Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douane kamer van 29 april 2020 in de zaken tussen
[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
In zaak HAA 17/5304 gaat het om de aangifte van 21.684 kilogram vlees (netto gewicht),
in zaak HAA 17/5305 gaat het om de aangifte van 21.340 kilogram vlees (netto gewicht) en in zaak HAA 17/5306 gaat het om de aangifte van 23.108 kilogram vlees (netto gewicht).
Bij de aangiften heeft eiseres steeds een beroep gedaan op het tariefcontingent met nummer 092202 en heeft zij de preferentiecode 125 vermeld.
Order number92202
422.258 kgwas obtained after the allocation (on 31 May) of alle the requests based on declarations
accepted on 29.05.25017or earlier.
on 30.05.2017and, then,
the balance decreased to 116.827 kg.
accepted on 31.05.2017and, therefore, they received a partial allocation of 51,50% of the requested amount.
ECLI:NL:GHAMS:2002:AP4580.
.Verweerder heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat bij het bepalen van de overschrijding een bepaalde periode buiten beschouwing moet blijven. Er is sprake van een tijdsverloop van afgerond 2 jaar en 11 maanden, in totaal 35 maanden. De redelijke termijn is derhalve met 11 maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Van dit tijdsverloop dient een periode vanaf de datum van de uitspraak op bezwaar van 13 oktober 2017 tot de datum van de uitspraak van de rechtbank op 29 april 2020 van 2 jaar en 7 maanden, derhalve een tijdsverloop van afgerond 31 maanden, te worden toegerekend aan de beroepsfase. Een tijdsverloop van afgerond (35 – 31) 4 maanden moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. In dit geval dient de totale overschrijding van 11 maanden aan de rechtbank te worden toegerekend. De termijnoverschrijding is daarom geheel toerekenbaar aan de beroepsfase. De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) dient aan eiseres € 1.000 te vergoeden.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding aan eiseres van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525;
- draagt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) op het betaalde griffierecht zijnde een bedrag van € 333 aan eiseres te vergoeden.