Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2020 in de zaken tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem, verweerder.
Procesverloop
2017vastgesteld op respectievelijk € 92.000, € 99.000, € 112.000 en € 122.000. In hetzelfde geschrift zijn ook de aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2017 bekendgemaakt.
2018vastgesteld op respectievelijk € 119.000 ( [adres 1] ), € 128.000 ( [adres 2] ), € 137.000 ( [adres 3] ) en € 146.000 ( [adres 4] ). In hetzelfde geschrift zijn ook de aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2018 bekendgemaakt.
Overwegingen
1 januari 2016 en 1 januari 2017 (hierna: de waardepeildata).
De rechtbank overweegt dat de in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb gestelde termijn voor het beslissen op het bezwaarschrift een termijn van orde is. Dit volgt onder meer uit het feit dat het bestuursorgaan in beginsel niet wordt ontslagen van zijn verplichting om uitspraak op bezwaar te doen als de beslistermijn is overschreden (zie artikel 6:20, eerste lid, van de Awb). Omdat de termijn van artikel 30, negende lid, van de Wet WOZ een uitzondering vormt op de hoofdregel van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb gaat de rechtbank ervan uit dat ook die uitzondering een termijn van orde inhoudt. Dit betekent dat aan de overschrijding van die termijn geen gevolgen zijn verbonden.
De rechtbank ziet in de (overigens zeer geringe) overschrijding van deze termijn dan ook geen aanleiding het in het kader van de waardevaststelling voor het belastingjaar 2018 ingestelde beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit II te vernietigen.
Beslissing
R. van der Vecht, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.