ECLI:NL:RBNHO:2023:680
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing studiefinanciering voor buitenlandse student met verblijfsvergunning niet-tijdelijk humanitair
Eiseres, van Chinese nationaliteit en woonachtig in Nederland bij haar vader, vroeg studiefinanciering aan. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor buitenlandse studenten buiten de EU, zoals opgenomen in artikel 3 van Pro het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000). Haar verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met de beperking 'niet-tijdelijk humanitair' hangt samen met het verblijf van haar vader, die een vergunning heeft voor arbeid, wat een eigen keuze betreft.
Eiseres stelde dat het onderscheid in behandeling discriminerend is en in strijd met artikel 14 EVRM Pro en het Eerste Protocol, en verwees naar het arrest Ponomaryovi v. Bulgarije. Verweerder voerde aan dat het onderscheid gebaseerd is op budgettaire en humanitaire overwegingen, en dat de wetgever bewust uitzonderingen heeft gemaakt voor bepaalde schrijnende situaties.
De rechtbank oordeelde dat het onderscheid gerechtvaardigd is. De verblijfsvergunning van eiseres is een voortzetting van de vergunning van haar vader, waarbij sprake is van een vrije keuze om in Nederland te verblijven. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en eerdere uitspraken van de rechtbank Amsterdam, en verwierp het beroep op het arrest Ponomaryovi omdat dat arrest meer betrekking heeft op het recht op onderwijs dan op studiefinanciering.
De rechtbank concludeerde dat het onderscheid niet discriminerend is, dat de inbreuk op het onderwijs gerechtvaardigd is en dat verweerder niet bevoegd is om op grond van de hardheidsclausule studiefinanciering toe te kennen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van studiefinanciering wordt ongegrond verklaard omdat het onderscheid in verblijfsstatus gerechtvaardigd is.