ECLI:NL:HR:1994:AA2999

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29986
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273 GemeentewetArt. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling waardeheffing onroerende-zaakbelastingen bij gesplitste panden

Belanghebbende werd voor het jaar 1989 aangeslagen voor onroerende-zaakbelastingen over meerdere onroerende zaken binnen een pand te Amsterdam. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslagen, waarop belanghebbende in beroep ging bij het Gerechtshof Amsterdam. Het Hof vernietigde de aanslagen voor twee van de onroerende zaken, maar bevestigde de aanslagen voor de overige.

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de bevestiging door het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had vastgesteld dat het pand drie afzonderlijke belastingobjecten bevat. Voor de waardebepaling van deze objecten moet volgens het Hof bij wijze van fictie worden uitgegaan van de volle en onbezwaarde eigendom van elk object afzonderlijk, ook als splitsing formeel niet mogelijk is.

De Hoge Raad verwierp de klachten van belanghebbende die een andere opvatting voorstonden en zag geen aanleiding tot nadere motivering. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af en bepaalde terugbetaling van een gestorte griffierecht. Het beroep in cassatie werd verworpen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de aanslagen worden bevestigd zoals door het Hof vastgesteld.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 september 1993 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1989 opgelegde aanslagen in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente Amsterdam.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1989 wegens het genot krachtens zakelijk recht van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als a-straat 1 huis, 1-0, 1-I, 1-II en 1-III te Z en wegens het feitelijk gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als b-straat 1 huis te Z, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente Amsterdam opgelegd naar heffingsgrondslagen van in totaal f 459.000,--, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur der Gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam zijn gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Bij ambtshalve gegeven beschikking van de Inspecteur van 29 november 1991 zijn de aanslagen betreffende de onroerende zaken a-straat 1 - huis en a-straat 1-0 vernietigd. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover betrekking hebbend op de aanslagen a-straat 1 - huis en a-straat 1-0, deze aanslagen vernietigd en de uitspraak van de Inspecteur voor het overige bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof, voor zover inhoudende bevestiging van de uitspraak van de Inspecteur, beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. Het Hof heeft vastgesteld dat het pand a-straat 1 te Z, voor zover in cassatie van belang, drie afzonderlijke belastingobjecten bevat. 3.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat, nu bij de bepaling van de voor de heffing van de onroerende-zaakbelastingen in aanmerking te nemen waarde in het economische verkeer van die drie, afzonderlijk in de heffing van die belastingen te betrekken, objecten bij wege van fictie ervan moet worden uitgegaan dat de volle en onbezwaarde eigendom van elk van die objecten afzonderlijk wordt overgedragen, voor die waardebepaling niet ter zake doet dat splitsing van het pand ingevolge de daarvoor geldende voorschriften niet mogelijk is. Dit oordeel is juist. Voor zover de klachten van een andere opvatting uitgaan falen zij. 3.3. De klachten falen ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150,--.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 21 december 1994.