Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2020 in de zaak tussen
de heer [eiser] , te [woonplaats] ,
de burgemeester van de gemeente Zaanstad,
Procesverloop
Overwegingen
.Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) blijkt dat geen beperkingen gelden voor de feiten en/of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Noch in artikel 8 van Pro de DHW, noch in het Besluit eisen zedelijk gedrag DHW is een nadere omschrijving van dit vereiste gegeven. Een (onherroepelijke) strafrechtelijke veroordeling is niet vereist en de strafrechtelijke bewijsregels zijn niet van toepassing. Ook bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij zijn beoordeling alleen feiten en omstandigheden mag betrekken die gerelateerd zijn aan de exploitatie van de horeca‑inrichting. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 21 september 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:2511) en van 29 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX5952) en van 3 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX8963).
22 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3770) dat geen sprake is van discriminatie in de zin van artikel 14 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als voor het maken van onderscheid in het licht van de doelstellingen van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan. De informatie van politie en justitie is door verweerder opgevraagd ten behoeve van de toets van artikel 8, eerste lid onder b, van de DHW. De vraag dient dat ook beantwoord te worden of voor het op grond van dit artikel verschillend behandelen van mensen met en zonder een strafrechtelijk verleden een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Daarvoor is vereist dat dit onderscheid een gerechtvaardigd doel dient, een geschikt middel is voor het bereiken van dat doel en of er tussen het middel en het doel een redelijke mate van evenredigheid bestaat. Daarbij is van belang dat aan de verdragsstaten een ruime beleidsvrijheid (“margin of appreciation”) toekomt bij de implementatie van maatregelen op sociaal en economisch gebied. Dit betekent dat getoetst moet worden of de wetgever in redelijkheid tot de regeling van artikel 8, eerste lid onder b, van de DHW heeft kunnen komen, en of de toepassing ervan in dit geval niet van redelijke grond is ontbloot. De andere door eiser genoemde verdragsbepalingen leiden niet tot een striktere toets, zodat deze geen aparte behandeling behoeven.