ECLI:NL:RBNHO:2020:6935
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens overtreding drugsverkoopverbod in Zaanstad
De zaak betreft een last onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad aan eiser heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 2:74 van Pro de Algemene plaatselijke verordening Zaanstad 2013. Deze last verbiedt eiser binnen de gemeente drugs te verhandelen, aan te bieden of te verwerven op of aan de weg.
De overtreding is gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politie, die op 22 februari 2019 een onopvallende surveillance uitvoerde waarbij eiser werd geobserveerd in het Burgemeester in ’t Veldpark. De politie stelde vast dat eiser contact had met meerdere personen die drugs bij zich hadden en verklaarden dat zij drugs van eiser hadden gekocht. Hoewel bij eiser zelf geen drugs werden aangetroffen, vond de rechtbank dat de rapportage voldoende aannemelijk maakt dat sprake was van een overtreding.
Eiser voerde onder meer aan dat het verbod onvoldoende duidelijk is, dat de rapportage niet deugdelijk is, dat de last een punitief karakter heeft en dat bijzondere omstandigheden zoals zijn medische situatie en financiële positie handhaving onredelijk maken. De rechtbank verwierp deze bezwaren, oordeelde dat het verbod duidelijk en objectief is, dat de opsporingsambtenaren bevoegd waren tot het opstellen van de rapportage en dat de last geen strafrechtelijke boete is maar een preventieve maatregel.
Ook vond de rechtbank dat de hoogte van de dwangsom in verhouding staat tot het geschonden belang en dat de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen reden zijn om van handhaving af te zien. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de last onder dwangsom bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 2:74 APV Zaanstad wordt ongegrond verklaard en de last bevestigd.