ECLI:NL:RBNHO:2021:4751
Rechtbank Noord-Holland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking kinderrechter na mondelinge uitspraak niet-ontvankelijk verklaard
In deze zaak heeft de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarig kind verzocht. De zaak werd behandeld door de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland op 25 maart 2021, waarbij de ouders aanwezig waren. Direct na de mondelinge behandeling deed de kinderrechter uitspraak.
De vader van het kind diende op 26 maart 2021 een verzoek tot wraking in tegen de kinderrechter, stellende dat deze vooringenomen zou zijn geweest. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en relevante jurisprudentie van de Hoge Raad.
De wrakingskamer oordeelde dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend zolang de rechter de zaak nog behandelt, en niet meer nadat de rechter de einduitspraak heeft gedaan. Omdat de kinderrechter op 25 maart 2021 uitspraak had gedaan en daarmee de behandeling had afgesloten, was het wrakingsverzoek van 26 maart 2021 niet-ontvankelijk.
Daarom stelde de wrakingskamer het verzoek buiten behandeling en wees het af. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de mondelinge uitspraak is ingediend.