Uitspraak
200802355/1. Daarin is overwogen dat indien de vergunningplicht voor de inrichting zoals vergund is blijven bestaan, maar een krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer vastgestelde algemene maatregel van bestuur op de inrichting van toepassing is geworden vanwege het verminderen of aanpassen van de activiteiten, de vergunning niet van rechtswege vervalt, maar dat daaraan in dat opzicht geen betekenis meer toekomt. Zolang de vergunning niet wordt ingetrokken, bestaat het recht om wederom de vergunde en onverminderd vergunningplichtige activiteiten te gaan uitvoeren. Indien echter vanwege het in werking treden van een krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor de inrichting zoals vergund geen vergunning meer is vereist, brengt een redelijke uitleg van artikel 8.1 samen met artikel 8.40 van de Wet milieubeheer mee dat moet worden aangenomen dat de vergunning van rechtswege is vervallen, aldus is in bovengenoemde uitspraak overwogen.
200404881/1, dat in dit verband van doorslaggevend belang is of de bedrijfsvoering ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de exploitant opeist, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Een en ander dient aan de hand van objectieve criteria te worden vastgesteld. Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting zijn de aard en omvang van de dagelijkse werkzaamheden van [appellant sub 2] in het kader van de exploitatie van het akkerbouwbedrijf duidelijk geworden. Gelet hierop heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat een bedrijfswoning ter plaatse noodzakelijk is. Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad voor het wegbestemmen van de bedrijfswoning. Gelet hierop behoeft de beroepsgrond van [appellant sub 2], dat onvoldoende is onderzocht of de bedrijfswoning kan worden gehandhaafd door middel van het treffen van geluidwerende maatregelen, geen bespreking meer.