Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Procesverloop
Overwegingen
Opgave van de bedrijfstijden dan wel perioden dat de inrichting en de onderscheiden onderdelen daarvan in bedrijf zullen zijn: uitsluitend in de winterperiode van begin oktober tot half maart, zomers zeer incidenteel onderhoudswerk alleen daguren op werkdagen en in zomer incidenteel skeeleren”. Voorts wordt verwezen naar een bijlage bij de aanvraag met een lijst van een zevental evenementen tot maximaal 12 in het winterseizoen.
de aanvraag met de daarbij overgelegde stukken zal deel uitmaken van de vergunning”. In de vergunning of de daarbij horende voorschriften zijn (overigens) geen bepalingen opgenomen die de openstelling van de inrichting gedurende het jaar aan beperkingen binden. De vergunning of de voorschriften bevatten voorts geen absolute beperkingen aan de omvang van het energiegebruik door de inrichting of de uitstoot van kooldioxiode. In onderdeel 6 “Energie” van de voorschriften zijn wel bepalingen opgenomen over de verplichting tot het opstellen van een bedrijfsenergieplan, jaarlijkse rapportage van het energieverbruik en besparingsmaatregelen en deelname aan een Convenant Energie en Milieu voor Sporthallen, Zwembaden en Kunstijsbanen, maar ook daar zijn geen plafonds of soortgelijke beperkingen aan energiegebruik door de inrichting gesteld. Sedert 1 oktober 2010 geldt de milieuvergunning als een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De kunstijsbaan is gedurende het gehele jaar een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer om verschillende aspecten. Deze aspecten betreffen onder andere het motorisch vermogen, het bieden van de mogelijkheid tot schaatsen, de opslag van ammoniak, kooldioxide en andere gevaarlijke stoffen. In de milieuvergunning zijn geluidsnormen opgenomen waarmee de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken voldoende kunnen worden voorkomen dan wel voldoende kunnen worden beperkt. Het is het bevoegd gezag er dan ook niet aan gelegen een scheiding aan te brengen en aparte normen voor de zomer- en winterperiode op te nemen. Dit zou overigens ook hoogst ongebruikelijk zijn. Indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt, dan kan de vergunning eenvoudig weg niet worden verleend en zal deze moeten worden geweigerd. Indien in de zomerperiode nieuwe activiteiten ontplooid worden die niet zijn aangevraagd, dient daarvoor in de toekomst een veranderings- of revisievergunning aangevraagd te worden.”Verweerder voert verder aan dat ook in de Verklaring naar aanleiding van de melding in 2008 uitgegaan werd van sportactiviteiten in de zomer. Tot slot wijst hij op het feit dat het Activiteitenbesluit een dergelijke beperking van openstelling thans niet mogelijk maakt.