ECLI:NL:RBNHO:2017:98

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 januari 2017
Publicatiedatum
6 januari 2017
Zaaknummer
HAA - 15 _ 365
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32bd Wet op de loonbelasting 1964Art. 12a Wet op de loonbelasting 1964Art. 1 Wet op de loonbelasting 1964Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 14 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de crisisheffing en grondslag bonussen in loonbelasting

Eiseres, een besloten vennootschap, maakte bezwaar tegen de afdracht van de crisisheffing over maart 2014, welke door haar was aangegeven en betaald. De kern van het geschil betrof de vraag of de crisisheffing een wettelijke basis heeft, of deze in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en het gelijkheidsbeginsel, en of bonussen en bijzondere beloningen die in 2013 werden uitbetaald, maar betrekking hadden op werkzaamheden van voorgaande jaren, tot de grondslag van de crisisheffing behoren.

De rechtbank bevestigt dat de crisisheffing een voldoende wettelijke basis heeft, verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016. De heffing is niet in strijd met het EVRM, aangezien deze een legitiem doel dient en binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last, omdat eiseres geen feiten heeft aangevoerd die dit aannemelijk maken.

Verder oordeelt de rechtbank dat de bonussen en bijzondere beloningen die betrekking hebben op een specifiek tijdvak en waarvoor in 2013 belasting is geheven, tot de grondslag van de crisisheffing behoren. Het standpunt van eiseres dat deze beloningen niet tot de grondslag zouden behoren omdat ze betrekking hebben op eerdere jaren, wordt verworpen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het bezwaar af.

Uitkomst: Het beroep tegen de crisisheffing wordt ongegrond verklaard en de afdracht bevestigd.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 15/365

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2017 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,

(gemachtigde: drs. H.T.M. Herman-Droog),
en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft voor het tijdvak maart 2014 aangifte loonheffingen gedaan, waarbij een bedrag van € 127.908 aan pseudo-eindheffing hoog loon in de zin van artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964, tekst 2014 (hierna ook: crisisheffing) is aangegeven. Dit bedrag is op 10 april 2014 afgedragen. Tegen deze afdracht heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 16 december 2013 afgewezen. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016 te Haarlem. Eiseres is, na de rechtbank daarvan schriftelijk in kennis te hebben gesteld, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door H.E. Erceylan. Tevens zijn namens verweerder verschenen mr. A. de Groot, drs. F. Belhaj en mr. S. Mohamed Hoesein.

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres heeft over het jaar 2013 een bedrag van € 3.590.075 aan loon aangegeven. Op dit bedrag is € 1.670.191 aan loonheffingen ingehouden.
2. Voor het tijdvak maart 2014 heeft eiseres aangifte loonheffingen gedaan en daarbij een bedrag van € 127.908 aan crisisheffing aangegeven.
3. In 2013 heeft eiseres aan werknemers bonussen en andere bijzondere beloningen uitbetaald. Deze beloningen zien gedeeltelijk op werkzaamheden die vóór 2013 zijn verricht. De desbetreffende werknemers waren ten tijde van de uitbetaling nog in dienst bij eiseres.
Geschil4. Tussen partijen is in geschil of eiseres gehouden was de crisisheffing af te dragen. Meer in het bijzonder is in geschil of de crisisheffing in strijd is met:
- het systeem van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet);
- artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP EVRM), en
- het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR).
Daarnaast is in geschil of de grondslag voor de berekening van de crisisheffing onjuist is vastgesteld, hetgeen eiseres stelt en verweerder bestrijdt. Eiseres stelt dat de in 2013 aan werknemers betaalde bonussen en andere bijzondere beloningen niet tot die grondslag behoren.
Beoordeling van het geschil
Het wettelijke systeem
5. De crisisheffing kan volgens eiseres niet worden geheven omdat hoofdstuk IV van de Wet daarvoor geen wettelijke basis biedt. Artikel 32bd van de Wet is, aldus eiseres, onverbindend omdat artikel 1 van Pro de Wet niet toestaat dat ter zake van één en hetzelfde loonbestanddeel loonbelasting wordt geheven ten laste van werkgever en werknemer. Voorts stelt eiseres dat het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking als bedoeld in artikel 32bd, eerste lid, van de Wet niet omvat het zogenoemde fictief loon als bedoeld in artikel 12a van die wet.
6. Artikel 1 van Pro de Wet bepaalt, voor zover van belang, dat onder de naam ‘loonbelasting’ van werknemers of hun inhoudingsplichtige een directe belasting wordt geheven.
7. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121, over een vergelijkbare stelling geoordeeld als eiseres inneemt. Kort gezegd heeft de Hoge Raad in dit arrest geoordeeld dat de tekst van artikel 32bd, eerste lid, van de Wet bepaalt dat de crisisheffing wordt geheven in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens de Wet bepaalde. Klaarblijkelijk heeft de wetgever daarbij mede het oog gehad op het bepaalde in artikel 1 van Pro de Wet, aldus de Hoge Raad. Naar het oordeel van de Hoge Raad is hiermee een voldoende basis in de Wet opgenomen voor de crisisheffing. In genoemd arrest heeft de Hoge Raad ter zake van de stelling dat over een reeds in de heffing betrokken loonbestanddeel wordt geheven met een vergelijkbare overweging geoordeeld dat artikel 32bd van de Wet niet onverbindend is, nu de wetgever heeft bedoeld een regeling te treffen in afwijking van artikel 1 van Pro die wet. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen en is van oordeel dat de crisisheffing niet in strijd is met het wettelijke systeem.
8. Hieraan voegt de rechtbank toe dat het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking als bedoeld in artikel 32bd, eerste lid, van de Wet mede omvat het zogenoemde fictief loon als bedoeld in artikel 12a van die wet. Het andersluidende standpunt van eiseres wordt derhalve verworpen.
Artikel 1 van Pro het EP EVRM
9. Eiseres stelt dat de crisisheffing in strijd is met artikel 1 van Pro het EP EVRM, omdat een inbreuk wordt gemaakt op het ongestoorde genot van eigendom. Daarbij voert zij aan dat de heffing (materieel) terugwerkende kracht heeft. Ook is naar haar mening sprake van een individuele en buitensporige last.
10. De rechtbank stelt voorop dat belastingen in beginsel een inmenging vormen in het door artikel 1 van Pro het EP EVRM gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. De tweede alinea van deze bepaling voorziet echter uitdrukkelijk in een algemene rechtvaardigingsgrond voor de inmenging die wordt veroorzaakt door de toepassing van fiscale maatregelen. Dit neemt niet weg dat ook op het terrein van de belastingen de inmenging volgens vaste rechtspraak van het EHRM ‘lawful’ moet zijn en een ‘legitimate aim’ moet dienen, en dat er een ‘fair balance’ dient te bestaan tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang. Bij deze laatste toets is van belang dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge toekomt.
11. In het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124, is beslist dat de crisisheffing voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is, en dat daarmee derhalve aan de vereisten van ‘lawfulness’ is voldaan. Voorts is beslist dat het heffen van belastingen in het algemeen belang, zoals in de slotzin van artikel 1 EP Pro ligt besloten, in beginsel voldoet aan het vereiste van een ‘legitimate aim’, en dat er geen grond is om daarover anders te oordelen in het onderhavige geval waarin de wetgever ter oplossing van de ernstige begrotingsproblemen in 2013 en 2014 een reeks ingrijpende maatregelen heeft genomen, waarvan de crisisheffing deel uitmaakt. De Hoge Raad heeft verder overwogen dat wanneer wordt aangevoerd dat bij de invoering van de belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, dit dient te worden beoordeeld vanuit de vraag of de ‘fair balance’ is geschonden. Ook heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de crisisheffing op het niveau van de regelgeving niet heeft geleid tot schending van artikel 1 van Pro het EP EVRM. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.
12. Met betrekking tot de verlenging van de regeling tot en met het jaar 2014 heeft de Hoge Raad in voormeld arrest geoordeeld dat deze als zodanig eveneens niet in strijd is met artikel 1 van Pro het EP EVRM.
13. Het voorgaande laat de mogelijkheid open dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder rust op eiseres de last om feiten en omstandigheden bij te brengen op grond waarvan een dergelijke last kan worden aangenomen. Dit laatste heeft eiseres niet gedaan, zodat moet worden aangenomen dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last.
Artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 26 van Pro het IVBPR
14. Eiseres heeft aangevoerd dat de crisisheffing in strijd is met artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 26 van Pro het IVBPR.
15. De Hoge Raad heeft in voormeld arrest (en ook in HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121) geoordeeld dat de crisisheffing niet discriminerend is in de zin van artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 26 van Pro het IVBPR. In hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Bonussen en andere bijzondere beloningen
16. Ten slotte betoogt eiseres dat ten onrechte een deel van de in 2013 uitbetaalde bonussen en andere bijzondere beloningen tot de grondslag zijn gerekend waarover de crisisheffing is afgedragen. In dat kader stelt eiseres dat die beloningen in zoverre, ofschoon uitbetaald in 2013, betrekking hebben op werkzaamheden die door de desbetreffende werknemers in eerdere jaren zijn verricht.
17. Op grond van artikel 32bd, eerste lid, van de Wet wordt de grondslag voor de crisisheffing gevormd door het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking waarover in 2013 met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting is geheven. Voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige en vroegere dienstbetrekking is bepalend of de desbetreffende betalingen ten nauwste verband hielden met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en daarvoor een rechtstreekse beloning vormden, dan wel die betalingen slechts meer algemeen hun oorzaak vonden in voorheen verricht zijn van arbeid (vgl. HR 21 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6257). Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking omdat de hier aan de orde zijnde beloningen betrekking hebben op arbeid die is verricht in een specifiek tijdvak. Niet kan worden gezegd dat die beloningen slechts meer algemeen hun oorzaak vonden in eerder verrichte arbeid. Derhalve behoren, anders dan eiseres betoogt, de onderwerpelijke beloningen tot de grondslag waarover de crisisheffing wordt geheven.
Proceskosten
18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van Scharrenburg, voorzitter, en mr. H. de Jong en mr. M.W. Koenis, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2017.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.