ECLI:NL:RBNHO:2025:14231

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
HAA 25/4762
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake opschorting bijstandsuitkering verzoeker

Op 2 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak betreffende de opschorting van de bijstandsuitkering van verzoeker per 22 oktober 2025. Verzoeker, die een bijstandsuitkering ontving op basis van de Participatiewet, was het niet eens met de opschorting en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde of het verzoek om een voorlopige voorziening kon worden toegewezen, waarbij gekeken werd naar de kans van slagen van het bezwaar van verzoeker. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker niet had voldaan aan het verzoek van het college om aanvullende bewijsstukken, waaronder bank- en creditcardafschriften over een bepaalde periode. Ondanks dat verzoeker eerder afschriften had overgelegd, was hij niet in staat om de gevraagde gegevens te verstrekken, wat leidde tot de conclusie dat het college terecht was overgegaan tot opschorting van de bijstandsuitkering. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, met de overweging dat het bestreden besluit naar verwachting stand zal houden na heroverweging in bezwaar. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de griffier en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4762

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A. van Hoof),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen

(gemachtigden: I. Muis en D. Anema).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de opschorting van de bijstandsuitkering van verzoeker per 22 oktober 2025. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3. Verzoeker ontving een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Na een melding van 15 juni 2025 van het Bureau InformatieDiensten Nederland is het college op 16 juni 2025 een onderzoek gestart.
4. Het college heeft bij verzoeker informatie opgevraagd en in dat kader onder meer bij brief van 8 oktober 2025 verzocht om vóór 23 oktober 2025 een aantal bewijsstukken te leveren.
5. Met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 heeft het college het recht op uitkering van verzoeker met ingang van 22 oktober 2025 opgeschort, omdat verzoeker heeft nagelaten de gevraagde stukken te verstrekken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.

Overwegingen

Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoeker ontvangt op dit moment geen bijstandsuitkering. Gelet op de aard van de bijstandsuitkering, die is bedoeld als minimumbestaansvoorziening, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat verzoeker door de opschorting niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven.
Standpunt verzoeker
8. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het de gemeente in principe niet aangaat waar hij zijn geld aan uitgeeft. Zijn uitgaven vallen dan ook niet onder de inlichtingenplicht. Volgens vaste rechtspraak [1] mag het college in beginsel inzage in de bankafschriften vragen maar moet een bezwaar tegen het verlenen van inzage in uitgaven gerespecteerd worden, tenzij deze gegevens werkelijk noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Hiervan is volgens verzoeker enkel sprake als er in het betreffende geval gegronde redenen zijn om inzicht te verkrijgen in het uitgavenpatroon van de betrokkene. Deze noodzaak moet door het college gemotiveerd worden. Dat is volgens verzoeker niet gebeurd. Het recht is volgens verzoeker daarom op onjuiste gronden opgeschort.
Juridisch kader
9. Op grond van artikel 17, eerste lid van de PW doet de betrokkene op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
10. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de PW is de betrokkene verplicht gevolg te geven aan een verzoek tot medewerking aan het bestuursorgaan, tenzij deze medewerking redelijkerwijs niet nodig is voor de vaststelling van het recht op bijstand of redelijkerwijs niet van betrokkene gevergd kan worden.
11. Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, danwel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend en hem dit te verwijten valt, het recht op bijstand opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft. Op grond van artikel 54, tweede lid, van de PW, doet het college mededeling van de opschorting aan belanghebbende en nodigt hem uit binnen de door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
12. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college verzoeker op 8 oktober 2025 om de volgende gegevens/bewijsstukken heeft verzocht:
  • afschriften van alle rekeningen (betaal-, spaar-, creditcard-, Paypal) over de periode van 7 april 2025 tot en met 7 oktober 2025 met duidelijk begin- en eindsaldo alsmede bij- en afschrijvingen;
  • aankoopbewijzen van beide voertuigen met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] ;
Daarnaast heeft het college verzoeker verzocht zijn nieuwe telefoonnummer aan het college door te geven. Verzoeker dient de bewijsstukken binnen twee weken, dus vóór 23 oktober 2025 in te leveren. Ten slotte is verzoeker in de brief gewezen op de gevolgen van het niet reageren.
13. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verzoeker de door het college gevraagde gegevens niet heeft aangeleverd. Verzoeker heeft op 3 november 2025, dus na het besluit tot opschorting, per e-mail aan het college laten weten niet opnieuw bankafschriften op te sturen. Daarnaast heeft verzoeker een verklaring van zijn (ex)partner overgelegd, gedateerd op 31 oktober 2025. Daarin wordt (samengevat) verklaard dat het voertuig [kenteken 1] kort op naam van verzoeker heeft gestaan omdat zijn (ex)partner pas recent haar rijbewijs heeft gehaald, zij niet bekend was met de overschrijvingen en geen vertrouwen had in een pas aangekocht goedkoop tweedehands voertuig. Het voertuig bleek echter te slecht waardoor een nieuw voertuig aangeschaft moest worden. Voorts verklaart de (ex)partner van verzoeker dat zij eigenaar is van het voertuig met kenteken [kenteken 2] maar dat zij deze in gebruik heeft gegeven aan verzoeker. Verzoeker heeft verder een factuur overgelegd van het voertuig met kentekenbewijs [kenteken 3] op 20 oktober 2025, waaruit inruil van het voertuig met kenteken [kenteken 1] blijkt. Ten slotte heeft verzoeker een brief van de Anesthesioloog-pijnspecialist overgelegd van 25 februari 2022.
14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit bovenstaande volgt dat verzoeker de door het college verzochte gegevens niet heeft aangeleverd. Verzoeker heeft weliswaar in het kader van hetzelfde onderzoek na een eerder verzoek bank- en creditcardafschriften overgelegd tot en met juli 2025, maar bij brief van 8 oktober 2025 is expliciet verzocht om bank- en creditcardafschriften tot en met 7 oktober 2025. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college die gegevens mocht vragen. Nog afgezien van de vraag of de afschrijvingen op de bankafschriften weggelakt mogen worden, heeft verzoeker niet voldaan aan het verzoek om alle afschriften over de periode van 7 april tot en met 7 oktober te overleggen. Verzoeker heeft daarnaast ook de aankoopbewijzen van de auto’s, waar het college om heeft verzocht, niet overgelegd. De verklaring van de (ex)partner kan niet in de plaats worden gesteld van een aankoopbewijs, en is ook overigens onvoldoende om te concluderen dat aan het verzoek is voldaan, of dat kan worden afgezien van het verstrekken van de verzochte informatie. De enkele stelling van verzoeker dat er geen aankoopbewijzen zijn is daarvoor eveneens onvoldoende.
15. Het bovenstaande maakt dat verzoeker niet heeft voldaan aan het verzoek van het college van 8 oktober 2025 om gegevens/bewijsstukken aan te leveren. De vraag of het college in dit geval gegronde redenen had voor het verzoeken om volledige, ongelakte bankafschriften waarop ook de afschrijvingen volledig zichtbaar zijn, kan derhalve in het midden blijven. Gelet op al het hiervoor vermelde is het college, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, terecht overgegaan tot opschorting van de bijstandsuitkering.

Conclusie en gevolgen

16. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, het bestreden besluit naar verwachting stand zal houden na heroverweging in bezwaar. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Omdat de verzoeken worden afgewezen bestaat voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2056 en 26 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:240 en van de rechtbank Overijssel van 26 april 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1747.