ECLI:NL:RBNHO:2021:7723

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 september 2021
Publicatiedatum
8 september 2021
Zaaknummer
8010183 \ CV FORM 19-13047
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 EPGVArt. 3 lid 3 EPGVArt. 63 Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 4 lid 3 Uitvoeringswet EPGVArt. 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter in luchtvaartgeschil met buitenlandse vervoerder

In deze luchtvaartzaak vordert de passagier dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil met de buitenlandse vervoerder Air Canada, gevestigd in Canada. De passagier stelde dat de Europese Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid (EPGV) van toepassing is, mede vanwege een kantoor van de vervoerder in Duitsland en domiciliekeuze in Brussel.

De kantonrechter stelt vast dat de statutaire zetel van de vervoerder in Canada ligt en dat de passagier onvoldoende heeft onderbouwd dat er een hoofdvestiging in een lidstaat van de EU is. De domiciliekeuze in Brussel kan de passagier niet baten volgens artikel 3 lid 3 EPGV Pro. Daarom is geen sprake van een grensoverschrijdende zaak in de zin van de EPGV.

De kantonrechter bepaalt dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure en dat de zaak op 6 oktober 2021 op de rol komt voor vonnis. Alle verdere beslissingen worden aangehouden. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De procedure wordt voortgezet volgens de dagvaardingsprocedure en de Nederlandse rechter is bevoegd, maar de EPGV is niet van toepassing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8010183 \ CV FORM 19-13047
Uitspraakdatum: 8 september 2021
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[de passagier]
wonende te [woonplaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Air Canada
statutair gevestigd te Saint-Laurent (Canada)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: P. Frühling

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • de tussenbeschikking van 17 februari 2021;
  • de akte van de passagiers van 21 april 2021;
  • de antwoordakte van de vervoerder van 14 juli 2021.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De passagier betoogt dat de onderhavige zaak binnen het toepassingsbereik van de EPGV valt. Zij heeft in dit verband gewezen op de beschikking van deze rechtbank van 22 augustus 2018 (ECLI:NL:RBNHO:2018:7425). Net als in die beschikking, stelt de kantonrechter vast dat ook in de onderhavige zaak de Nederlandse rechter, meer in het bijzonder de kantonrechter te Haarlem, bevoegd is van het geschil kennis te nemen. In de beschikking van 2018 is de kantonrechter er (impliciet) vanuit gegaan dat de EGPV van toepassing was. Daarbij is aangenomen dat de vervoerder woonplaats had in België, zoals in de kop van die beschikking is vermeld. In de onderhavige zaak is echter niet in geschil dat de statutaire zetel van de vervoerder in Canada is gelegen. De passagier heeft opgemerkt dat de vervoerder tevens kantoor houdt in Duitsland, maar zij heeft niet onderbouwd dat de vervoerder een statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft in Duitsland dan wel een andere lidstaat, zoals bedoeld in artikel 3 lid 2 EPGV Pro, in samenhang met artikel 63 van Pro de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. De passagier heeft daarnaast gesteld dat de EPGV van toepassing is, omdat de vervoerder woonplaats heeft gekozen op het kantoor (te Brussel) van zijn gemachtigde. Zoals ook de vervoerder heeft opgemerkt, oordeelt de kantonrechter dat deze domiciliekeuze van de vervoerder de passagier niet kan baten, gelet op artikel 3 lid 3 van Pro de EPGV.
2.2.
Van een grensoverschrijdende zaak zoals bedoeld in artikel 3 EPGV Pro is gelet op het voorgaande geen sprake. Nu de passagier het verzoek niet heeft ingetrokken, zal de kantonrechter bepalen dat de procedure conform artikel 4 lid 3 Uitvoeringswet Pro en artikel 69 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt, volgens de regels van de dagvaardingsprocedure. Daarom zal een dag worden bepaald waarop de zaak op de rol zal komen voor het wijzen van vonnis.
2.3.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat de procedure dient te worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;
3.2.
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 6 oktober 2021 voor vonnis;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open