ECLI:NL:RBNHO:2022:2213
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling WW-dagloon bij geschil over transitievergoeding
Eiser was sinds 2011 in dienst bij een werkgever en werd in 2019 ontslagen wegens ernstig verwijtbaar handelen, waarna de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbond zonder recht op transitievergoeding. Het hof oordeelde echter dat geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen en kende eiser een transitievergoeding toe, gebaseerd op een omzetafhankelijke beloning inclusief een bonus. Verweerder stelde bij de vaststelling van het WW-dagloon het loon vast op basis van de aangifte van de werkgever bij de belastingdienst, wat leidde tot een lager dagloon dan eiser wenste.
De rechtbank overwoog dat in bestuursrechtelijke procedures verweerder een eigen onderzoeksplicht heeft en niet gebonden is aan civielrechtelijke uitspraken zoals het hofarrest over de transitievergoeding. Verweerder mocht daarom het dagloon baseren op de polisadministratie. Eiser had onvoldoende bewijs geleverd van hoger loon of niet inbaar loon in het refertejaar 2018, en had zijn werkgever niet ondubbelzinnig gemaand tot betaling van een hoger loon.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het dagloon had vastgesteld op basis van de polisadministratie en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van het WW-dagloon wordt ongegrond verklaard.