Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- hij één bron van inkomen had, te weten zijn praktijk als medisch specialist die hij in 2017 zelfstandig uitoefende, en een loonbestanddeel dat tegelijk ook als onderdeel van de winst kan worden beschouwd, gelet op de rangorderegeling (artikel 2.14 Wet IB 2001) uitsluitend als winst in aanmerking wordt genomen;
- de rechtsverhouding tussen hem en [GGZ 1] in feite is veranderd doordat hij op factuurbasis voor andere zorginstellingen patiëntenzorg is gaan verrichten, en
- de wijze waarop hij en [GGZ 1] in 2017 invulling hebben gegeven aan hun rechtsverhouding, niet verschilt van de wijze waarop hij en [GGZ 2] dat hebben gedaan op basis van een overeenkomst van opdracht.
- eiser, gelet op de in 2008 gesloten arbeidsovereenkomst, zijn werkzaamheden voor [GGZ 1] niet zelfstandig of voor eigen rekening en risico verrichtte en geen sprake is van ondernemersrisico in zoverre;
- een verandering van de rechtsverhouding met [GGZ 1] nergens uit blijkt;
- een dienstbetrekking winst uit onderneming uitsluit, en
- voor het jaar 2017 eerder gewekt vertrouwen tijdig is opgezegd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aan eiser opgelegde aanslag ib/pvv voor het jaar 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 124.772 en vermindert de in rekening gebrachte belastingrente naar evenredigheid;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- gelast verweerder het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden, en
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518.