ECLI:NL:RBNHO:2025:14816

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
HAA 24/1083, 24/1082 en 24/1086
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor renovatie en uitbreiding van Hotel Corfwater in Petten

Deze uitspraak betreft de omgevingsvergunning voor de renovatie en uitbreiding van ‘Hotel Corfwater’ in Petten. De eisers, Vereniging Het Zijper Landschap en de Koninklijke Nederlandse Natuur Vereniging (KNNV), zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en hebben hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eisers beoordeeld en geconcludeerd dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen in redelijkheid de omgevingsvergunning kon verlenen. De rechtbank oordeelt dat de aanvraag past binnen de bestemming ‘Recreatie’ en dat de afwijkingen van het bestemmingsplan niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het relativiteitsbeginsel staat in de weg aan een beoordeling van de gronden van eisers over de wijzigingen aan het monument. De rechtbank heeft de beroepen van eisers ongegrond verklaard, wat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts op 5 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/1083, 24/1084 en 24/1086

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

HAA 24/1083Vereniging Het Zijper Landschap, gevestigd te Schagen, en

Koninklijke Nederlandse Natuur Vereniging, afdeling Alkmaar-Den Helder,gevestigd te Castricum, de KNNV,
(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),
HAA 24/1084
[eiser 1] ,uit Petten,
HAA 24/1086
[eiser 2], uit Petten, gezamenlijk: eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen

(gemachtigde: mr. K. Hollenberg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Het Nieuwe Strand Petten B.V. uit Schoorl
(gemachtigde: mr. M.W. van der Hulst).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het renoveren en uitbreiden van ‘Hotel Corfwater’ in Petten. Eisers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij voeren hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid kon verlenen.
2. De rechtbank is van oordeel dat het college kon concluderen dat de aanvraag past binnen de bestemming ‘Recreatie’. Daarbij heeft het college mogen oordelen dat de afwijkingen van het bestemmingsplan niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Verder staat het relativiteitsbeginsel aan een beoordeling van de gronden van eisers over de wijzigingen aan het monument in de weg. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van Het Zijper Landschap en de KNNV over de aanhaakplicht op grond van de Wet natuurbescherming verder te bespreken, nu vergunninghouder een aanvraag om een passende beoordeling bij gedeputeerde staten heeft gedaan. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3.1.
Derde-partij heeft op 11 november 2021 een aanvraag ingediend voor ‘Nieuwbouw hotel Corfwater en verbouw Huis ter Duin’. Het Huis ter Duin is een voormalig Kleuterhuis en een gemeentelijk monument. Het bestaande gebouw wordt getransformeerd naar een restaurant en vergaderzalen, met een nieuwe kelder waar een zwembad en sauna- en fitnessfaciliteiten worden gerealiseerd. De 240 hotelkamers worden gerealiseerd in vijf nieuwbouwblokken aan de noordzijde van het bestaande gebouw, die door middel van een aulakelder (met entree) met elkaar in verbinding staan. Voor het bouwplan worden een deel van de monumentale westvleugel van het Huis ter Duin en de niet-monumentale bijgebouwen gesloopt.
3.2.
Bij besluit van 30 maart 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Petten besloten tot toepassing van een coördinatieregeling voor de vaststelling van het bestemmingsplan en het verlenen van de omgevingsvergunning voor de transformatie tot het hotelcomplex.
3.3.
Op 11 juli 2023 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘Hotel Corfwater’ (gewijzigd) vastgesteld. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 26 april 2022 tot
6 juni 2022 ter inzage gelegen. Eisers hebben elk een zienswijze ingediend.
3.4.
Bij besluit van 26 juli 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:
I. Bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wabo);
II. Handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo);
III. Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo);
IV. Sloop en wijzigen van een gemeentelijk monument (artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo);
V. Maken, hebben of veranderen van een uitweg (artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo).
3.5.
Tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning hebben eisers beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening.
3.6.
In de uitspraak van 20 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:696) heeft de Afdeling geoordeeld dat het coördinatiebesluit van 30 maart 2021 niet op de juiste wijze is bekendgemaakt. Het coördinatiebesluit is daarom niet in werking is getreden voorafgaand aan de besluiten van 11 juli en 26 juli 2023, zodat die besluiten niet onder de coördinatieregeling vallen. Gelet hierop is de rechtbank bevoegd om in eerste aanleg uitspraak te doen op de beroepen gericht tegen de omgevingsvergunning, en heeft de Afdeling de beroepen doorgezonden. De Afdeling heeft overigens het verzoek tot schorsing van het bestemmingsplan afgewezen omdat daarbij geen spoedeisend belang gemoeid was. Vergunninghouder heeft aangegeven te wachten met de uitvoering totdat de Afdeling in hoofdzaak uitspraak heeft gedaan over het bestemmingsplan.
3.7.
Het college heeft op de beroepen van eisers gereageerd met verweerschriften van 29 november 2023, 4 augustus 2025 en 17 oktober 2025.
3.8.
Vergunninghouder heeft op 16 oktober 2023, 14 en 15 november 2023 en 23 januari 2024 op de beroepen gereageerd.
3.9.
Het Zijper Landschap en de KNNV hebben op 19 januari 2024 en
18 september 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend. In het laatste stuk hebben zij de rechtbank verzocht om aanhouding van het beroep tot de Afdeling geoordeeld heeft over het beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan. [eiser 1] heeft op 23 oktober 2023 en 10 oktober 2025 aanvullende gronden ingediend. [eiser 2] heeft op 14 oktober 2025 aanvullende gronden ingediend.
3.10.
Bij brief van 29 september 2025 heeft de rechtbank het aanhoudingsverzoek afgewezen.
3.11.
De rechtbank heeft de drie beroepen op 29 oktober 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens Het Zijper Landschap, de gemachtigde van Het Zijper Landschap en de KNNV, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3] en de gemachtigde van vergunninghouder, vergezeld door ir. [naam 4] als mede-eigenaar van vergunninghouder.
3.12.
Na de zitting heeft vergunninghouder per e-mail van 31 oktober 2025 nadere stukken ingediend met betrekking tot de aanvraag om een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming, ook van 31 oktober 2025. De rechtbank heeft de documenten aan het beroepsdossier toegevoegd.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Vergunninghouder heeft de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op 11 november 2021. Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft dan op deze procedure de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, met bijbehorende wet- en regelgeving van toepassing.
Belanghebbenden
5.1.
De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eisers belanghebbende zijn bij de verleende omgevingsvergunning. [eiser 1] en [eiser 2] wonen respectievelijk op ongeveer 150 en 200 meter van de projectlocatie. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk geworden dat zij gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van de ruimtelijke effecten die uitgaan van het vergunde project. Zo wonen zij onder meer op zichtafstand, zal het project een verkeersaantrekkende werking hebben op de Korfwaterweg waar zij aan wonen, en zijn rondom het kruispunt van de Korfwaterweg met de Strandweg parkeerplaatsen geprojecteerd.
5.2.
Het Zijper Landschap en de KNNV komen als rechtspersonen op voor een algemeen belang. Voor de vraag of zij belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit, zijn hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden bepalend. Daarbij moet het bestreden besluit het door de rechtspersonen vertegenwoordigde algemeen belang rechtstreeks raken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat Het Zijper Landschap en de KNNV een onvoldoende toegespitste statutaire doelstelling hebben dan wel onvoldoende feitelijke werkzaamheden uitvoeren (als communicerende vaten), die geheel niet geraakt worden door het bestreden besluit. Eisers worden aldus aangemerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit.
Rechtstreeks beroep
6. De Afdeling heeft in de uitspraak van 20 februari 2024 geoordeeld dat het besluit ter verlening van de omgevingsvergunning niet onder het coördinatiebesluit van
30 maart 2023 valt. Dit betekent dat voor de aangevraagde activiteiten de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden, en niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Alvorens beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, had formeel na de reguliere procedure een bezwaarprocedure gevoerd moeten worden [1] , wat niet is gebeurd. De rechtbank heeft deze situatie met partijen op de zitting besproken. Hierop hebben partijen ingestemd met rechtstreeks beroep tegen het (primaire) besluit van
26 juli 2023, op grondslag van artikel 7:1a van de Awb. De rechtbank is hiermee bevoegd om de gronden tegen de omgevingsvergunning te beoordelen.
Omvang van het geschil
7.1.
Bij de beoordeling van de beroepen stelt de rechtbank vast dat eisers geen gronden hebben gericht tegen de toets van de technische bouwelementen van het project aan het Bouwbesluit, de beperkte milieutoets voor het gesloten bodemenergiesysteem en de beoordeling van de weigeringsgronden voor uitritvergunning. De rechtbank doet over deze onderdelen van de omgevingsvergunning dan ook geen uitspraak. [2]
7.2.
De rechtbank stelt daarnaast voorop dat de Afdeling in de uitspraak van 24 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2991) heeft uitgemaakt dat de ontwikkeling van het voorliggende hotelcomplex en van het naastgelegen recreatiegebied – dat ook in eigendom is van vergunninghouder – los van elkaar kunnen worden gezien. Er zijn twee aparte bestemmingsplannen vastgesteld. De beroepen van eisers tegen het bestemmingsplan Hotel Corfwater zijn aanhangig bij de Afdeling. De rechtbank laat de gronden en argumenten van eisers gericht tegen het bestemmingsplan zelf en over (het totaal van de ontwikkelingen met) het naastgelegen recreatiegebied, buiten de beoordeling van het beroep tegen de omgevingsvergunning.
Toetsingskader
8.1.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling dient het college een aanvraag te toetsen aan het bestemmingsplan dat is vastgesteld, ook als dat nog niet onherroepelijk is. [3] Ten tijde van het bestreden besluit gold het bestemmingsplan ‘Hotel Corfwater’, gelet waarop de projectlocatie de enkelbestemming ‘Recreatie’ heeft, met de maatvoeringsvoorschriften ‘maximum bebouwingspercentage: 50%’ en ‘maatvoering maximum bouwhoogte: 12 m, maximum goothoogte 6 m’.
8.2.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Uit artikel 2.12, eerste lid, onder a en 1˚, van de Wabo volgt dat in voorkomend geval de regels inzake afwijking in het bestemmingsplan kunnen worden toegepast. Uit artikel 2.12, eerste lid, onder a en 2°, van de Wabo volgt dat in andere gevallen de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en sprake is van een of meerdere kruimelgevallen genoemd in artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
8.3.
De bevoegdheid tot het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en 1˚ en 2˚, van de Wabo is een discretionaire bevoegdheid van het college. Hierbij heeft het college beleidsruimte. De rechter dient deze bevoegdheid terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechtbank zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Daarbij kan de belangenafweging die verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning dient te verrichten, slechts betrekking hebben op aspecten die gerelateerd zijn aan het onderdeel van het bouwplan waarvoor wordt afgeweken van het bestemmingsplan.
Is het aangevraagde gebruik in strijd met de bestemming Recreatie?
9.1.
Eisers voeren aan dat de aanvraag ziet op het gebruik van het complex voor twee hoofdfuncties, namelijk een hotelfunctie en een congresfunctie. Dit is in strijd met de planregels voor de bestemming Recreatie in artikel 4.1 van het bestemmingsplan. De congresfunctie is volgens dat artikel namelijk slechts als een ondergeschikte functie toegestaan. Het gebruik van de congresfunctie buiten het recreatieve hoogseizoen (een groot deel van het jaar) kan niet als ondergeschikt worden aangemerkt.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het aangevraagde gebruik niet in strijd met de bestemming Recreatie. De aanvraag is gedaan voor primair het exploiteren van een hotel, wat op grond van artikel 4.1 van het bestemmingsplan is toegestaan. Daaraan ondergeschikt is het op grond van artikel 4.1 van het bestemmingsplan mogelijk om meerdaagse congressen inclusief hotelovernachtingen te houden.
Uit de toelichting op het bestemmingsplan volgt dat de faciliteiten horeca, wellness en vergaderruimten in het recreatieve hoogseizoen ter beschikking staan aan de hotelgasten. Buiten het recreatieve hoogseizoen dient de meerdaagse congresactiviteit als ondergeschikte functie aan de hotelfaciliteit. De faciliteiten zijn daarbij gelinkt en ondersteunend aan de hotelovernachtingen, en staan niet op zichzelf.
Vergunninghouder heeft op de zitting uitgelegd dat de congresfunctie aan het complex is toegevoegd zodat het hele jaar door een zo hoog mogelijke hotelkamerbezetting behaald wordt, om het hotel rendabel te maken. Eendaagse congressen zijn daarbij niet mogelijk.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen. Gelet op het meerdaagse karakter van de congressen, zijn die van toegevoegde waarde voor en een nadere invulling van de hotelfunctie. Volgens de toelichting op het bestemmingsplan leveren de ondergeschikte faciliteiten een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van de toeristische verblijfsrecreatie van Petten en de regio. Indien het gebruik van het complex voor (meerdaagse) congressen niet (langer) ondergeschikt zou zijn aan het hotel, kunnen eisers een verzoek om handhaving doen.
Is de aanvraag in strijd met de Parkeernota?
10.1.
Het Zijper Landschap en de KNNV voeren aan dat het project niet voorziet in genoeg parkeerplaatsen op eigen terrein, zodat de aanvraag in strijd is met artikel 8.1 van het bestemmingsplan. Het college kon de notitie van Goudappel Coffeng van
11 december 2020 ook niet aan de beoordeling ten grondslag leggen, nu daarin wordt uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. In de notitie wordt uitgegaan van een hotel- én een congresfunctie, in plaats van de hotelfunctie als hoofdfunctie, en de congresfunctie als ondergeschikte functie. Ook wordt in de notitie ten onrechte bij de berekening van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie uitgegaan van een 3* hotel. In de toelichting op het bestemmingsplan staat dat het gaat om een 4* hotel en in het rapport van het Bureau voor Ruimte en Vrije tijd wordt uitgegaan van een 5* belevering met een 4* faciliteitenniveau. [eiser 1] voert in dit kader aan dat het college de parkeerbehoefte had moeten vaststellen aan de hand van de CROW-normen voor een 5* hotel.
10.2.
In artikel 8.1 van het bestemmingsplan is bepaald dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend indien in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien op (in dit geval) het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort. Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de Nota Parkeernormen Schagen 2016 (hierna: Nota Parkeernormen).
10.3.
De rechtbank overweegt dat het aangevraagde bouwplan voorziet in 326 parkeerplaatsen op eigen terrein van vergunninghouder op en rondom het project-perceel. Ook de 57 parkeerplaatsen ten zuiden van de Strandweg en de 69 parkeerplaatsen ten oosten van de Korfwaterweg zijn in eigendom van vergunninghouder. Op de zitting heeft vergunninghouder erkend dat een groot deel van de zuidelijke parkeerplaatsen zijn bedoeld voor het aldaar liggende recreatiegebied. Volgens het college wordt dan met de overgebleven parkeerplaatsen alsnog ruimschoots voldaan aan parkeerbehoefte volgens de Nota Parkeernormen. Aan dit standpunt heeft het college de notitie van Goudappel Coffeng ten grondslag gelegd. Uit deze notitie volgt dat het project een parkeerbehoefte op het maatgevende moment heeft van 211 parkeerplaatsen. Hiertoe is de omvang van elke functie (in kamers of m² bvo) vermenigvuldigd met de bijbehorende parkeernorm uit de Nota Parkeernormen. Relevant is de toegepaste norm van 6,8 parkeerplaatsen per 10 hotelkamers en van 8,5 parkeerplaatsen per 100 m² bvo voor de congresfunctie. Vervolgens is rekening gehouden met de aanwezigheidspercentages per (gehanteerde) functie, omdat dubbelgebruik van parkeerplaatsen voor meerdere functies mogelijk is. De optelsom van alle losse functies leidt tot een totale parkeerbehoefte van 347 parkeerplaatsen. Op het moment met de hoogste gelijktijdige aanwezigheid is behoefte aan 269 parkeerplaatsen. Als primaire functies zijn de hotelfunctie en de congresfunctie gehanteerd, waarbij de overige functies vooral door hotelgasten worden gebruikt. Na toepassing van dergelijke verfijningen is de parkeerbehoefte volgens de notitie op het drukste moment 211 parkeerplaatsen.
10.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de berekening van Goudappel Coffeng te twijfelen. Hierbij overweegt de rechtbank dat in de notitie al een hogere norm voor het hotel is gehanteerd dan staat voorgeschreven in de Nota Parkeernormen voor een 3* hotel (5,2 parkeerplaatsen per 10 kamers). De rechtbank volgt de uitleg van het college dat gelet op de aard van de hotelactiviteiten en de ligging sprake is van een 3* hotel, waarvoor evenwel de toegepaste verhoging van de norm passend is, gezien de kwaliteitsvisie voor het hotelcomplex. Daarnaast is in de notitie uitgegaan van twee hoofdfuncties, terwijl de congresfunctie in de aanvraag een ondergeschikte functie heeft. De uitkomst van de notitie is hierom hoger dan dat de uitkomst zou zijn voor de aangevraagde situatie, waarbij de congresfunctie ook door hotelgasten wordt gebruikt. Verder acht de rechtbank in redelijkheid het standpunt – en de berekening – in het verweerschrift van belang dat ook bij de toepassing van bijvoorbeeld de CROW-norm voor een 4* hotel van 7-8 parkeerplaatsen per 10 kamers, wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein (228). Het verschil in aantal tussen de beschikbare parkeerplaatsen en de benodigde parkeerplaatsen is groot genoeg om eventuele uitschieters (op bijvoorbeeld een mooie zomerdag) op te vangen. Daarbij volgt uit de notitie van Goudappel Coffeng dat rekening wordt gehouden met externe bezoekers van het congrescentrum en het restaurant, en met de parkeervraag voor personeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht het college afwijken van het bestemmingsplan voor de bouwhoogte en -diepte?
11. In het bestreden besluit is opgenomen dat het bouwplan voor de bouwblokken A, B en C niet in het bestemmingsplan past. Volgens de planregels is de toegestane goothoogte 6,0 meter, terwijl de blokken een goothoogte hebben van 6,3 meter. De toegestane bouwhoogte is 12 meter, terwijl de blokken een bouwhoogte hebben van 12,21 meter. Dit is in strijd met artikel 4.2, onder a, onderdeel e, van het bestemmingsplan.
Daarnaast is het gebouw in strijd met artikel 4.2, onder a, onderdeel 3, van het bestemmingsplan waarin is bepaald dat de verticale diepte maximaal 5 meter mag bedragen ten opzichte van peil. De bouwdiepte van de kelderlaag is ter plaatste van het zwembad ca. 5,17 meter diep en ter plaatse van de liftputten ca. 5,07 meter diep. Inclusief de vloerconstructie komt de bouwdiepte uit op ca. 5,5 tot 5,6 meter ten opzichte van het peil.
Peil
12.1.
[eiser 1] en [eiser 2] voeren aan dat de bouwhoogte van het hotel is gebaseerd op een foutief bepaald peilniveau. De onderzijde van de kelder/het souterrain vormt volgens hen het peil, zodat de bouwblokken zelfs uitkomen op 16 meter bouwhoogte. Subsidiair voert [eiser 1] aan dat het college een onjuist peil gebruikt, omdat de gemiddelde maaiveldhoogte in het glooiende duinlandschap volgens hem op 3,11 meter boven NAP uitkomt, in plaats van het door vergunninghouder gebruikte peil van 3,8 meter boven NAP.
12.2.
Volgens artikel 2, aanhef en onder a, c en e van het bestemmingsplan wordt de bouw- en goothoogte en verticale diepte gemeten vanaf het peil. In artikel 1.33 van het bestemmingsplan is het peil voor een bouwwerk bepaald op de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte begane grondvloer.
12.3.
De rechtbank stelt vast dat het college bij de beoordeling van de aanvraag de juiste definities uit het bestemmingsplan heeft toegepast bij het meten van de bouw- en goothoogte en verticale diepte van de nieuwbouwblokken. Vanaf het peil tot het hoogste punt gemeten overschrijden de blokken A, B en C de maximale goothoogte van 6 meter met 0,3 meter, en de maximale bouwhoogte van 12 meter met 0,21 meter. Het zwembad en de liftkelders in het souterrain zijn ca. 0,5 en 0,6 meter dieper dan de toegestane 5 meter.
Hierbij overweegt de rechtbank dat het college de planregels over het peil uit het bestemmingsplan terecht tot uitgangspunt heeft genomen. Deze planregels staan in deze procedure niet ter discussie, maar kunnen wel in de procedure tegen het bestemmingsplan bij de Afdeling aan de orde komen.
Afwijkingen van het bestemmingsplan13.1. Het college heeft de afwijkingen van de goot- en bouwhoogte vergund met gebruik van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in artikel 10, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan. [4] De afwijking van de bouwdiepte heeft het college vergund met gebruik van de kruimelgevallenregeling in artikel 4, aanhef en eerste lid, van Bijlage II bij het Bor. [5] Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de afwijkingen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. De afwijkingen betreffen minder dan 10% dan wel een marginale overschrijding van de 10% afwijkingsregel, en komen voort uit het bouwtechnisch ontwerp. De afwijkingen van de bouw- en goothoogte zijn noodzakelijk gelet op het aantal bouwlagen versus de benodigde gewenste vrije hoogten per laag, en passen in het straat- en bebouwingsbeeld. De kruimelafwijking voor de bouwdiepte is technisch noodzakelijk vanuit het gebruik als zwembad en liftput en is in omvang ten opzichte van het souterrain ondergeschikt. Verder zorgen alle marginale afwijkingen niet voor een onevenredige aantasting van de aangrenzende gronden ten opzichte van het toegestane bouwvolume. Ook worden de milieusituatie en de verkeersveiligheid niet onevenredig aangetast. Met de overschrijdingen is geen sprake van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Gronden14.1. Het Zijper Landschap en de KNNV voeren aan dat het college bij de beoordeling van de binnenplanse afwijkingen ten onrechte heeft getoetst aan het straat- en bebouwingsbeeld. Volgens artikel 10 van het bestemmingsplan had het college moeten toetsen aan het landschaps- en bebouwingsbeeld. Daarnaast geeft de omgevingsvergunning geen blijk van een zorgvuldige afweging bij de toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van 10%. Het bestemmingsplan voorziet immers al in een hoge goot- en bouwhoogte.
14.2.
[eiser 1] voert aan dat de grootschaligheid van het gebouw niet past in de structuurvisie, waarin wordt gericht op kleinschaligheid, rust en ruimte. Ook wordt volgens [eiser 1] niet voldaan aan het open karakter en de onbelemmerde zichtlijnen als kernwaarden van de kust bij Petten. Verder voert hij aan dat het bouwplan een onevenredige toename aan verkeersbewegingen zal genereren, waardoor ook sprake zal zijn van een onveilige verkeersafwikkeling. Eiser voorziet ter plaatse verkeerschaos.
15. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening alleen betrekking heeft op de mate waarin het bouwplan afwijkt van de bouwmaten die in het bestemmingsplan al zijn toegestaan. De bouwmaten in het bestemmingsplan zijn bij de vaststelling daarvan al eens beoordeeld en akkoord bevonden. Concreet ziet de belangenafweging dus op de afwijkingen voor de bouw- en goothoogte van 30 en 21 cm en voor de bouwdiepte van ca. 55 cm. De rechtbank is van oordeel dat deze afwijkingen zo gering zijn ten opzichte van de toegestane maten van respectievelijk 6 meter, 12 meter en 5 meter, dat daar geen aantasting van een goede ruimtelijke ordening vanuit zal gaan. De afwijkingen hebben op zichzelf gezien ook geen invloed op de verkeersaantrekkende werking, nu de afwijkingen zelf niet leiden tot een hoger aantal verwachte bezoekers. Aan Het Zijper Landschap en de KNNV kan worden toegegeven dat het beoordelingskader voor de binnenplanse afwijking iets anders is omschreven in artikel 10 van het bestemmingsplan, dan het college heeft toegepast in het bestreden besluit. Echter zou een toets aan het straat- en bebouwingsbeeld in dit geval in redelijkheid niet tot een wezenlijk andere inhoudelijke beoordeling van de goede ruimtelijke ordening leiden, dan een toets aan het landschaps- en bebouwingsbeeld. Daarvoor zijn de afwijkingen afgezet tegen de in het bestemmingsplan opgenomen bouwomvang te gering.
Monumentenactiviteit16.1. Eisers voeren aan dat het college niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wijzingen die het bouwplan aanbrengt aan beschermde elementen van het voormalige Kleuterhuis als gemeentelijk monument. Het advies van de erfgoedcommissie van 18 januari 2022 kon het college ook niet aan de beoordeling ten grondslag leggen, omdat het advies volgens eisers incompleet is.
16.2.
In artikel 13 van de Erfgoedverordening Schagen 2013 [6] is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het slopen en renoveren van een gemeentelijk monument alleen verleend kan worden indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing dient het bevoegd gezag rekening te houden met het gebruik van het monument.
16.3.
In artikel 8:69a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een aangewezen beschermd monument wonen, bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Erfgoedwet en de gemeentelijke erfgoedverordening beogen te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.
16.4.
De rechtbank is van oordeel dat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb zich verzet tegen het behandelen van de beroepsgronden van eisers die zien op de monumentenactiviteit. De normen voor bescherming van een monument waaraan het college heeft getoetst, dienen uitsluitend ter bescherming van het algemene belang van het behoud van de cultuurhistorische waarde van het monument. De algemene en persoonlijke ruimtelijke belangen die eisers nastreven zijn onvoldoende verweven met dat algemene belang van monumentenzorg, zodat de omgevingsvergunning voor de monumentenactiviteit kennelijk niet strekt ter bescherming van hun belangen. [eiser 1] en [eiser 2] wonen op 150 à 200 meter van het voormalige Kleuterhuis. Ondanks dat zij vanaf hun percelen in de verte zicht kunnen hebben op het monument, wonen zij niet in de onmiddellijke nabijheid van het monument. Het algemeen belang bij behoud van cultuurhistorische waarden heeft daarom geen invloed op hun directe woon- en leefomgeving. Dat [eiser 1] en [eiser 2] persoonlijk begaan zijn met de historie van Petten en het voormalig Kleuterhuis maakt dit niet anders, nu dit geen ruimtelijk belang is dat wordt geraakt door het algemeen belang bij monumentenzorg.
16.5.
De natuurdoelstellingen die Het Zijper Landschap en de KNNV volgens hun statuten nastreven vallen naar het oordeel van de rechtbank buiten de reikwijdte van het doel van de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening Schagen 2013. Op de zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat Het Zijper Landschap en de KNNV bescherming van de kwaliteit van de leefomgeving nastreven. Deze doelstelling maakt het oordeel niet anders, nu eisers onvoldoende hebben aangetoond dat dit belang dergelijke verwevenheid heeft met het algemeen belang van de monumentenzorg, dat de omgevingsvergunning voor de monumentenactiviteit kennelijk strekt ter bescherming van een (statutair en feitelijk) belang van Het Zijper Landschap en de KNNV. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de rechtbank de beroepsgronden over de monumentenactiviteit niet bespreekt, nu die niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden.
Wet natuurbescherming
17.1.
Het Zijper Landschap en de KNNV voeren aan dat het college heeft miskend dat de bouw en het gebruik van het hotel ook een project is waarvoor toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) is vereist. Volgens die eisers is vanwege de effecten op het naastgelegen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen een vergunning op grond van de Wnb vereist. Er is ten onrechte gebruik gemaakt van intern salderen (met de manege). Het college had de gevraagde omgevingsvergunning daarom niet mogen verlenen zonder dat daarvoor een verklaring van geen bedenkingen door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland was afgegeven (de zogenoemde aanhaakplicht). De rechtbank overweegt als volgt.
17.2.
Vast staat dat vergunninghouder inmiddels op 31 oktober 2025 alsnog een Wnb-aanvraag heeft ingediend. Deze aanvraag is weliswaar van na het bestreden besluit, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om deze omstandigheid niet nu reeds bij de beoordeling te betrekken. Een en ander betekent immers dat bij een eventuele gegrondverklaring en een opdracht aan het college om in zoverre een nieuw besluit te nemen, een verklaring van geen bedenkingen van gedeputeerde staten niet meer nodig zal zijn. Er loopt dan een afzonderlijke Wnb-procedure. Tegen het daarin te nemen besluit staat afzonderlijk rechtsbescherming open. Gelet hierop bestaat er onvoldoende belang bij een verdere inhoudelijke beoordeling op dit punt. De rechtbank laat dit dan ook buiten verdere bespreking. [7]

Conclusie en gevolgen

18. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:69 van de Awb.
3.Bijvoorbeeld in rechtsoverweging 6.1 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4911.
4.In samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1˚, van de Wabo.
5.In samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de Wabo.
6.In samenhang met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 2.15 van de Wabo.
7.Op basis van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1014.