Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2024 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk), eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
€ 48.956 belastingrente in rekening gebracht.
mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. [naam 4] , mr. [naam 5] , mr. [naam 6] en [naam 7] .
Overwegingen
1 september 2013 in aanmerking komt voor toepassing van de zogeheten 30%-regeling.
[bedrijf 3] S.A. Deze aandelen kwalificeerden voor eiser als lucratief belang aandelen in de zin van artikel 3.92b, tweede lid, van de Wet IB 2001.
“Belastingplichtige kiest voor toepassing art. 3.95b, lid 5 Wet IB 2001
”opgenomen. Bij de rubriek ‘Inkomen uit aanmerkelijk belang’ heeft eiser de tekst
“Belastingplichtige kiest voor toepassing van art. 2.6 Wet IB 2001
”opgenomen.
€ 5.298.056; dit vanwege het door eiser in het kader van het [plan] in 2016 ontvangen bedrag dat volgens verweerder belast dient te worden als resultaat uit overige werkzaamheden. Verweerder heeft vervolgens op 11 december 2021 de navorderingsaanslag ib/pvv voor het jaar 2016 opgelegd.
Geschil14. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:
- Is voor de jaren 2015 en 2016 sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?
- Dienen de voordelen met betrekking tot de door eiser gehouden lucratief belang aandelen op de voet van artikel 3.95b, vijfde lid, van de Wet IB 2001 niet tot het resultaat van een werkzaamheid te worden gerekend? Meer specifiek is daarbij in geschil of eiser inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten zoals bedoeld in artikel 3.95b, vijfde lid, van de Wet IB 2001. En indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is voor de jaren 2015 en 2016 tevens in geschil of eiser gekozen heeft voor de toepassing van artikel 3.95b, vijfde lid, van de Wet IB 2001.
- Is het vertrouwensbeginsel geschonden?
- Is het legaliteitsbeginsel geschonden?
- Heeft eiser recht op een schadevergoeding?
- Heeft eiser recht op een integrale proceskostenvergoeding?
(…)
Heeft eiser voor de jaren 2015 en 2016 gekozen voor toepassing van artikel 3.95b, vijfde lid, van de Wet IB 2001?
(1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek met een waarde per punt van
€ 310, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaken en vanwege het aantal (drie) samenhangende zaken).
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de navorderingsaanslagen ib/pvv voor de jaren 2015 en 2016, alsmede de daarbij behorende belastingrentebeschikkingen;
- vermindert de aanslag ib/pvv 2018 tot één berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 246.725 en vernietigt de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- wijst het verzoek om een schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2.370, en
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van in totaal € 99 aan eiser te vergoeden.
mr. P.A. Caljé, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2024.