Eiseres maakte bezwaar tegen haar aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2021, omdat zij vond dat zij niet verplicht mocht worden belasting te betalen die wordt gebruikt voor de subsidiëring van fossiele brandstoffen. Zij stelde dat dit beleid haar rechten op leven, vrijheid en veiligheid bedreigt, zoals beschermd door artikelen 2 en 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Belastingdienst handhaafde de aanslag en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat bezwaren tegen de besteding van belastinggeld niet leiden tot vermindering van de aanslag. De rechtbank bevestigde dit standpunt en overwoog dat de verplichting tot belastingbetaling algemeen is en niet afhankelijk kan worden gesteld van de bestemming van de belastingopbrengst.
Verder oordeelde de rechtbank dat de artikelen 2 en 5 EVRM geen grond bieden om de aanslag te verminderen, omdat deze rechten niet inhouden dat belastingplichtigen op grond van hun overtuiging mogen weigeren belasting te betalen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.