Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De tenlastelegging
2.De voorvragen
3.De beoordeling van het bewijs
4.De kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De motivering van de sanctie
7.De vorderingen van de benadeelde partijen
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
18 (achttien) jaren.
[partner]geleden schade tot een bedrag van
€ 262.377,62 (tweehonderdtweeënzestigduizend driehonderdzevenenzeventig euro en tweeënzestig cent), bestaande uit € 46.677,62 als vergoeding voor de materiële en € 215.700,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van het bedrag ten aanzien van de posten a, b, f, en i, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 november 2020 en ten aanzien van hetgeen overigens wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 april 2022, tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
205dagen. Bepaalt dat het te betalen bedrag ten aanzien van de posten a, b, f, en i wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2020 en hetgeen overigens wordt toegewezen wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
[jongste zoon] niet-ontvankelijkin de vordering
.
[oudste zoon]geleden schade tot een bedrag van
€ 31.931,96 (éénendertigduizend negenhonderdéénendertig euro en zesennegentig cent, bestaande uit € 1.931,96 als vergoeding voor de materiële en € 30.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
80 dagen. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
[middelste zoon]geleden schade tot een bedrag van
€ 40.059,61 (veertigduizendnegenenvijftig euro en éénenzestig cent, bestaande uit € 2.559,61 als vergoeding voor de materiële en € 37.500,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
80 dagen. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.