Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[verzoeker1] ,
[verzoeker2],
[verzoeker3],
[verzoeker4],
[verzoeker5],
[verzoeker6],
[verzoeker7],
[verzoeker8],
[verzoeker9],
[verzoeker10],
[verzoeker11] ,
[verzoeker12],
[verzoeker13],
Rechtbank Noord-Holland
Verzoekers hebben bij de rechtbank Noord-Holland een verzoek ingediend tot ontslag van de curator in het faillissement van [A.], gebaseerd op meerdere gronden waaronder het niet stuiten van vorderingen tegen de ING bank en het niet voltooien van een cessie.
De curator heeft zijn handelen toegelicht en de rechter-commissaris adviseerde afwijzing van het verzoek. De rechtbank benadrukte dat de curator een ruime mate van vrijheid heeft bij de uitvoering van zijn taken en dat het boedelbelang centraal staat.
De rechtbank oordeelde dat verzoekers onvoldoende onderbouwing boden voor hun verwijten, waaronder het vermeende onrechtmatig handelen van de ING bank en het niet stuiten van vorderingen. Ook werd de cessie als niet reëel beoordeeld. De vermeende leegsloop van een pand van [F.] werd niet als ontslaggrond erkend omdat dit geen boedelbelang betreft.
Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat er geen deugdelijke reden is om de curator te ontslaan en wees het verzoek af. Tevens werd de vereniging [verzoeker5] niet ontvankelijk verklaard wegens onduidelijkheid over haar positie als schuldeiser.
Uitkomst: Het verzoek tot ontslag van de curator wordt afgewezen wegens het ontbreken van voldoende gronden.