Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2022 in de zaken tussen
[eiseres] N.V. c.s., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- Anti-Insect AI
- Allergie AL
- Anti-Roos AR
- Anti-Zonnebrand (met UV-A- en/of UV-B filter en een SPF-factor) AZ
- Hoofdluis HL
- Intieme oplossingen IO
- Lippen LI
- Littekens LT
- Maag en darm MD
- Mondwater (met fluoride) MW
- Oogverzorging OV
- Probleemhuid PH
- Spieren en gewrichten SG
- Sport en Wondverzorging SW
- Tandpasta (met fluoride) TP
- Verkoudheid VK
- Voetverzorging VV
- Een e-mail van een medewerker van [bedrijf 4] . Daarin staat onder meer dat de respondenten van het onderzoek een gangbare vergoeding kregen voor de beantwoording van de vragen, dat de weging van de antwoorden is gebeurd op basis van de Gouden standaard, zoals gepubliceerd door het CBS en dat het onderzoek is uitgevoerd conform de Gedragscode voor marktonderzoek van de ICC/ESOMAR.
- Een verklaring van [naam 14] , 8 jaar werkzaam bij [bedrijf 2] , thans werkzaam als toezichthoudend drogist voor de webshop van [bedrijf 2] . Zij verklaart dat consumenten naar haar ervaring niet vragen om een product met een RVG- of RVH-registratie, dan wel om een medisch hulpmiddel. Een klant komt binnen met een klacht en wil daar iets voor. Het komt wel voor dat wordt gevraagd naar producten met een specifieke werkzame stof.
- Een verklaring van [naam 15] , eigenaar van twee [bedrijf 2] drogisterijen (franchisenemer), en zelf bijna dagelijks werkzaam in een van haar drogisterijen. Zij verklaart dat geneesmiddelen met een RVG-registratie, medische hulpmiddelen met een CE keurmerk en homeopathische middelen met een RVH-registratie in de winkelschappen door elkaar staan, gesorteerd op basis van gebruik en de therapeutische claim. Haar ervaring is dat de gemiddelde consument geen onderscheid maakt tussen een geneesmiddel en een medisch hulpmiddel.
- Annotaties bij de uitspraken van rechtbank Den Haag van 15 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4014 en gerechtshof Den Haag van 19 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2785 van mr. drs. J.A. Lisman, advocaat en van origine farmaceut, die in het verleden werkzaam is geweest bij het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. De heer Lisman schrijft in zijn annotaties dat er naar zijn mening geen sprake is van een minder strenge toezicht- en toelatingsprocedure voor medische hulpmiddelen dan voor geneesmiddelen, omdat de Europese en nationale wetgever voor alle medische hulpmiddelen dezelfde bescherming van de volksgezondheid beogen. Voorts is hij ervan overtuigd dat de gemiddelde consument geen waarde hecht aan de registratie als geneesmiddel om de betrouwbaarheid, werkzaamheid en veiligheid van een zelfzorgproduct te waarborgen, en geen idee heeft hoe de toelating van geneesmiddelen of medische hulpmiddelen werkt. De opvatting van de modale consument zou volgens hem via een marktonderzoek beantwoord moeten worden.
- een overzicht afkomstig van [bedrijf 5] , de brancheorganisatie van fabrikanten en importeurs van zelfzorgproducten. Daarin is de ontwikkeling van het aantal verkochte verpakkingen tussen 2017 en 2018 van 12 geneesmiddelen en 12 medische hulpmiddelen, die volgens [bedrijf 5] naar aard en werking met elkaar vergelijkbaar zijn, naast elkaar gezet.
Beslissing
mr. M. Ferrier, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2022.