanwege het te laat melden van het arbeidsongeval van [verzoeker] .

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter – samengevat en voor zover van belang – bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv):
  • voor recht te verklaren dat [verweerder 1] op grond van artikel 7:658 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk is voor alle als gevolg van het ongeval op 15 september 2024 door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade, inclusief de schade die door de blootstelling aan asbest wordt of kan worden veroorzaakt, vermeerderd met de wettelijke rente,
  • voor recht te verklaren dat [verweerder 2] op grond van artikel 7:954 BW Pro verplicht is om de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade aan [verzoeker] te vergoeden,
  • [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk te verplichten tot betalen van € 25.000,- zijnde een voorschot op de schade,
  • de kosten op grond van artikel 1019aa Rv te begroten op € 12.078,22 en [verweerder 1] en [verweerder 2] te veroordelen in het betalen van deze kosten.
3.2.
Aan het verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat hij tijdens werkzaamheden voor [verweerder 1] een ongeval heeft gehad en daardoor schade heeft geleden en nog steeds lijdt. [verzoeker] stelt dat [verweerder 1] haar zorgplicht op grond van artikel 7:658 BW Pro heeft geschonden en daarom aansprakelijk is voor de door hem geleden schade.
3.3.
[verweerder 1] en [verweerder 2] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij stellen dat het verzoek tegen [verweerder 2] moet worden afgewezen omdat [verweerder 2] geen verzekeringsmaatschappij is maar een volmachtkantoor van verschillende verzekeringsmaatschappijen. Daarnaast betwisten [verweerder 2] en [verweerder 1] dat [verweerder 1] aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] . [verweerder 1] en [verweerder 2] stellen dat [verweerder 1] aan haar zorgplicht heeft voldaan.

4.De beoordeling

4.1.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.
4.2.
Het deelgeschil ziet op de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag. Een dergelijke vraag kan in een deelgeschilprocedure aan de kantonrechter worden voorgelegd.
De aansprakelijkheid betreft een geschil aan het begin van het traject van onderhandelingen en een oordeel van de kantonrechter over de aansprakelijkheidsvraag kan het beginpunt zijn voor buitengerechtelijke onderhandelingen over de overige geschilpunten. Dit betekent dat het verzoek van [verzoeker] geschikt is voor (inhoudelijke) behandeling in een deelgeschilprocedure.
4.3.
In dit deelgeschil moet de kantonrechter de vraag beantwoorden of [verweerder 1] aansprakelijk is voor de gevolgen van het bedrijfsongeval van [verzoeker] op 15 september 2024. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder 1] aansprakelijk is omdat niet is gebleken dat [verweerder 1] aan haar zorgplicht heeft voldaan. Hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt, zal in de volgende overwegingen worden uitgelegd.
4.4.
De kantonrechter behandelt eerst de vraag of [verweerder 2] door [verzoeker] terecht in deze procedure is betrokken. Vervolgens legt de kantonrechter uit waarom [verweerder 1] aansprakelijk is voor de gevolgen van het bedrijfsongeval van [verzoeker] . Daarna gaat de kantonrechter in op de door [verzoeker] gestelde schade in verband met een mogelijke asbestbesmetting. De kantonrechter behandelt dan het door [verzoeker] gevorderde voorschot en zal tot slot ingaan op de kosten van dit deelgeschil.
Procedure jegens [verweerder 2]
4.5.
[verzoeker] verzoekt voor recht te verklaren dat [verweerder 2] op grond van artikel 7:954 BW Pro verplicht is de schade van [verzoeker] te vergoeden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] erkend dat [verweerder 2] geen verzekeraar is maar een vertegenwoordiger van de Duitse verzekeringsmaatschappij Hubener AG. Artikel 7:954 BW Pro geldt alleen jegens een verzekeraar. Omdat [verweerder 2] geen verzekeraar is, zal de kantonrechter de verzoeken van [verzoeker] voor zover deze gericht zijn op [verweerder 2] afwijzen.
Ongeval [verzoeker]
4.6.
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat [verweerder 1] aansprakelijk is voor het ongeval op grond van artikel 7:658 BW Pro.
[verweerder 1] betwist de toedracht van het ongeval. Zij stelt daarnaast dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan.
Juridisch kader artikel 7:658 BW Pro
4.6.1.
In 7:658 BW is de zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer neergelegd. In lid 1 is bepaald dat de werkgever die maatregelen moet nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De schending van de in lid 1 gestelde zorgplicht wordt in beginsel aangenomen wanneer de werknemer stelt en bewijst dat hij schade heeft geleden in de uitvoering van zijn werkzaamheden (lid 2). Dit is anders wanneer de werkgever aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
4.6.2.
Artikel 7:658 BW Pro houdt een ruime zorgplicht in. Er wordt niet snel aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Het artikel beoogt daarentegen ook geen absolute garantie te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Als de toedracht vaststaat, kan de werkgever volstaan met aantonen dat hij heeft voldaan aan alle op hem rustende verplichtingen teneinde dit specifieke ongeval te voorkomen. [2] Onduidelijkheid over de toedracht van het ongeval betekent een ruimere bewijslast voor de werkgever. In dat geval is het aan de werkgever om te stellen en zo nodig te bewijzen welke veiligheidsmaatregelen meer in het algemeen zijn genomen.
4.6.3.
Lid 4 van artikel 7:658 BW Pro regelt dat personeel zonder arbeidsovereenkomst in voorkomend geval ook de inlener kan aanspreken voor schade door een bedrijfsongeval.
Toepassing van artikel 7:658 BW Pro op deze zaak
Lid 4
4.6.4.
De kantonrechter ziet aanleiding om eerst in te gaan op de toepasselijkheid van artikel 7:658 lid 4 BW Pro omdat [verweerder 1] betwist dat op haar ten tijde van het ongeval een zorgplicht rustte op grond van dit artikellid. Ter onderbouwing van haar verweer wijst [verweerder 1] er op dat [verzoeker] in dienst was bij ANHD en dat ANHD [verzoeker] op regiebasis voor uitvoering van de werkzaamheden naar [verweerder 1] heeft gestuurd.
4.6.5.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 lid 4 BW Pro is vereist dat
(1) er arbeid wordt verricht anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst, en
(2) degene die arbeid laat verrichten dat doet ‘in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf’. [verweerder 1] heeft niet betwist dat aan deze twee vereisten is voldaan. [verzoeker] is geen arbeidsovereenkomst aangegaan met [verweerder 1] terwijl [verweerder 1] [verzoeker] arbeid heeft laten verrichten in de uitoefening van haar bedrijf. Daar komt bij dat [verweerder 1] niet heeft betwist dat zij degene was die feitelijk zeggenschap had over de werkzaamheden van [verzoeker] en de arbeidsomstandigheden van [verzoeker] . Dat [verzoeker] mogelijk ook ANHD aansprakelijk kan stellen voor zijn schade, doet aan de aansprakelijkheid van [verweerder 1] op grond van artikel 7:658 lid 4 BW Pro niet af. De rechtsverhouding tussen [verzoeker] en [verweerder 1] valt dan ook onder artikel 7:658 lid 4 BW Pro. De kantonrechter zal daarom verder ingaan op de zorgplicht die [verweerder 1] had ten opzichte van [verzoeker] .
Leden 1 en 2
4.6.6.
[verweerder 1] betwist niet dat [verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden, als gevolg van het ongeval, schade heeft geleden en lijdt. Dit heeft tot gevolg dat [verweerder 1] slechts aan aansprakelijkheid kan ontkomen als zij aantoont dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan of aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] . [verweerder 1] stelt niet dat de schade van [verzoeker] het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] . De kantonrechter zal dan ook alleen beoordelen of [verweerder 1] heeft aangetoond dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het gaat er dan om of [verweerder 1] heeft voldaan aan zorgverplichting die ziet op de aard van het ongeval zoals zich dat heeft voorgedaan.
4.6.7.
[verzoeker] en [verweerder 1] zijn het niet eens over de toedracht van het ongeval.
[verzoeker] stelt dat hij op een steiger stond toen het luchtkanaal naar beneden viel. Omdat het luchtkanaal op de steiger viel, werd [verzoeker] als het ware gelanceerd en heeft hij een breuk in zijn hielbeen opgelopen. [verzoeker] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar verklaringen van collega’s.
[verweerder 1] betwist dat [verzoeker] door het vallende luchtkanaal is gelanceerd van een steiger. [verweerder 1] wijst naar de ongevalsrapportage. In deze rapportage is opgenomen dat [verzoeker] ‘
stond vermoedelijk op de grond, met een steigerbuis in zijn hand, het luchtkanaal los te wrikken. Deze is naar alle waarschijnlijkheid door deze handeling naar beneden gevallen’ [verweerder 1] verwijst daarnaast naar verklaringen die door [naam 1] en [naam 3] zijn afgelegd tegenover [naam 2] waaruit een vergelijkbare toedracht zou blijken.
De kantonrechter stelt vast dat hoewel de toedracht van het ongeval niet vaststaat, partijen er beiden vanuit gaan dat de schade die [verzoeker] heeft geleden en nog lijdt het gevolg is van het loslaten of vallen van het luchtkanaal tijdens de werkzaamheden. Tussen partijen staat daarnaast vast dat de werkzaamheden van [verzoeker] ten tijde van het ongeval bestonden uit het verwijderen van het luchtkanaal.
4.6.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat het luchtkanaal aan het plafond hing. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het plafond. De kantonrechter gaat uit van de hoogte die is genoemd in het rapport van de arbeidsinspectie. Uit dat rapport blijkt dat het plafond 3,895 meter hoog was. Uit dat rapport blijkt daarnaast dat de inspecteur de hoogte van het luchtkanaal inschatte op 50 cm en de lengte op 5,5 meter. Deze afmetingen komen overeen met waar partijen beiden zelf ook vanuit gaan, [verweerder 1] geeft in het verweerschrift aan dat de lengte van het luchtkanaal 6,8 meter was. Door [verweerder 1] is gesteld dat het luchtkanaal zo’n 200 kilo weegt. Dit is door [verzoeker] niet betwist, tijdens de mondelinge behandeling heeft hij gesteld dat het luchtkanaal mogelijk nog zwaarder was.
4.6.9.
Uit eerdere rechtspraak volgt dat bij werkzaamheden op hoogte van een werkgever ten minste verwacht mag worden dat zij ter zake van die werkzaamheden duidelijke en specifieke instructies verstrekt aan werknemers wat te doen om valgevaar te voorkomen. [3] Dit geldt ook voor [verweerder 1] omdat bij het verwijderen van het luchtkanaal, dat aan het plafond was bevestigd, immers sprake is van valgevaar. Deze verplichting voor werkgevers volgt ook uit artikel 3.17 van het Arbobesluit waarin een werkgever wordt verplicht het gevaar voor werknemers te worden getroffen of geraakt door voorwerpen te voorkomen en – als dat onmogelijk blijkt – zoveel mogelijk te beperken.
4.6.10.
[verweerder 1] heeft niet kunnen aantonen dat zij aan haar werknemers of degene die de werkzaamheden verrichtten instructies over het voorkomen van valgevaar heeft gegeven en aan haar verplichting uit het Arbobesluit heeft voldaan. Sterker nog uit de ongevalsrapportage blijkt dat in het Project Risico Inventarisatie & Evaluatie (hierna: RI&E) niet is geïnventariseerd ‘
wat de risico’s zijn met betrekking tot vallende voorwerpen, i.c. vallende luchtkanalen’. Er waren geen duidelijke instructies om veilig een luchtkanaal te verwijderen, waarvoor ook geen TRA (Taak Risico Analyse) was opgesteld. Door de ongevalsrapporteur zijn om soortgelijke incidenten (het werken met gevaar voor vallende objecten) een aantal specifieke verbetermaatregelen opgesteld, waaronder het opstellen van specifieke instructies voor omgaan met gevaar voor getroffen worden door vallende voorwerpen, het gebruik van een TRA voor trefgevaar en verhoogd toezicht op de werkplekken. Daarnaast is in de ongevalsrapportage het volgende opgenomen: ‘
Elke werknemer tekent elke dag een verklaring m.b.t. het hebben ontvangen van de instructies + alle certificaten te hebben. Wat ontbreekt op deze verklaring is een controle. Zo wordt er niet getoetst bij de ondertekening van deze verklaring of de werknemer alle instructies ook daadwerkelijk heeft begrepen.
4.6.11.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder 1] erkend dat het risico van vallende voorwerpen niet is opgenomen in de RI&E. In de ongevalsrapportage is weliswaar opgenomen dat dit niet ongebruikelijk is, omdat het een project specifiek risico is dat door middel van een mondelinge werkinstructie wordt toegelicht. Uit de ongevalsrapportage blijkt echter ook dat schriftelijke documentatie dat de gevaren en maatregelen mondeling zijn besproken tijdens de startwerkinstructie ontbreekt. Dit klemt omdat door [verzoeker] wordt betwist dat er een mondelinge instructie is gegeven voor de veiligheidsrisico’s. Door [verweerder 1] is niet gesteld, en het is de kantonrechter ook niet gebleken, dat deze instructies niet aan [verzoeker] gegeven hadden moeten worden als hij was aangesteld als toezichthouder (“DTA’er”) om het werk te verrichten. Overigens wordt door [verzoeker] betwist dat hij door [verweerder 1] als toezichthouder op de werkzaamheden was aangesteld. Volgens hem was [naam 1] de toezichthouder op het werk. Daarnaast blijkt uit de ongevalsrapportage dat niet is getoetst of de werknemers de instructies ook daadwerkelijk hebben begrepen. Ook dit klemt omdat [verzoeker] moeite heeft met de Nederlandse taal, zoals de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling zelf heeft kunnen vaststellen. [verweerder 1] stelt dat de instructies in het Turks zouden zijn vertaald, daarvan ontbreekt echter ook schriftelijke documentatie.
4.6.12.
Op grond van de onder 4.6.10 en 4.6.11 beschreven omstandigheden heeft [verweerder 1] niet aangetoond dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan om het (specifieke) gevaar voor vallende voorwerpen en daarmee het ontstane ongeval zoveel als mogelijk te voorkomen. Dat wordt niet anders door het feit dat [verzoeker] de werkzaamheden de dag en ochtend voorafgaande aan het ongeval wel zonder problemen heeft uitgevoerd en dat de sloopwerkzaamheden als eenvoudig werden beschouwd. Zoals overwogen was er sprake van specifiek gevaar voor vallende voorwerpen en diende, zoals uit de ongevalsrapportage ook wordt voorgesteld als verbeterpunt, verhoogd toezicht te zijn (steeds) voorafgaand aan de werkzaamheden. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat [verweerder 1] niet aan de zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW Pro heeft voldaan. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoeker] voor recht te verklaren dat [verweerder 1] aansprakelijk is voor zijn schade als gevolg van het ongeval dan ook toewijzen.
Asbestbesmetting
4.7.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter ook voor recht te verklaren dat [verweerder 1] aansprakelijk is voor de schade die door de blootstelling aan asbest wordt of kan worden veroorzaakt. Ter onderbouwing van deze stelling stelt [verzoeker] dat medewerkers van [verweerder 1] zijn masker en asbestwerende kleding hebben uitgetrokken zonder [verzoeker] eerst naar een veilige ruimte te brengen. [verzoeker] is daardoor blootgesteld geweest aan asbest.
[verweerder 1] betwist dat [verzoeker] na het ongeval is blootgesteld aan een risico op asbestbesmetting omdat het betreffende luchtkanaal geen asbest bevatte. Als al een verwijt zou kunnen worden gemaakt, dan moet dat volgens [verweerder 1] worden gemaakt aan ANHD omdat de medewerkers van ANHD de beschermende kleding van [verzoeker] bij hem hebben uitgetrokken om eerste hulp te verlenen.
4.8.
Bij de beantwoording van de vraag of [verweerder 1] ook aansprakelijk is voor de schade die door blootstelling aan asbest wordt of kan worden veroorzaakt, is artikel 7:658 BW Pro ook van toepassing. Zoals uit overweging 4.6.1 volgt, dient de werknemer te stellen en aannemelijk te maken dat hij (1) in de uitoefening van zijn werkzaamheden (2) schade heeft geleden.
De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] niet heeft gesteld dat hij schade heeft geleden als gevolg van de (mogelijke) blootstelling aan asbest. Daar komt bij dat in eerdere rechtspraak is bepaald dat een werknemer niet alleen moet stellen dat hij aan een gevaarlijke stof is blootgesteld, maar ook moet stellen en aannemelijk maken dat hij lijdt aan een ziekte of aan gezondheidsklachten die door die blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. [4] [verzoeker] heeft enkel gesteld dat hij is blootgesteld aan asbest, maar dit verder niet onderbouwd. Het is ook overigens vooralsnog niet gebleken dat [verzoeker] lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten die door die blootstelling kunnen worden veroorzaakt. De kantonrechter zal dit onderdeel van het verzoek van [verzoeker] , als onvoldoende onderbouwd, dan ook afwijzen.
Voorschot
4.9.
[verzoeker] vordert een voorschot op de schadevergoeding van € 25.000,-. [verzoeker] heeft erkend dat hij geen bewijsstukken van zijn schade heeft overgelegd in afwachting van vaststelling van de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval.
[verweerder 1] voert verweer tegen dit verzoek. Zij wijst erop dat het verzoek niet is onderbouwd en er is niets bekend over (de omvang van) het letsel en de schade van [verzoeker] . [verweerder 1] wijst daarnaast op het hoge restitutierisico.
4.10.
De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat [verzoeker] schade heeft geleden en nu ook nog lijdt als gevolg van het ongeval. Omdat de hoogte van de schade nog niet duidelijk is, kan de kantonrechter het verzochte voorschot van € 25.000,- niet toewijzen. De kantonrechter acht het wel aannemelijk dat de schade van [verzoeker] tenminste € 5.000,- bedraagt. Omdat de kantonrechter van oordeel is dat [verweerder 1] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade, zal de kantonrechter bepalen dat [verweerder 1] een voorschot op deze schade aan [verzoeker] dient te betalen van € 5.000,-.
Kosten deelgeschil
4.11.
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.12.
[verzoeker] verzoekt de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 12.078,22 inclusief BTW en [verweerder 1] te veroordelen in deze kosten waaronder de advocaatkosten en het griffiegeld. Het bedrag van € 12.078,22 is gebaseerd op werkzaamheden van 31 uur tegen een uurtarief van € 322,- per uur exclusief BTW. Daarbij is onder andere 20 uur gerekend voor het opstellen van het verzoekschrift/ voorbereiden van het deelgeschil en 4,5 uur voor het bijwonen van de mondelinge behandeling (inclusief 2 uur reistijd en nabespreking met [verzoeker] vanaf [plaats 4] ). De advocaat van [verzoeker] voert aan dat de ervaring leert dat een advocaat gemiddeld een uur nodig heeft per pagina voor het opstellen van een verzoekschrift en een half uur per pagina voor het verweerschrift (inclusief het opstellen van een reactie).
[verweerder 1] stelt dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is. Zij stelt dat een uurtarief van € 250,- per uur redelijk is en dat de tijdsbesteding aan dit deelgeschil niet meer dan 25 uur dient te bedragen. [verweerder 1] wijst er tot slot op dat haar bekend is dat de proceskosten van [verzoeker] betaald worden door de gemeente zodat [verzoeker] deze kosten mogelijk dubbel vergoed krijgt.
4.13.
De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [verweerder 1] dat [verzoeker] de proceskosten mogelijk dubbel vergoed krijgt. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat hij deze kosten aan de gemeente weer moet terugbetalen.
4.14.
De kantonrechter is van oordeel dat de door [verzoeker] verzochte kosten dienen te worden gematigd. Gelet op ervaring en specialisatie van de advocaat van [verzoeker] en vergelijkbare uitspraken acht de kantonrechter het redelijk rekening te houden met een uurtarief van € 280,- exclusief BTW. Dit tarief sluit aan bij de bedragen die in de rechtspraak van de laatste jaren als redelijk worden beschouwd.
4.15.
De kantonrechter volgt [verweerder 1] in haar standpunt dat de zaak niet de door de advocaat van [verzoeker] opgevoerde tijdbesteding rechtvaardigt die [verzoeker] begroot wil zien. In deze zaak gaat het enkel om het vaststellen van de aansprakelijkheid. Het is daardoor een overzichtelijk deelgeschil waarbij in het buitengerechtelijke traject de standpunten van partijen als uitvoerig over en weer zijn gewisseld. Uit het verzoekschrift blijkt al welk verweer gevoerd zou gaan worden en in het verweerschrift staan geen elementen die niet al in het verzoekschrift zijn onderkend. Daarnaast bestaat het verzoekschrift uit 22 pagina’s waarvan ruim 8 pagina’s een weergave zijn van de tussen partijen gevoerde onderhandelingen. De kantonrechter zal dan ook de tijdsbesteding beperken tot 25 uur, zoals door [verweerder 1] verzocht.
Voor zover [verzoeker] verzoekt de kosten te vermeerderen met de advocaatkosten zal de kantonrechter dat deel van het verzoek afwijzen omdat in voormelde kosten de advocaatkosten al zijn opgenomen.
4.16.
Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter de kosten van dit deelgeschil zal begroten op een totaalbedrag van € 8.470,- (= 25 uren × € 280,-x 21% BTW). Dit bedrag moet worden vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 732,-, zodat de kosten van dit deelgeschil in totaal € 9.202,- bedragen. Omdat de aansprakelijkheid van [verweerder 1] is komen vast te staan, zal de kantonrechter [verweerder 1] veroordelen in de betaling van deze kosten.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.17.
[verzoeker] verzoekt de beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Een verklaring voor recht is naar haar aard niet voor tenuitvoerlegging vatbaar. Het gaat hier dus alleen om de veroordeling tot betaling van het voorschot en de kosten. De kantonrechter zal de beschikking op dit punt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure geen hogere voorziening openstaat. [5]

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [verweerder 1] op grond van artikel 7:658 BW Pro aansprakelijk is voor alle als gevolg van het ongeval op 15 september 2024 door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt [verweerder 1] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 5.000,- als voorschot op de materiële en immateriële schade, te voldoen binnen veertien dagen na datum van deze beschikking,
5.3.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 9.202,- inclusief btw en griffierecht en veroordeelt [verweerder 1] tot betaling daarvan aan [verzoeker] ,
5.4.
wijst het verzoek voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Blokland en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
MKG/ JB

Voetnoten

1.Bij containment wordt met speciale folie een gecontroleerde ruimte (het containment) gebouwd. Asbestvezels die tijdens het saneringsproces vrijkomen, worden in het containment gefilterd.
2.Hoge Raad 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432.
3.Vergelijk bijvoorbeeld gerechtshof Den Haag 4 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2284.
4.Zie in dat verband Hoge Raad 23 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6166 en Hoge Raad 9 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8875.
5.Dit volgt uit artikel 1019bb RV