Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Verweerder heeft ter zitting het volgende verklaard. De gevraagde gegevens zijn bij het bestreden besluit verstrekt. Bovendien hebben de betreffende stukken ter inzage gelegen. Van een professionele rechtsbijstandsverlener mag worden verwacht dat hij hiervan op de hoogte is. Op de hoorzitting heeft eiser niet meer om deze stukken verzocht. In beroep zijn de in bezwaar gevraagde gegevens verstrekt. In dit verband heeft verweerder gewezen op de uitspraken van 7 juli 2020 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2020:5157) en van het Gerechtshof Amsterdam van 24 maart 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:909).
De rechtbank acht de resterende vergelijkingsobjecten bij uitstek vergelijkbaar met de woning. Daartoe overweegt zij dat het allemaal in dezelfde straat dan wel directe omgeving van de woning gelegen tussen- dan wel eindwoningen zijn uit een (nagenoeg) gelijk bouwjaar en waarvan de inhoud en perceelgrootte niet al te zeer afwijken van die van de woning. Bovendien hebben alle objecten eenzelfde onderhoudstoestand, kwaliteit en ligging als de woning.
De verkoopprijzen van deze vergelijkingsobjecten kunnen dus worden gebruikt ter onderbouwing van de waarde van de woning. Dat er verschillen zijn tussen de woning en de vergelijkingsobjecten maakt dit niet anders. Het gaat er om dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met die verschillen.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat op het perceel van de woning geen erfdienstbaarheid (brandgang) rust. Daartoe overweegt zij dat verweerder zich ter zitting op de leveringsakten van de vergelijkingsobjecten [I] en [E] heeft beroepen. Verweerder heeft in dit verband verklaard dat uit deze akten, anders dan uit de leveringsakte van de woning, blijkt dat op de percelen van deze objecten een brandgang aanwezig is. Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de omstandigheid dat eiser zijn stelling met betrekking tot de aanwezigheid van een brandgang op het perceel van de woning, op geen enkele wijze heeft onderbouwd, gaat de rechtbank ervan uit dat op de grond bij de woning geen brandgang aanwezig is. Nader bewijs zoals door verweerder is aangeboden, acht de rechtbank niet nodig.