ECLI:NL:RBNHO:2021:9413
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verkrijgingsprijs aandelen bij remigratie en belastingplicht in Nederland
Eiser, houder van alle aandelen in een Nederlandse BV, emigreerde in 2001 naar het Verenigd Koninkrijk en verhuisde later naar België. In 2017 remigreerde hij naar Nederland, waarbij ook de werkelijke leiding van de BV terugkeerde naar Nederland. Eiser verzocht om een herziening van de verkrijgingsprijs van zijn aandelen met een zogenaamde step-up voor de waardeaangroei tijdens zijn periode van niet-belastingplicht in Nederland.
De Belastingdienst stelde de verkrijgingsprijs echter lager vast, waarbij alleen de waardeaangroei vanaf tien jaar na de verplaatsing van de werkelijke leiding werd meegenomen. Eiser stelde dat de wetgeving bij remigratie moest worden toegepast en dat hij recht had op een hogere step-up, omdat hij volgens hem niet belastingplichtig was in Nederland gedurende de gehele periode van 2004 tot 2014.
De rechtbank oordeelde dat voor de toepassing van de step-up per periode moet worden beoordeeld of eiser belastingplichtig was in Nederland volgens de toen geldende wetgeving. De fictie van belastingplicht in Nederland gedurende tien jaar na verplaatsing van de werkelijke leiding, zoals opgenomen in artikel 7.5, zesde lid, Wet IB 2001, is hierbij bepalend. De rechtbank concludeerde dat eiser in de jaren 2004 tot en met 2014 buitenlands belastingplichtig was en dat de step-up daarom niet voor die periode kan worden toegekend. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beschikking van de Belastingdienst blijft in stand.