Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2022 in de zaken tussen
[naam] handelend onder de naam [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ), te [woonplaats] , eiser
[bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ), te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
tevens‘perifere detailhandel’ is toegestaan. De rechtbank begrijpt deze combinatie van bepalingen zo dat de activiteiten van ‘bedrijven’ en ‘detailhandel’ verschillend zijn, omdat anders het woord ‘tevens’ zinledig zou zijn. Dit wordt bevestigd in artikel 6.4 van het bestemmingsplan. Dit artikel geeft specifieke gebruiksregels. Uit de aanhef en onderdeel a van dit artikel volgt dat onder strijdig gebruik in ieder geval wordt verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken voor detailhandelsbedrijven. De rechtbank concludeert uit dit alles dat voor detailhandel speciale regels gelden en – in het verlengde daarvan – artikel 6.1, aanhef en onder a, niet betekent dat detailhandel zonder meer op alle percelen met de bestemming ‘Bedrijventerrein-2’ is toegestaan. De rechtbank wijst ook op artikel 6.5.3 van het bestemmingsplan, waarin expliciet is opgenomen dat het college
in afwijking vanartikel 6.1 en 6.4 bevoegd is om in bepaalde gevallen met een omgevingsvergunning perifere detailhandel toe te staan op gronden met de bestemming ‘Bedrijventerrein-2’. In artikel 6.4, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan is bepaald dat ondergeschikte detailhandel als nevenactiviteit bij ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten wel is toegestaan. De rechtbank concludeert dat [bedrijf 1] niet in overeenstemming met het bestemmingsplan handelt voor zover [bedrijf 1] niet in ondergeschikte mate detailhandel verricht.