Eiseres, werkzaam bij de politie sinds 1991, kreeg in 2002 de diagnose PTSS na traumatische incidenten in haar werk. Na behandeling hervatte zij haar werk, maar in 2018 werd opnieuw PTSS vastgesteld. Zij vroeg smartengeld aan, dat door de korpschef werd afgewezen wegens verjaring.
De rechtbank overweegt dat de verjaringstermijn van vijf jaar pas begint te lopen vanaf het moment dat de schadevordering opeisbaar is en eiseres daadwerkelijk bekend is met de blijvende schade. De eerdere diagnose in 2002 en de klachten daarna leiden niet tot een opeisbare vordering, omdat eiseres toen succesvol was behandeld en weer werkte.
Pas na de herdiagnose in 2018 werd het voor eiseres duidelijk dat zij blijvende schade had. Daarom is de vordering niet verjaard. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, bepaalt dat de korpschef een nieuw besluit moet nemen zonder verjaring in te roepen en veroordeelt de korpschef tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.