De zaak betreft een verzoek tot voorlopige voorziening van een werknemer die een leer-werkovereenkomst had via uitzendbureau Luba. De werknemer betwistte zijn ontslag op staande voet en vorderde loonbetaling vanaf de datum van beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, die volgens Luba was geëindigd door het intreden van een ontbindende voorwaarde gekoppeld aan de beëindiging van de stageovereenkomst.
De kantonrechter oordeelt dat de ontbindende voorwaarde niet rechtsgeldig is ingeroepen omdat het initiatief tot beëindiging van de stageovereenkomst bij de opdrachtgever Flexcorail lag, die als materiële werkgever subjectief invloed had, wat niet verenigbaar is met het ontslagrecht. Hierdoor is het niet waarschijnlijk dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op de door Luba genoemde data.
Desondanks is de kantonrechter van oordeel dat de werknemer geen recht heeft op loon na 4 februari 2020, omdat de cao en de arbeidsovereenkomst een uitsluiting van loondoorbetaling bevatten voor de periode waarin geen werkzaamheden zijn verricht, tenzij sprake is van arbeidsongeschiktheid. De werknemer meldde zich ziek op 24 februari 2020, waarna loondoorbetaling herleefde tot 1 april 2020, toen hij zich beschikbaar stelde voor werk. Omdat het loon over de periode tot 5 april 2020 al was betaald, wordt het verzoek afgewezen.
De kantonrechter wijst het verzoek om loonbetaling, wettelijke verhoging, rente en incassokosten af, compenseert de proceskosten en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.