ECLI:NL:RBNHO:2025:15033

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11927976 / AO VERZ 25-44
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking in ontslag op staande voet zaak met betwisting van de gedragingen door werknemer

In deze zaak gaat het om de vraag of het ontslag op staande voet van de werknemer, [verzoeker], door de werkgever, [verweerder] B.V., rechtsgeldig is. De werkgever heeft het ontslag gebaseerd op de beschuldiging dat [verzoeker] een collega heeft geslagen, in strijd met de waarheid heeft verklaard en heeft geweigerd om op gesprek te komen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de verweten gedragingen door [verzoeker] gemotiveerd zijn betwist. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de beschuldiging van slaan, en dat de gedragingen van [verzoeker] niet als dringende reden voor ontslag op staande voet kunnen worden aangemerkt. De kantonrechter heeft de werkgever in de gelegenheid gesteld om nader bewijs te leveren. De procedure omvatte een verzoekschrift, verweerschrift, en een mondelinge behandeling. De kantonrechter heeft de beslissing over het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet aangehouden en de werkgever toegelaten tot bewijslevering. De verzoeken van [verzoeker] om een voorlopige voorziening zijn afgewezen, waarbij de kantonrechter oordeelt dat er onvoldoende zekerheid is dat het ontslag op staande voet niet stand zal houden. De zaak is complex en vereist verdere bewijslevering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11927976 / AO VERZ 25-44
Uitspraakdatum: 30 december 2025
Tussenbeschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker]
wonende te [plaats 3]
verzoeker
verder te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. T. Koenders
tegen
[verweerder] B.V.
gevestigd te [plaats 2], gemeente [gemeente]
verweerder
verder te noemen: [verweerder]
gemachtigde: mr. R.J.A.C. Haas

1.De zaak in het kort

1.1.
Het gaat in deze zaak primair om de vraag of het door [verweerder] aan [verzoeker] verleende ontslag op staande voet vernietigd moet worden. Aan het ontslag op staande voet heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat [verzoeker] – kort gezegd – 1) een collega heeft geslagen, hij 2) in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij haar niet heeft geslagen en 3) heeft geweigerd om op gesprek te komen bij [verweerder]. De kantonrechter stelt vast dat het ontslag onverwijld is gegeven. De door [verweerder] gestelde weigering om op gesprek te komen levert naar het oordeel van de kantonrechter geen dringende reden voor een ontslag op staande voet op. Ten aanzien van de door [verweerder] overig aangevoerde dringende redenen, betwist [verzoeker] stellig dat hij zijn collega heeft geslagen. De kantonrechter vindt dat de verweten gedraging, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [verzoeker], de (deels) nog niet volledig duidelijke getuigenverklaringen en het gebrek aan de door [verweerder] genoemde, maar nog niet overgelegde medische verklaring van de huisarts nog onvoldoende vaststaat. De kantonrechter stelt [verweerder] in de gelegenheid hiervoor nader bewijs te leveren.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 8,
- het verweerschrift tevens inhoudende (voorwaardelijke) tegenverzoeken met producties 1 tot en met 9,
- de e-mail van de zijde van [verweerder] van 28 november 2025, waarmee zij productie 10 in het geding heeft gebracht,
- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [verzoeker],
- de pleitnota van [verweerder].
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1974, is op 5 september 2022 bij [verweerder] in dienst getreden. Met ingang van 1 december 2022 is hij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De functie van [verzoeker] is ‘cleaner’, met een basissalaris van laatstelijk € 2.939,55 bruto per maand plus emolumenten, voor 40 uren per week.
3.2.
[verzoeker] is arbeidsongeschikt sinds 31 juli 2023. De 104-weken termijn is bereikt op 28 juli 2025. [verzoeker] heeft op 30 april 2025 een WIA-uitkering aangevraagd, maar bij brief van 19 juni 2025 heeft het UWV beslist dat [verweerder] niet aan (al) haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, waardoor de loondoorbetalingsverplichting van [verweerder] is verlengd tot 27 juli 2026. [verweerder] heeft bezwaar gemaakt tegen de daaraan ten grondslag liggende beslissing van het UWV. Er is, voor zover de kantonrechter bekend, nog geen (eind)beslissing op het bezwaar genomen.
3.3.
Op 22 september 2025 heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen [verzoeker] en één van zijn collega’s, [adres].
3.4.
[verweerder] heeft het onder 3.3 genoemde voorval in de ochtend van 23 september 2025 met [verzoeker] besproken. [verweerder] heeft [verzoeker] na afloop van dit gesprek geschorst tot en met vrijdag 26 september 2025.
3.5.
In de e-mail die [betrokkene 1], HR Manager bij [verweerder], op 23 september 2025 om 21:57 naar [verzoeker] heeft gestuurd, schrijft ze:
“(..) In reactie op onderstaande verwijs ik je naar de brief in de bijlage.
Zoals in de brief staat beschreven, nodigen wij je uit voor gesprek morgen om 14:00 te [plaats 1].
Zekerheidshalve stuur ik je deze info ook nog per app. (..)”
Op 24 september 2025 heeft [verzoeker] om 10:47 als reactie verstuurd:
“(..) Hierbij wil ik u laten weten dat ik helaas niet aanwezig kan zijn op de geplande afspraak. Wel ben ik bereid om op een ander moment in gesprek te gaan. Ik hoor graag welke dag en tijdstip u hiervoor passend vindt.
Daarnaast wil ik aangeven dat ik het niet eens ben met de beslissing tot mijn schorsing. Tijdens het incident ben ik fysiek geduwd, waarna ik heb aangegeven dat ik mij niet laat duwen. Ook heb ik discriminerende opmerkingen ontvangen zoals: “ga terug naar je rimboeland, daar zijn er geen regels”. Dit soort opmerkingen en gedragingen accepteer ik niet. (..)
Ik vertrouw erop dat dit zorgvuldig opgepakt zal worden en zie uw reactie graag tegemoet. (..)”
Op dezelfde dag bericht [betrokkene 1] aan [verzoeker] vervolgens om 13:17 als volgt:
“(..) Wij achtten het cruciaal om vanmiddag het gesprek met elkaar aan te gaan om het voorval te bespreken. Het is dan ook cruciaal dat je hier vanmiddag bent. In dat kader sommeren wij jou om16:30 uuraanwezig te zijn op onze locatie te [plaats 1]. Dan kunnen we het ook hebben over een eventueel verslag en het vervolg.Graag ontvang ik een bevestiging van je aanwezigheid. (..)”
[verzoeker] heeft [betrokkene 1], nog steeds op 24 september 2025, om 15:08 tot slot als volgt bericht:
“(..) Ik heb uw e-mail betreffende de afspraak om 16:30 van vandaag vanochtend ontvangen. Zoals ik eerder kenbaar heb gemaakt, had ik de afspraak van 14:00 uur reeds afgemeld.
Omdat ik uw bericht over de nieuwe tijdstip pas later heb ontvangen, is het voor mij helaas niet mogelijk om vandaag aanwezig te zijn. Ik wil benadrukken dat ik opensta voor een constructief gesprek, maar dat ik niet zonder redelijke mogelijkheid tot overleg op een door u bepaald tijdstip kan worden gesommeerd.
Graag verneem ik van u welke alternatieve datum en tijdstip u passend acht, zodat wij het gesprek op een zorgvuldige en correcte manier kunnen laten plaatsvinden. (..)”
3.6.
In de brief die [betrokkene 1] op 24 september 2025 om 15:37 naar [verzoeker] heeft gestuurd, is onder meer het volgende opgenomen:
“(..) Hierbij delen wij u mede dat u vanaf heden met onmiddellijke ingang op staande voet bent ontslagen. De reden voor dit ontslag is het voorval dat op maandag 21 september 2025 plaatsvond bij [verweerder] (..), alsmede het feit dat u daarover in strijd met de waarheid heeft verklaard.
Wij hebben meldingen ontvangen dat u op de betreffende dag en locatie een collega – te weten mevrouw [adres] - heeft geslagen. Deze meldingen hebben wij in de ochtend van dinsdag 22 september 2025 met u besproken, waarna wij u op non-actief hebben gesteld. (..) Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat een tweetal personen hebben gezien dat u mevrouw [adres] heeft geslagen. Mevrouw [adres] heeft dit zelf ook verklaard.
In het gesprek van dinsdag 22 september 2025 gaf u aan dat het incident anders is verlopen en dat mevrouw [adres] u geduwd heeft. Bovendien heeft u meermaals gezegd haar niet te hebben geslagen. Op 24 september 2025 hebben wij u uitgenodigd voor een gesprek om u nogmaals te horen over het voorval. In eerste instantie was u uitgenodigd om 14:00 uur, maar u liet weten niet te zullen komen op dat tijdstip. Vervolgens hebben wij u gesommeerd om op gesprek te komen om 16:30 uur (eveneens op 24 september). Ook hierop reageerde niet te zullen verschijnen bij dit gesprek. Wij hebben u in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorval, maar u weigerde aan deze oproep gehoor te geven.
Uw op 22 september 2025 gedeelde lezing van het voorval is niet verenigbaar met de drie verklaringen die wij ontvingen. Nu drie personen (waarvan twee slechts getuige waren voor het incident en daarbij dus niet zelf betrokken waren) hebben verklaard dat u een klap heeft gegeven aan de betreffende werkneemster, staat voldoende vast dat u haar – in strijd met uw eigen verklaring – heeft geslagen. De werkneemster is langs de huisarts gegaan om het letsel te laten controleren. De huisarts constateerde dat haar trommelvlies intact is, maar dat haar oor wel gekneusd is.
In het licht van bovengenoemde verklaringen (en het medisch oordeel van de huisarts) staat vast dat u de betreffende werkneemster heeft geslagen. Nu dit niet overeenstemt met uw verklaring, heeft u bovendien in strijd met de waarheid verklaard tegen uw werkgever. Daarnaast heeft u geweigerd om op gesprek te komen en het voorval toe te lichten. Voornoemde feiten (het slaan van uw collega, het in strijd met de waarheid verklaren dat u haar niet heeft geslagen én het weigeren om op gesprek te komen) vormen elk afzonderlijk, maar ook in onderlinge samenhang bezien een dringende reden voor dit ontslag op staande voet. (..)
Uw persoonlijke omstandigheden, zoals onder meer de gevolgen die het ontslag voor u zal hebben, hebben wij afgewogen tegen de aard en de ernst van de dringende redenen. Die afweging heeft tot de slotsom geleid dat een onmiddellijke beëindiging van het dienstverband gerechtvaardigd is. (..)”

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, na aanvulling van het verzoek op de mondelinge behandeling, waartegen [verweerder] geen bezwaar heeft gemaakt, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv:
I. [verweerder] voor de duur van deze procedure te veroordelen tot:
a. betaling aan [verzoeker] van het salaris van € 2.939,55 bruto per maand, te vermeerderen
met de vakantiebijslag vanaf 24 september 2025 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst,
b. [verzoeker] binnen 2 werkdagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in staat
te stellen de bedongen werkzaamheden te verrichten, op straffe van verbeurte van een
dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag of deel daarvan [verweerder] in gebreke blijft aan de veroordeling tot tewerkstelling te voldoen,
in de hoofdzaak:
II. te verklaren voor recht dat het op 24 september 2025 gegeven ontslag op staande voet in strijd is met artikel 7:669 lid 3 BW,
III. het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker]
te betalen het salaris van € 2.939,55 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag vanaf 24 september 2025 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van de
arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente over het salaris en de wettelijke verhoging,
IV. [verweerder] te veroordelen [verzoeker] binnen 48 uur na betekening van de te geven
beschikking toe te laten tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of deel daarvan dat [verweerder] in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen,
subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet:
V. [verweerder] te veroordelen aan [verzoeker] te betalen de transitievergoeding als bedoeld in
artikel 7:673 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 24 september 2025 tot de dag der algehele voldoening, nu immers geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid van [verzoeker],
meer subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet en tevens sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoeker]:
VI. [verweerder] te veroordelen aan [verzoeker] te betalen de transitievergoeding als bedoeld in
artikel 7:673 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 24 september 2025 tot de dag der algehele voldoening, onder toepassing van artikel 7:673 lid 8 BW,
voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden:
VII. bij de bepaling van de einddatum rekening te houden met de reguliere opzegtermijn en
[verweerder] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding,
in alle gevallen:
VIII. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle vergoedingen vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening,
IV. [verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure waaronder begrepen
het salaris van de gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de te geven beschikking, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
4.2.
[verzoeker] legt aan zijn verzoeken, kort gezegd, het volgende ten grondslag. Het aan [verzoeker] verleende ontslag op staande voet moet worden vernietigd, omdat het ontslag niet onverwijld is gegeven en er geen sprake is van een dringende reden. [verzoeker] heeft zijn collega niet geslagen, waardoor hij hier ook niet over heeft kunnen liegen. [verzoeker] heeft tot slot niet geweigerd om over het voorval in gesprek te gaan, maar heeft slechts gevraagd om het gesprek op een andere dag/tijdstip te laten plaatsvinden. Er bestaat geen aanleiding om de verzochte wettelijke verhoging over het nog verschuldigde loon te matigen. Voor het geval wordt geoordeeld dat [verweerder] wel een reden had om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, verzoekt [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding. Als [verweerder] oog had gehad voor alle belangen en de noodzakelijke zorgvuldigheid had betracht, had een minder zware sanctie voor de hand gelegen. Meer subsidiair verzoekt [verzoeker] om veroordeling van [verweerder] tot betaling van de transitievergoeding onder toepassing van ‘het luizengaatje’ van artikel 7:673 lid 8 BW. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden verzoekt [verzoeker] ook om betaling van de transitievergoeding. Ook verzoekt hij in dat geval een billijke vergoeding van € 30.000,00 bruto, omdat de situatie is geëscaleerd door toedoen van [verweerder].
4.3.
[verweerder] verweert zich tegen de verzoeken en stelt dat de verzochte vernietiging van het ontslag moet worden afgewezen. Er is sprake van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Niet staat ter discussie dat het ontslag onverwijld is gegeven en er is voldaan aan de mededelingseis. Een dringende reden is ook aanwezig. [verzoeker] heeft [adres] geslagen en heeft daarover gelogen tegen [verweerder]. [verweerder] heeft [verzoeker] diverse keren in de gelegenheid gesteld het gesprek aan te gaan, maar [verzoeker] heeft ervoor gekozen om dit gesprek uit de weg te gaan. De verzoeken, waaronder het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, liggen daarmee voor afwijzing gereed. Zo’n voorziening brengt bovendien een restitutierisico met zich mee, omdat [verzoeker] met schulden kampt. Het handelen van [verzoeker] is ernstig verwijtbaar, zodat hem geen recht op een transitievergoeding en een billijke vergoeding toekomt. Het beroep op ‘het luizengaatje’ is ook niet gemotiveerd, dus ook dat verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] concludeert tot (I en II) afwijzing van de (voorlopige) verzoeken van [verzoeker] en (III) te verklaren voor recht dat [verzoeker] geen aanspraak kan maken op een transitievergoeding, onder (VIII) veroordeling van [verzoeker] in, samengevat, de proceskosten.
4.4.
Op de stellingen van partijen zal hierna nader worden ingegaan.

5.Voorwaardelijke tegenverzoeken

5.1.
[verweerder] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
IV. de arbeidsovereenkomst te ontbinden, zulks op de kortst mogelijke termijn, althans
met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn onder aftrek van de proceduretijd;
V. voor recht te verklaren dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat aan
[verzoeker] dientengevolge geen transitievergoeding toekomt;
VI. de wettelijke verhoging te matigen tot nihil, althans een lager percentage dan verzocht
door [verzoeker];
VII. het verzoek om wedertewerkstelling af te wijzen;
VIII. [verzoeker] (samengevat) te veroordelen in de proceskosten.
5.2.
[verweerder] legt het volgende aan deze verzoeken ten grondslag. [verweerder] stelt dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft een gevaarlijke situatie gecreëerd door een collega alleen te laten schoonmaken, is vervolgens willens en wetens overgegaan tot fysiek geweld, heeft vervolgens steevast gelogen over het incident en heeft elk gesprek daarover geweigerd. Het vertrouwen in [verzoeker] is door het voorval en de nasleep ervan ernstig en onherstelbaar beschadigd. Voor zover er geen sprake zou zijn van (ernstig) verwijtbaar handelen, is de arbeidsrelatie in ieder geval ernstig verstoord, dan wel is sprake van een combinatie van ontslaggronden die maakt dat van [verweerder] niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Gelet op de aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggende feiten, ligt herplaatsing van [verzoeker] in een andere passende functie binnen [verweerder] niet in de rede.
5.3.
[verzoeker] voert verweer. Het was, samengevat, niet door toedoen van [verzoeker] dat er een collega alleen schoonmaakte. [verzoeker] heeft zijn collega niet geslagen, heeft daar niet over gelogen en was bereid om met [verweerder] in gesprek te gaan.

6.De beoordeling

in de hoofdzaak
6.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en (in het zelfstandig voorwaardelijk tegenverzoek) om de vraag of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden.
juridisch kader ontslag op staande voet
6.2.
De wettelijke regels voor ontslag op staande voet staan in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens die regels is zo’n ontslag alleen geldig als daarvoor een dringende reden is (artikel 7:677 lid 1 BW). De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
6.3.
Als een op staande voet ontslagen werknemer de kantonrechter verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen en daarbij de dringende reden betwist, moet de werkgever stellen en zo nodig bewijzen dat de dringende reden op het moment van het ontslag op staande voet aanwezig was. [1]
het ontslag is onverwijld gegeven
6.4.
De kantonrechter verwerpt het standpunt van [verzoeker] dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Op basis van de gebeurtenissen op 22 september 2025 heeft [verweerder] namelijk onmiddellijk onderzoek verricht en in dat kader gesprekken gevoerd met getuigen en directe collega’s van [verzoeker]. Op 23 september 2025 is er een hoor- en wederhoorgesprek gevoerd met [verzoeker], waarna vervolgens een nadere e-mailwisseling tussen [verzoeker] en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden over het maken van een tweede gesprek (zie 3.5). Nadat [verzoeker] [verweerder] tweemaal heeft laten weten dat hij op 24 september 2025 verhinderd was om op gesprek te komen, is [verweerder] vrijwel direct na haar laatste e-mail van [verzoeker] overgegaan tot het aan [verzoeker] verleende ontslag op staande voet. [verweerder] heeft daarmee voldoende voortvarend gehandeld.
had [verweerder] (een) dringende reden(en) om tot ontslag op staande voet over te gaan?
6.5.
Uitgangspunt is dat de in de ontslagbrief vermelde reden maatgevend is voor de beoordeling van de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Met andere woorden: de ontslagbrief (3.6) fixeert de dringende reden. De dringende reden(en) van [verweerder] zijn:
1) het slaan door [verzoeker] van zijn collega, [adres],
2) het door [verzoeker] in strijd met de waarheid verklaren dat hij [adres] niet heeft geslagen,
3) het weigeren door [verzoeker] om bij [verweerder] op gesprek te komen.
6.6.
De kantonrechter zal hierna deze redenen achtereenvolgens bespreken, te beginnen met de laatstgenoemde reden.
[verzoeker] heeft niet geweigerd met [verweerder] in gesprek te gaan
6.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter levert de door [verweerder] gestelde weigering door [verzoeker] om bij haar op gesprek te komen, zowel individueel als in eventuele samenhang bezien, geen dringende reden op voor een ontslag op staande voet. De ochtend na het voorval heeft meteen een gesprek met [verzoeker] plaatsgevonden. Vervolgens heeft [verweerder] [verzoeker] verzocht – en later gesommeerd – om op 24 september 2025 op een tweede gesprek te komen, waarbij [verzoeker] tweemaal heeft gezegd dat hij op die dag niet kon komen. Naar het oordeel van de kantonrechter is van een weigering op gesprek te komen echter geen sprake. [verzoeker] heeft ter zitting gemotiveerd gesteld dat hij vanwege het feit dat hij door [verweerder] was geschorst tot 26 september 2025 op 24 september 2025 de zorg voor zijn kinderen op zich had genomen. Hij was daardoor niet in staat was te verschijnen. [verzoeker] had dit weliswaar beter meteen kunnen uitleggen, maar heeft twee keer verzocht het gesprek op een andere datum te laten plaatsvinden en heeft zich daar ook expliciet toe bereid en beschikbaar verklaard. Aan dat verzoek heeft [verweerder] echter geen gehoor gegeven.
heeft [verzoeker] zijn collega, [adres], geslagen?
6.8.
[verweerder] heeft aan het ontslag als primaire dringende reden ten grondslag gelegd dat [verzoeker] zijn collega, [adres], heeft geslagen. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [verweerder] getuigenverklaringen van [adres] zelf en twee getuigen die bij het voorval aanwezig waren overgelegd. Ook zijn enkele foto’s van het aangezicht/het oor van [adres] in het geding gebracht, waaruit volgens [verweerder] volgt dat het oor van [adres] rood/gekneusd was nadat [verzoeker] haar daar had geslagen. [verweerder] stelt tot slot dat de huisarts heeft vastgesteld dat [adres] letsel aan haar oor heeft opgelopen.
6.9.
[verzoeker] betwist uitdrukkelijk dat hij [adres] heeft geslagen. Hij erkent dat er sprake is geweest van een escalatie met [adres], maar voert aan dat [adres] hem eerst een duw tegen zijn schouder heeft gegeven, waarna [verzoeker] (enkel) haar hand heeft weggeslagen. [verzoeker] betwist gemotiveerd dat uit de verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [adres] voldoende zou blijken dat hij [adres] op haar oor heeft geslagen. [betrokkene 3] heeft namelijk alleen verklaard dat [verzoeker] ‘
uithaalde’ naar [adres] en [betrokkene 2] verklaart ‘
he hit her in the area around throat, couldn’t see exactly where’. [betrokkene 2] heeft dan wel het woord
‘hit’gebruikt, maar uit zijn in gebrekkig Engels opgestelde verklaring blijkt volgens [verzoeker] helemaal niet wat hij daarmee precies bedoelt en [verweerder] heeft nagelaten dit nader uit te vragen. [adres] verklaart weliswaar dat [verzoeker] haar tegen haar wang/oor heeft gestompt, dan wel geslagen, maar beide getuigen laten iets dat [adres] zélf verklaart buiten beschouwing; namelijk dat [adres] eerst zélf met haar armen heeft gezwaaid en daarbij [verzoeker] heeft geraakt, hetgeen [adres] zelf ook erkent in haar eigen verklaring. Uit de verklaringen kan dus wel worden opgemaakt dat er sprake is geweest van een escalatie tussen [verzoeker] en [adres], waarbij beiden elkaar fysiek hebben geraakt en/of geduwd, maar niet kan worden vastgesteld dat [verzoeker], zoals gesteld in de ontslagbrief, [adres] heeft geslagen, aldus [verzoeker].
6.10.
Naar het oordeel van de kantonrechter is voor de stellingen van [verweerder] door haar (nog) niet voldoende bewijs geleverd. De door [verweerder] in het geding gebrachte getuigenverklaringen zijn niet helemaal eenduidig en/of voldoende gedetailleerd en de precieze feitelijke gang van zaken kan daaruit (nog) niet worden vastgesteld. In dat kader is ook van belang dat [verweerder] in de ontslagbrief ter onderbouwing van haar stelling dat vaststaat dat [verzoeker] [adres] heeft geslagen, verwijst naar een medisch oordeel van de huisarts. Uit dat oordeel zou volgen dat de huisarts heeft geconstateerd dat het oor van [adres] gekneusd is. Enig stuk van de huisarts ontbreekt echter in het dossier, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen of [adres] inderdaad (ernstig) letsel heeft opgelopen aan haar oor. [verweerder] heeft weliswaar enkele foto’s overgelegd die een collega van [adres] vlak na het incident heeft gemaakt, maar op basis van alleen deze foto’s kan (ook) niet worden vastgesteld dat [adres] oorletsel heeft opgelopen, omdat de foto’s daarvoor te onduidelijk zijn.
6.11.
Omdat de aard van de procedure zich niet verzet tegen toepasselijkheid van het bewijsrecht als geregeld in de artikel 149 tot en met 207 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het bewijsrecht uit de dagvaardingsprocedure op grond van artikel 284 Rv van overeenkomstige toepassing is op de verzoekschriftprocedure, zal, ten behoeve van de waarheidsvinding, [verweerder] conform haar bewijsaanbod in de gelegenheid worden gesteld om te bewijzen dat [verzoeker] [adres] heeft geslagen door alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen. Naar het oordeel van de kantonrechter zouden in het bijzonder de volgende personen daarover kunnen verklaren: [adres], [betrokkene 3] en [betrokkene 2]. [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zouden kunnen verklaren over de aanleiding van het incident en hetgeen zich heeft afgespeeld in de kantine.
6.12.
Aangezien uit het hiervoor overwogene volgt dat (nog) niet kan worden vastgesteld dat [verzoeker] zijn collega heeft geslagen, komt de kantonrechter nog niet toe aan de beoordeling van de tweede door [verweerder] genoemde dringende reden, namelijk de vraag of [verzoeker] al dan niet heeft gelogen over het vermeende slaan van [adres].
6.13.
Aan haar tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft [verweerder] grotendeels dezelfde beschuldigingen ten grondslag gelegd als aan het ontslag op staande voet. Ook ten aanzien van dit verzoek geldt dat de bewijslast voor de genoemde gronden op [verweerder] rust. Om deze reden zal de opgedragen bewijsopdracht ook gelden voor het tegenverzoek.
6.14.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.
in de voorlopige voorziening
6.15.
Nu in deze beschikking geen (eind-)beslissing wordt gegeven over het verzoek van [verzoeker], heeft hij belang bij zijn verzoek om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen.
6.16.
Ingevolge artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht. Het verzoek van [verzoeker] hangt samen met de hoofdzaak, nu daarin primair op de voet van artikel 7:681 BW is verzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen.
6.17.
Voor toewijzing van het verzoek voor een voorlopige voorziening is vereist dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat het verzoek in de hoofdzaak zal worden toegewezen.
6.18.
[verweerder] wordt ten aanzien van het bestaan van de dringende reden toegelaten tot het leveren van bewijs zoals hiervoor beschreven. Bij de huidige stand van zaken kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat in de hoofdzaak zal worden beslist dat het ontslag op staande voet geen stand zal houden, terwijl bovendien sprake is van een fors restitutierisico.
6.19.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
6.20.
Gelet op de aard van deze procedure ziet de kantonrechter aanleiding om partijen ieder hun eigen proceskosten in het incident te dragen.

7.De beslissing

De kantonrechter:
in het verzoek:
7.1.
laat [verweerder] toe te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [verzoeker] [adres] op 22 september 2025 heeft geslagen;
7.2.
bepaalt dat als [verweerder] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs voor of op 27 januari 2026 in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
7.3.
stelt [verzoeker] in de gelegenheid om uiterlijk op 10 februari 2026 een schriftelijke reactie te geven op door [verweerder] aangedragen schriftelijke bewijsstukken;
7.4.
wanneer [verweerder] voor bewijslevering getuigen wil laten horen, moeten uiterlijk op 13 januari 2026 het aantal en de personalia van de getuigen worden opgegeven evenals de verhinderdata van beide partijen, de gemachtigden en - voor zover mogelijk - van de getuigen voor de maanden
februari tot en met april 2026. Daarna zal een tijdstip voor het verhoor worden bepaald;
7.5.
uitstel wordt in beginsel niet verleend. Bij het ontbreken van tijdig bericht van [verweerder] wordt er van uitgegaan dat zij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid tot bewijslevering;
7.6.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in de voorlopige voorziening;
7.7.
wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
7.8.
bepaalt dat iedere partij in het incident de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gewezen door mr. P.A. Charbon, kantonrechter, maar in haar afwezigheid op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken door mr. J.J. Dijk, kantonrechter in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld Hoge Raad van 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:55 (Stichting Mondriaan).