Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
“1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4. (…)
5. (…)”.
“Variant 3a: met peildatum
In variant 3a is de datum van 1 januari van het belastingjaar (of het begin van de belastingplicht) bepalend voor het aantal personen per perceel. Dit is uit doelmatigheidsoverwegingen gedaan. Er hoeven dan namelijk geen wijzigingen te worden aangebracht (teruggaaf of navordering) indien het aantal personen in de loop van het jaar verandert. Met het aanvangen of eindigen van de belastingplicht in de loop van het jaar moet overigens wel rekening gehouden worden (ingevolge artikel 9). Afhankelijk van het aantal personen wordt het basistarief verhoogd met een opslag. Bij forse tariefdifferentiaties kan de vraag worden gesteld of bij één peildatum nog sprake is van een rechtvaardige belastingheffing. Uit het proces-verbaal van de uitspraak van Hof Arnhem van 13 november 1995, nr. 950790 volgt dat het Hof van oordeel was dat bij een tarief voor eenpersoonshuishoudens van € 299,- en voor meerpersoonshuishoudens van € 412,- de situatie op de peildatum bepalend mocht zijn voor de hoogte van de verschuldigde belasting. Een alternatief is het hanteren van twee peildata. Dan moet evenwel ook met twee heffingstijdvakken worden gewerkt. Een andere mogelijkheid is één aanslag en een ontheffingsmogelijkheid. Daarbij kan echter geen aanvullende aanslag worden opgelegd; er kan alleen vermindering worden verleend.
(…)
Variant 3b: zonder peildatum
'In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is de belasting als bedoeld in onderdeel [
...] van hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd bij het einde van het belastingjaar, of zo dit eerder is, bij het einde van de belastingplicht.'
In feite is in dit geval heffing slechts mogelijk door voorlopige aanslagen (of voorschotten bij meeliften) in de loop van het heffingstijdvak en definitieve aanslagen (of eindafrekening bij meeliften) na afloop van het heffingstijdvak.”
“Wijziging gezinssamenstelling
Als de samenstelling van uw gezin in de loop van het jaar wijzigt dan heeft dit geen gevolgen voor uw aanslag.
(…)
Veelgestelde vragen
(…)
Als ik na 1 januari alleen kom te wonen, kan ik dan in aanmerking komen voor het tarief van een eenpersoons huishouden?
Nee, een wijziging in de loop van het jaar in de gezinssamenstelling zal niet leiden tot een (gedeeltelijke) vermindering van de aanslag afvalstoffenheffing.”
“6. Bij het beoordelen van deze beroepsgronden is sprake van een zogenoemde exceptieve toetsing. Deze toetsing houdt in dat algemeen verbindende voorschriften die geen wet in formele zin zijn, door de rechter kunnen worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. De rechter komt tevens de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindende voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer.
Bij de toetsing van de wijze waarop door het regelgevende orgaan aan de hem toekomende beslissingsruimte inhoud is gegeven, kunnen, naast toetsing aan artikel 3:4 Awb Pro en aan ongeschreven materiële beginselen als het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, ook het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 Awb Pro) en het beginsel van een deugdelijke motivering een rol spelen. De enkele strijd met deze formele beginselen kan echter niet leiden tot het onverbindend achten van een algemeen verbindend voorschrift. Dat laat onverlet dat, indien als gevolg van een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding van het voorschrift door de rechter niet kan worden beoordeeld of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dit ertoe kan leiden dat de bestuursrechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit om die reden vernietigt. Als het vaststellende orgaan bij het voorbereiden en nemen van een algemeen verbindend voorschrift de negatieve gevolgen daarvan voor een bepaalde groep uitdrukkelijk heeft betrokken en de afweging deugdelijk heeft gemotiveerd, voldoet deze keuze aan het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en beperkt de toetsing door de bestuursrechter zich in het algemeen tot de vraag of de regeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016).”
Beslissing
R. van der Vecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 november 2022.